Mooi stuk van Felix van de Laar op het weblog van Tekstnet: schrijfpraten. Herkenbaar: ik heb in de loop der jaren ook al vaak gehoord dat mensen mij in Adviseren met Perspectief als het ware horen praten, en ook ik vind dat een groot compliment!
Categorie archieven: schrijftips
Recensie Het Snapgevoel deel 2: overdosis aankondigingen
Vorige week schreef ik deel 1 van een recensie, over de inhoud, hier deel 2 over Het snapgevoel. Hoe de illusie van begrip ons denken gijzelt over de vorm. Ik kondigde het al aan: ik vind het boek te lang. De auteurs hebben te veel woorden nodig om hun punt te maken. Dat punt had ik al grotendeels te pakken op die zondagochtend dat ik erover hoorde op tv. Maar het duurt het honderd pagina’s voordat het boek ter zake komt, en zelfs dan ervaar ik het af en toe nog als langdradig. Voor mij als schrijfadviseur altijd interessant waar dat ‘m in zit.
In de eerste plaats had er inhoud uitgekund. Het hoofdstuk wetenschapsfilosofie en kennisleer (hoofdstuk 2, 40 pagina’s) lijkt me een vlees-noch-vis-hoofdstuk: voor kenners overbodig en voor leken te kort en daardoor te moeilijk. Als het erin moet blijven, dan zou ik zeggen: kom eerst ter zake, en geef dan pas verdiepende achtergrond.
In de tweede plaats neemt de tekst af en toe een gek aanloopje. . Een voorbeeld staat op p. 79, de inleiding tot hoofdstuk 3. Het gaat daar eerst over parasolmieren, die een soort landbouw ontwikkeld hebben. Dan volgt een zinnetje ‘Wij, mensen, hebben ook een landbouwtechniek ontwikkeld, maar die is afhankelijk van onze aangeboren capaciteit te leren. Daarin verschillen we van parasolmieren’. Vervolgens gaat de rest van het hoofdstuk over menselijk leren. Wat doen die parasolmieren er dan toe? Ik noem zo’n start de ‘and now, for something completely different’-inleiding: leuk bedachte anekdote, maar dan ineens een wending naar iets anders en dát is het eigenlijke thema.
Ten derde blíjven de auteurs maar aankondigen. Ik houd wel van een structuuraankondiging op zijn tijd, sterker nog: die zijn nodig om lezers op het juiste spoor te houden. Maar dit boek bevat een overdosis. P. 13/14 zijn twee pagina’s leeswijzer ‘van de argumentatie’ – maar het is geen overzicht van de argumentatie, maar een samenvatting van het boek. Op p. 37/38 alweer anderhalve pagina ‘vooruitblik’ en bijvoorbeeld op p. 173/174 ook nog eentje, vooruitblikkend op het slot van het boek.
Verder wemelt het van zinnetjes als ‘We leggen dit dadelijk, en in hoofdstuk vier, nader uit’ (p. 91). Of van zinnen aan het eind van een paragraaf die alvast een opzetje doen naar de volgende, zoals verder op diezelfde pagina, de laatste zin in een stuk over de tweede manier van leren: ‘We kunnen dat begrijpen als we naar de derde manier van leren (…) kijken’ – gevolgd door een witregel, en dan een kopje ‘Leren: stadium 3’.
Het laatste type aankondigingen laat zien dat de manier van aankondigen kettingvormig is: de laatste zin van de eerdere alinea maakt een bruggetje met de volgende alinea. Net zoals die ‘vooruitblikken’ aan het eind van hoofdstukken vooruitblikken op het volgende hoofdstuk of de volgende hoofstukken. Ik houd meer van hiërarchische structuren en dito aankondigingen, en dan één keer goed en niet steeds opnieuw. Ik weet niet in hoeverre dat een kwestie is van persoonlijke smaak. Ik kom ook wel eens mensen tegen die een hekel hebben aan álle structuuraankondigingen, maar misschien zijn er ook wel voor wie het in Het Snapgevoel nog niet te veel is?
Ik ervaar de combinatie van wetenschapsfilosofie, die parasolmieren en de vele aankondigingen als arrogant: de schrijver wil veel kennis kwijt en schat mij als lezer als zo dom in dat ik veel aankondigingen en vooruitblikken nodig heb. Met een minstens 50 pagina’s dunner boek had ik het aardiger gevonden.
Eén-op-één
Afgelopen zaterdag stond er in de krant een advertentie voor een film met daarin een verschijnsel dat mij doet denken aan wat ik wel eens zien in presentaties en teksten: het ontbreken van een één-op-één-relatie tussen verwante opsommingen:

Ik zie daar vijf portretten maar ik lees eronder zes namen. Wie is nou wie? Dat is puzzelen, en dan nog ontbreekt er een foto. Ik zou het logischer vinden als de namen een één-op-één-relatie zouden hebben met de foto’s.
Dat doet me denken aan presentaties en teksten waarin bijvoorbeeld enerzijds vijf problemen staan en anderzijds bijvoorbeeld zes of vier oplossingen. Vooral met vier oplossingen denk ik dan: pak je dan wel vijf problemen aan? En sowieso is het een puzzeltje om uit te zoeken hoe de ene opsomming zich tot de andere verhoudt.
Het is het type logica dat over het algemeen door het toepassen van het piramideprincipe opknapt, omdat je daar de oplossing onderbouwt met ‘omdat het dit probleem oplost’. Je zet die twee inhoudselementen niet naast elkaar, maar hiërarchisch onder elkaar. Dat dwingt dus wel tot nadenken over hoe ze zich precies tot elkaar verhouden. Anders gezegd: dat puzzeltje los je dus als schrijver op, dan hoeft de lezer het niet te doen!
Met dank aan Henk voor het spotten van de discrepantie in de advertentie – ik had er zelf overheen gekeken, want zo gaat het ook nog eens een keer.
Weer zo’n boek
Een nieuw boek met de titel Begrijpelijk schrijven voor iedereen moet ik wel kopen, vind ik, omdat ik een up-to-date en representatieve schrijfhandboekenkast wil hebben. Maar eerlijk gezegd denk ik vooral: weer meer van hetzelfde. Zoiets lijkt de auteur zelf ook te denken, want de eerste zin van het voorwoord luidt: ‘Was er nu wel behoefte aan weer een taalkundig boek?’ Zelf beantwoordt hij die vraag natuurlijk positief, want er is volgens hem weinig aandacht voor begrijpelijk schrijven.
Nou is er misschien inderdaad weinig aandacht voor wat nou écht begrijpelijk schrijven is, maar juist de invalshoek die dit boek kiest, die is wat mij betreft uitgekauwd. Het is namelijk een lange lijst met ge- en verboden, wat ik wel de moeten’s en mag-niet’s noem. Wat moet is bijvoorbeeld afwisseling van zinstype, expliciteren van de structuur en persoonlijk schrijven; wat niet mag is lange zinnen, lange aanlopen, tangconstructies, naamwoordstijl, te veel voorzetsels, moeilijke woorden, enzovoort. Niet slecht, maar wat mij betreft niets nieuws onder de zon.
Het totale aantal moeten’s en mag-niet’s in dit boek is 18, op 215 pagina’s gepresenteerd. Probeer dan nog maar eens überhaupt te schrijven, als je je aan 18 regels moet houden. Want dat is volgens mij één van de problemen van dit type schrijfadvies: het leidt tot writer’s block. En alleen al daarom gaat het volgens mij voorbij aan de essentie van écht begrijpelijk schrijven voor iedereen: dat is geen kwestie van het opvolgen van 18 regels. Er is weliswaar een correlatie tussen begrijpelijkheid en een heleboel tekstkenmerken zoals zinslengte, maar geen causaal verband. Ik bedoel: men neme een onbegrijpelijke tekst, men passe de 18 regels toe… kans is groot dat de nieuwe versie nog steeds onbegrijpelijk is. Bijvoorbeeld als (ik berijd even een stokpaardje) de hoofdboodschap verstopt staat. Of als je helemaal niks hebt met het onderwerp – dan is een tekst algauw niet te volgen.
Eén van de dingen die maken dat écht begrijpelijk schrijven zich onttrekt aan dit type schrijfadviezen is dat ze op zinsniveau zijn. Maar wat zeggen losse zinnen nou eigenlijk? Van der Horst vindt deze passief onduidelijk:
EcoSchoon is een sensationele uitvinding waardoor uw tapijt met schoon koud water gereinigd kan worden
Want, zegt hij, wie doet dat reinigen dan? En hij stelt dus voor: ‘waardoor u uw tapijt … kunt reinigen’. Ik vind die nadruk op de u die moet reinigen echter arbeidsintensiever klinken, met meer werk voor die u en dus mogelijk een commercieel minder swingende boodschap. De lijdende vorm suggereert dat ‘het gebeurt’, door een (was-)machine. Dat lijkt op wat ik vond in de computerhandleidingen die ik voor mijn proefschrift analyseerde waarin stond dat ‘het document wordt afgedrukt’ – dat doet de printer automatisch voor je (zegt Van der Horst overigens ook, op p. 98, daar vermoed ik zelfs enige invloed van mijn onderzoek). Maar ik weet niet wat EcoSchoon is – is het een apparaat? Dus zonder context kan ik er verder niets over zeggen.
Overigens niet toevallig dus dat ik een passief eruit haal, want dat regeltje (‘Ga de lijdende vorm zo veel mogelijk uit de weg’, p. 93-105) heeft altijd mijn bijzondere belangstelling. En ook daarvoor geldt in dit boek: niets nieuws onder de zon. Toen ik begon met mijn onderzoek naar de lijdende vorm, inmiddels 25 jaar geleden, waren de schrijfadviezen van gelijke aard. Is het gebruik van de lijdende vorm veranderd, verminderd, in die 25 jaar? Nee, ik geloof het niet, en Van der Horst denk ik ook niet, want anders zou zo’n advies inmiddels overbodig zijn. De hardnekkigheid van sommige schrijfproblemen laat ook zien dat boeken met schrijfregels weinig effect hebben op waar het werkelijk om gaat.
Het jaar van de piramide
Leuk om te lezen: volgens Henri Raven in Intermediair wordt 2016 het jaar van de piramide! Dat hoop ik natuurlijk ook, en ik hoor de roep om lezergericht schrijven inderdaad ook steeds harder klinken. Tenminste… ik hoor ook andere dingen, ik had net vorige week nog een gesprek met schrijvers van voorstellen die me vertelden dat opdrachtgevers steeds strakker voorschrijven van precies welke inhoudsingrediënten een voorstel gekookt moet worden, en dat staat er dan weer haaks op, minstens ten dele (goed schrijven is maatwerk, niet het invullen van een door een ander bedacht stramien).
Twee andere kanttekeningen bij het verder dus leuke en verheugende stuk:
- Piramide in de zin van Ravens stuk is niet hetzelfde als wat ik piramidaal noem. Raven bedoelt de directe structuur: hoofdboodschap voorop. Dat is slechts één element van het piramideprincipe.
- Wat Raven beweert over slechtnieuwsberichten is niet in lijn met het (o-zo-beperkte) wetenschappelijke onderzoek naar structuur en volgorde in teksten: Utrechtse onderzoekers vonden onder lezers van slecht nieuws een voorkeur voor de indirecte structuur (zie één van de bronnen).
Verder wens ik dus iedereen, en vooral alle lezers, een piramidaal 2016 toe! En dank aan @annekenunn voor het retweeten van de link naar Ravens stuk.
Binair schrijven
Laat ik het nieuwe jaar eens beginnen met een goeie tip die ik vorige week (30 december) tegenkwam in de NRC (p. E5). In een artikel over delegeren staat een pleidooi voor de binaire e-mail aan de leidinggevende, waarop die alleen maar met ja of nee kan antwoorden:

Dat binaire schrijven, inclusief het dwingen tot denkwerk over een oplossing, doet mij denken aan piramidaal schrijven. Dat hoeft niet noodzakelijkerwijs te leiden tot een hoofdboodschap waar de baas alleen met ja of nee op kan antwoorden, maar dat ligt wel heel mooi in het verlengde ervan: het is piramidaal schrijven met nog een extra eis.
En die eis is niet alleen beperkt tot e-mails. Ik weet bijvoorbeeld van allerlei beslisstukken, zoals memo’s voor MT’s, directies en Raden van Bestuur, dat die beslissers graag een concreet voorstel voorgelegd krijgen. Eén voorstel, met onderbouwing; niet allerlei opties en alternatieve en scenario’s en analyses daarvan, en al helemaal niet alleen maar of vooral uitgebreid het probleem.
Consequentie is wel wat er in de laatste hierboven overgenomen alinea staat: elkaar vertrouwen. Dat vraagt het, maar dat vertrouwen bouw je zo inderdaad ook op.
Ik wens jullie allemaal een vertrouwensvol 2016 toe!
Hoofdboodschap verschilt per ontvanger
Eén van de kenmerken van een hoofdboodschap is dat het een op de ontvanger (lezer/publiek) gerichte interpretatie is van de feiten: de hoofdboodschap geeft de so-what. Ik geef dan vaak het voorbeeld dat ook in Adviseren met perspectief is terug te vinden: dat een boel geel fruit op een gele fruitschaal voor een schilder die een stilleven gaat maken ‘je hebt vooral gele verf nodig’ en voor een kleine fruiteter ‘er is nog meer dan genoeg’, enzovoort.
Vorige week schudde één van mijn trainingsdeelnemers een voorbeeld uit zijn mouw dat in zakelijke contexten sprekender zal zijn. Ik heb ze ietsje aangepast.
De auditor schrijft: We hebben vastgesteld dat de problemen aan het IT-systeem onjuist en onvolledig worden opgelost
Voor de werkvloer wordt dit: De problemen worden veroorzaakt door de gebruiksonvriendelijkheid van het helpdesksysteem.
Voor het management: De klanttevredenheid loopt gevaar omdat het dienstverleningsniveau niet wordt gehaald vanwege de IT-problemen.
Er zit hier ook iets in van constatering – oorzaak – gevolg/risico, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. En het voorbeeld is uit te breiden naar adviserende hoofdboodschappen, gericht op degene die het probleem zal moeten aanpakken.
Merk ook op dat ook de rol van de schrijver een rol speelt: een auditor is geen adviseur, en zal dus andere hoofdboodschappen formuleren.
Met dank aan San!
Piramideprincipe bij Best Value Procurement
Vandaag weer eens een interessante link. Mijn collega Marjan Huisman van Twinc attendeerde me op een blogpost over het schrijven bij Best Value Procurement, BVP, een nieuw type aanbestedingen dat ervaren aanbesteders voor een uitdaging stelt. Eén van die uitdagingen is het beknopt omschrijven van de prestatie, de kansen en de risico’s. Waar dat eerder op tot wel zestig kantjes mocht, moet het nu allemaal in twee à drie pagina’s. Marjan had het idee dat het piramideprincipe bij dit type denk- en schrijfwerk nuttig zou kunnen zijn, en daar ben ik het van harte mee eens! Dat is en blijft een geweldig instrument om een grote hoeveelheid aan complexe inhoud niet alleen logisch maar ook lezergericht te structureren.
Liever saai en duidelijk
Bij sommige goedbedoelde stijladviezen is het middel erger dan de kwaal. Een voorbeeld daarvan kwam kort na elkaar in twee trainingen aan de orde: gekke woorden gaan gebruiken om woordherhaling te vermijden, en het ging nog om hetzelfde woord ook. Haha: om hetzelfde woord: ook.
In het eerste geval merkte ik op dat ik tevens een te schrijftalig woord vind voor ook, waarop de schrijver zei dat hij juist naar tevens was uitgeweken omdat er anders zo vaak ook in de tekst zou voorkomen. Het tweede geval was een voorbeeldtekst voor het gebruik van signaalwoorden met twee keer ook erin, vlak na elkaar.
Nou is vaak ook gebruiken wel iets om op te letten. Ik heb zelf de neiging om te vaak ook te gebruiken omdat de ook-relatie dan in mijn hoofd zit (‘dit wil ik ook nog kwijt’) en niet in de tekst (zie eerdere blogpost daarover, met ook een grappig NS-voorbeeld). Bovendien is het een zwak signaalwoord, dat alleen maar ‘en’ uitdrukt. Kan prima zijn, maar misschien is het verband preciezer aan te geven dan dat. Vaak ‘en’ uitdrukken kan bovendien op een overzichtelijkere manier: door middel van een opsomming.
Dus, alle reden om kritisch te zijn op al te vaak ook. Maar puur en alleen vanwege de woordherhaling is het geen probleem. Zulke kleine, gewone woorden storen niet als je ze veel tegenkomt. Het duidelijkste voorbeeld daarvan zijn de lidwoorden: het is nooit hinderlijk als de, het en een veel voorkomen in een tekst. Wat mij betreft zit ook in die hoek. Maar tevens niet: dat trekt wél de aandacht, want dat zegt niet alleen ‘en’, maar ook ‘ik ben een schrijftalig woord, formeel en stijfjes’.
Andere problemen die komen door het vermijden van woordherhaling zijn vage en foutieve verwijzingen en het-net-niet-helemaal-precieze-synoniem. De schrijver zoekt dan naar een ander woord, en vindt iets wat bijna hetzelfde betekent, maar net niet helemaal. Voor de lezer is het dus toch net iets anders, en dat is verwarrend. Woorden die echt helemaal synoniem zijn, bestaan niet, dat zie je wel aan ook en tevens. Ze ‘betekenen’ hetzelfde, maar ze verschillen in toon. En kijk ook maar naar de voorbeelden in het Wikipedia-lemma: als je het altijd over je auto hebt, is het gek als je die ineens wagen noemt.
Ik zou tegen zakelijke schrijvers willen zeggen: wees niet te bang voor woordherhaling. Het ergste wat je ermee kan overkomen is dat je tekst wat saai wordt. Liever saai maar duidelijk dan niet saai met andere problemen erin. Bovendien: van ook wordt een tekst niet saai.
Versnipper niet te veel
Laatst zag ik een rapport dat tot op het laagste niveau van de structuur genummerde kopjes had: zelfs de sub-sub-sub-paragrafen hadden nummers, en ze waren elk niet langer dan één alinea. Dat oogt gestructureerd, en een koppensnellende lezer krijgt zo veel van de inhoud mee, zo betoogde de schrijver.
Ik was het daar niet mee eens. Die koppensneller moet dan ook wel met al z’n haast en vluchtigheid véél koppen lezen, en voor een iets grondigere lezer is de structuur erg versnipperd: al die kleine, losse dingetjes. Ik denk dat dat grotendeels door conventie bepaald is, en misschien is het ook wel een beetje smaak: genummerde kopjes worden alleen gebruikt als er daaronder nog een hiërarchisch niveau volgt, dus tot en met het op één-na-laagste niveau van de tekststructuur/piramide. Door daaronder nog door te nummeren, lijkt het net alsof er iets ontbreekt, namelijk: het niveau eronder.
En hoe geef je dan het laagste niveau weer? Met een opsomming of met gewone alinea’s. Daarin ervaren lezers meer verband dan tussen allemaal kleine paragraafjes. Als je de inhoud van wat anders het kopje zou zijn netjes in de eerste zin van de opsomming of alinea plaatst (‘hoofdboodschap voorop’, ook op het laagste niveau van de tekst), bedien je bovendien ook de snelle lezers, want die kunnen langs die kernzinnen scannen.
