Onlangs schreef ik hier dat ik nog terug zou komen op een soort zelfhulpboek waar ik wel enthousiast over was. Ik was op dat moment halverwege The Way of Excellence en ik moet bekennen dat ik door het tweede deel iets minder enthousiast ben geworden, maar dan nog: de moeite waard om hier aandacht aan te besteden.
The Way of Excellence, ondertitel ‘A Guide to True Greatness and Deep Satisfaction in a Chaotic World’ is het nieuwe boek van Brad Stulberg, een kerel die ik al jaren nauwgezet volg (zie deze blogpost over zijn vorige boek bijvoorbeeld). Ik vind hem en zijn vaste maatje Steve Magnuss originele en denkers die stevig onderbouwde vraagtekens durven te zetten bij dominante, hippe ideeën en zo een bijdrage leveren aan betere zelfzorg, zo vat ik het maar even samen.
The Way of Excellence is de jongste loot aan die stam. Het valt uiteen in twee delen: het eerste deel heet ‘Foundations’ en is beschouwend, meer theoretisch; het tweede heet ‘Mindsets, habits and practice’ en dat is meer zoals je je een zelfhulpboek voorstelt: het beschrijft wat je moet doen om te excelleren. Dat tweede deel is veel langer dan het eerste.
Ik vond het Foundations-deel smullen. Ik noemde in die vorige post The Way of Excellence vernieuwend, en dat zat ‘m in dit deel. Dat is enerzijds omdat ik graag dingen lees die me helpen om de wereld en het leven te begrijpen, en anderzijds omdat voor mij in het tweede deel veel te veel de maakbaarheid centraal staat.
Of nouja, centraal… het zit hem vooral in de voorbeelden. In zo’n beetje elk hoofdstuk wordt iemand opgevoerd die die zo’n mindset, habit of practice (de usual suspects ook nog, zoals discipline, focus, geduld, nieuwsgierigheid, gemeenschap en plezier) uitvoert en daar enorm succes mee heeft gehad. Dat is een vorm van de narratieve drogreden: iemand doet X en wordt succesvol, en legt daar een causaal verband tussen. Maar nee. Er zijn duizenden, miljoenen mensen die ook X deden en die niet succesvol werden. De maakbaarheidsillusie is dat als jij ook maar X doet, jij ook succesvol zult worden.
De narratieve drogreden is in maakbaarheidskringen zeer populair (dat eerdere zelfhulpboek, Essentialisme, stond er ook bol van), en het verbaast me een beetje dat Stulberg ‘m niet doorziet. Of, als hij hem wel doorziet, er toch zo veel gebruik van maakt. Ik kreeg er jeuk van. Maar dat kreeg ik dus pas in deel 2.
In deel 1 zet Stulberg uiteen wat hij onder excelleren verstaat. Dat is, grappig genoeg, niet eens knetter succesvol zijn, althans, niet in de zin van bestsellers verkopen, een topbedrijf runnen of een wereldrecord vestigen. Waar het om gaat, is ‘mastery and mattering’: je bent actief betrokken (‘involved engagement’) waar je goed in bent en steeds beter in wordt, en wat in lijn is met wat in jouw leven waardevol is. Zodoende maak je de wereld dus steeds een beetje beter. Dat geeft diepe voldoening.
Wat voor mij nieuw was, is dat Stulberg de drang om de wereld steeds een beetje beter te maken uit de biologie verklaart. Zelfs eencelligen doen dat al, die voelen zich aangetrokken tot ‘het goede’ en bewegen in die richting. Ik heb altijd gedacht dat het ‘better never stops’ een bijverschijnsel is van het kapitalisme en dat er tussen individuen nogal verschil zit in hoe zeer ze zich door een verbeterwens laten drijven. Maar Stulberg betoogt dus dat het dieper zit, en in ons allemaal. Wel verschilt natuurlijk nogal wát we willen verbeteren, hoe zich dat uit, en hoe goed iemand is.
De tweede vernieuwing vond ik dat Stulberg de koppeling maakt met voelen. Daar kom ik kop enigszins bekend gebied, want in ‘mijn’ tak van de taalkunde, de cognitieve, stond in de tijd dat ik er nog actief in was de gedachte van ‘ik voel dus ik ben’ ook in de aandacht. Ik kom zelfs dezelfde naam tegen: Antonio Damasio, die van: ‘ik voel dus ik ben’. Ik ken dat gedachtegoed dus, maar las met plezier hoe Stulberg dat verbindt met excelleren: meesterschap is gebaseerd op gevoel en verbonden met ons hele lichaam, niet alleen op denkwerk met ons hoofd. Omdat we met heel ons wezen voelen wat goed en slecht is, en daarnaar handelen.
Als we ons dan richten naar het goede, dan voelen we dat dus ook, en dat gevoel is wat ons in essentie menselijk maakt en wat ons leven zin geeft. Juist ook als we daar moeilijkheden bij overwinnen.
Ik herken daarin het diepe genoegen dat doelgericht trainen in de sport geeft, maar ook hoe ik schrijf en vooral: redigeer. Er zijn doorwrochte checklists voor een goede tekst in omloop en ik kijk soms zeker ook analytisch (met dat hoofd-denkwerk dus), en toch is mijn gevoel doorslaggevend in het verbeteren van een zin of passage. Zo’n 25 jaar geleden heb ik geprobeerd daar iets van onder woorden te brengen in het kader van mijn opleiding in de Gestalttherapie toen. Ik paste toen de Gestalt-term awareness toe op lezen en herschrijven en dat zit in die hoek. In het vakgebied is dat aspect van tekstenwerk een ondergeschoven kindje. En dat is eigenlijk wat Stulberg ook zegt: de manier waarop we praten over het verwerven van vaardigheden is eenzijdig, te weinig relationeel-interactief met de omgeving (‘you feel your way forward’).
Ik schrijf nu nog maar over de eerste 25 van de 276 pagina’s van het totaal en van van de 61 in deel 1 van het boek. In de rest van deel 1 contrasteert Stulberg vooral excelleren met dat waartoe het moderne leven nogal verleidt: de afleiding en chaos van sociale media en het streven naar externe waardering (geld, medailles), hedonistische kortetermijngeluk of immorele zaken. En daarna gaat het dus over het hoe van dat excelleren. Daar komt nogal wat bij kijken en dat is een goed samenhangend en hier en daar leerzaam verhaal, maar met dus die maakbaarheids-suggestie. Daar kreeg ik dus jeuk van, maar dat doet niets af aan mijn enthousiasme voor deel 1.