Net uit: Oase Magazine jaargang 4 nummer 1, met daarin drie mini-columns over sport van mij. Eentje ervan vind ik zelf een van de bijzonderste die ik ooit geschreven heb. Ik krijg van de redactie altijd thema’s op, dit keer onder andere ‘heftig’. Ik liep er net over na te denken hoe ik dat in zou vullen toen het 9 mei werd, de 3e dag van de Giro d’Italia. Voor de niet-wielerkenners onder u: die dag overleed renner Wouter Weylandt na een val in de afdaling. Ik zat live te kijken naar wat mij betreft te schokkende beelden. De camera hoeft niet altijd overal zo dicht op te staan. Daar was mijn onderwerp, realiseerde ik me na een paar uur. Maar ik voelde me er eerst helemaal niet goed bij, het was me al te zeer ‘de een z’n dood….’ Dat ebde weg, en ik stuurde hem toch maar in. Toen ik vandaag mijn column herlas, voor het eerst sinds mei, kreeg ik weer kippenvel. Ik zie het bovendien nu meer andersom: hoe meer mensen er nog eens bij stilstaan, op een goede manier, des te minder zinloos is zo’n overlijden.
LHcornelis
Schrijven en lezen op één wetenschapspagina
Interessante wetenschapspagina in de NRC van afgelopen dinsdag. In een klein berichtje linksonder gaat het maar weer eens een keer over de gunstige effecten van schrijven op de psyche, dit keer in het bijzonder over het opschrijven van wat je echt belangrijk vindt in het leven (waarden). Dat helpt tegen onzekerheid.
Daarnaast een wat groter artikel onder de titel ‘Clou verklappen vergroot leesplezier‘. De inhoud ervan vond ik frappant: mensen blijken meer te genieten van een verhaal als ze de afloop ervan al kennen. Ze hebben er misschien een hekel aan als de afloop verklapt wordt, maar dat is waarschijnlijk iets sociaals, dat een ander je het plezier afneemt. Maar als je weet hoe het verhaal afloopt, bijvoorbeeld als de auteur zelf dat met een ‘spoiler’ vertelt, valt er nog steeds veel te ontdekken en genieten aan het verhaal, en je deelt de hoop en angst van de personages. Het blijkt dat lezers verhalen met zo’n verklapte afloop beter waarderen.
Natuurlijk doet dit me denken aan de discussies over de hoofdboodschap voorop. Daarmee ‘verklap’ je eigenlijk ook al heel veel. Bij sommige mensen roept dat weerstand op. Ik zei altijd al dat je een adviesrapport nu eenmaal anders leest dan een detective of een thriller. Nu kan ik hen vertellen dat zelfs bij detectives en thrillers de hoofdboodschap voorop zetten helemaal geen kwaad kan!
Shortmail
Wil je alleen nog maar korte e-mails ontvangen? Dan is er nu Shortmail. Dat is een e-mailservice waar berichten maximaal 500 tekens mogen bevatten. Als er iemand een te lang mailtje naar je stuurt, krijgt die een mail retour met het verzoek bondiger te zijn. Inspiratiebron is Twitter met z’n gedwongen bondigheid van 140 tekens.
Idee achter Shortmail is dat kort en bondig zijn lukt als het het moet, dus dat het niet meer nodig moet zijn om door lange e-mails te worstelen. Maar Shortmail is niet alleen korter: de makers ervan willen de gebruikers ook vrijwaren van spam en de structuur van de mail is meer ‘conversationeel’ en ‘sociaal’ – zo zeggen de bedenkers ervan (en zie ook hier).
Ik weet niet precies wat ik me daarbij voor moet stellen, en ik ga het ook niet uitproberen, omdat er nou eenmaal boodschappen zijn waarbij echt iets verloren gaat als je ze tot 500 tekens moet beperken. Tenzij je e-mail-bericht alleen een verwijzing bevat naar een langere tekst, bijvoorbeeld op een blog – zoals je op Twitter ook veel ziet. Maar dat schiet ook niet echt op, daar wordt het niet echt korter van. Ik houd gewoon niet van strenge lengte-beperkingen op tekst (al vind ik twitteren best geinig). Ik heb al heel vaak gezegd op trainingen: als Einstein de relativiteitstheorie op 1 A4’tje had uitgelegd, had niemand het begrepen. Laat staan in 500 of 140 tekens.
Maar wat ik wel heel mooi vind aan Shortmail is wat de bedenkers ervan zeggen (bron):
Limiting messages to 500 characters puts the burden of conciseness onto senders. Blaise Pascal famously said, “If I had more time I would write a shorter letter.” With unstructured email, we leave ourselves open to those who would take our time. With Shortmail, all messages must be concise.
Dat vind ik een belangrijk en nog veel te weinig gehoord inzicht: goed (niet noodzakelijk kort) schrijven is serviceverlening aan de lezer. De burden die de schrijver op zich neemt, maakt het de lezer makkelijker. Ongestructureerde rommel over de muur gooien is net zoiets als zeggen: ‘hier, zoek het maar uit, ik heb daar geen zin in’. Wil je zo met je lezer omgaan?
Máár ik blijf erbij: ook lange teksten kunnen goed gestructureerd zijn. Ik ben blij dat mijn krant niet beperkt is tot 500 tekens bijvoorbeeld. Of een goed boek. Of deze blogpost. De drang tot kort mag niet doorslaan.
En tot slot… (nog 1 keer over Buitenkunst)
Aan het eind van een week nog één keer over Buitenkunst, dan houd ik erover op. Waarom zo veel over een week schrijven voor theater op een weblog over zakelijk schrijven? Voor mij bestaat het raakvlak tussen zo’n week en m’n ‘gewone’ werk uit drie delen:
1. Door op zo’n heel andere manier te schrijven breid ik mijn ‘gereedschapskist’ uit. En goed schrijven bestaat uit het hanteren van een uitgebreide gereedschapskist: voor elk publiek, elk doel, elke situatie het juiste gereedschap gebruiken. In die zin is een goede schrijfcursus altijd nuttig voor me.
2. Ik vind schrijven gewoon leuk – en ook dat is nuttig, want ik vind het belangrijk dat ik als trainer enthousiast ben over wat ik zelf train. Zo’n week Buitenkunst doet me weer realiseren wat er leuk is aan schrijven, zoals het spelen met taal en het ontdekken van inhoud. Bij adviesrapporten liggen de accenten misschien anders, maar toch is het ook weer niet iets compleet anders.
3. Het ‘kijkje in de keuken’ van andere schrijftrainers en -docenten is ook de moeite waard. Mits het een goede aanpak is, en op dat punt is mijn ervaring bij Buitenkunst nog alleen maar positief geweest. Dit keer leerde ik onder andere hoe nuttig het is om de feedback in de training te moeten verwerken. Als daar ruimte voor is, ga ik dat in mijn trainingen ook vaker doen.
Kortom: in zo’n week in de zomer doe ik inspiratie op. En op dit blog heb ik daar de afgelopen week in gedeeld. Vanaf volgende week is het weer ‘business as usual’!
Buitenkunst-teksten 5
Tot slot nog drie korte teksten van vorige week. De eerste schreef ik bij gastdocente Tjitske Jansen, toen we werkten vanuit een mooie herinnering, en in een vrije vorm. De thematiek sluit losjes aan bij mijn meest recente Tekstblad-column, en het is voor mij een jaarlijkse ervaring:
De marathon
Hmm, het is toch langer fietsen dan ik had verwacht. En overal staan mensen, op sommige plekken rijen dik. Daar zie ik gelukkig nog een plekje aan het dranghek, pal vooraan en niet te dicht bij de fanfare. Snel zet ik mijn fiets weg en stel ik me strategisch op.
“Weet u op hoe veel kilometer we hier precies zitten?” vraag ik aan de vrouw naast me aan het hek. “Net voorbij de 30,” zegt ze. Ik sla aan het rekenen. Hij dacht aan 3 uur 15, het is nu kwart over één, dus dan zou ik, uh… – ja, net op tijd zijn hier, maar dan moet hij wel snel komen nu.
“Ik sta hier voor mijn man,” zegt ze. “Ik ook,” zeg ik, en dus niet voor een praatje. Ik tuur gespannen naar de lopers. Nog niet, nog niet, nog niet, ik heb hem toch niet gemist? Potverdorie, dat zou balen zijn – maar dan gaat hij wel ontzettend goed.
Is dat hem? Nee, die heeft iets groens aan, dat kan niet kloppen.
In de verte, daaro? Nee, weer niet – hè. Hij moet nu echt wel heel snel komen, anders is-ie ingestort.
Daar is-ie, daar is-ie, daar komt-ie! Oh, wat ziet het er nog goed uit! Natúúrlijk herken ik hem van verre, altijd toch, er is geen ander zoals hij.
“Gaat goed Henk!” roep ik als hij voorbij komt. Ja, hij hoort het, er kan zelfs nog een klein zwaaitje af.
“Dat was de mijne,” zeg ik tegen de buurvrouw. Dan draai ik me om en loop terug naar mijn fiets. Als ik opschiet, kan ik hem bij 35 nog een keertje zien passeren.
De andere twee schreef ik een keer tussendoor. Dan was ik zo af en toe op zoek naar woorden om uit te leggen wat ik mooi vind aan de Flevopolder, en waarom ik het elk jaar zo’n kick vind om erdoorheen te fietsen, op weg naar Buitenkunst – iets wat lang niet iedereen begrijpt, maar ik denk ook dat je er echt voor moet fietsen, in de auto zie je het niet. In ieder geval, hier zijn twee pogingen, de eerste op de fiets, de ander niet:
1
Groen
In alle tinten en vormen
En dat voor heel lang
En naar alle kanten
Met daarin één richting:
De kant die ik opga
Dat is ruimte.
2
Jij was ooit de bodem van de zee
Had je dit toen durven dromen?
Uit jou komt al dit groen
In jou ligt een greppel
Over die greppel ligt een brug
En op die brug zit ik.
Ik heb wel vaker gemerkt dat als ik me een tijdje intensief met ‘slijpen’ aan mijn taal bezig houd, als het dus ook mooi moet klinken en ik daar de tijd voor neem, er als vanzelf iets meer poëtisch uitkomt. Terwijl ik van mezelf denk dat ik niks heb met poëzie schrijven… Volgend jaar bij Buitenkunst daar maar eens iets mee doen?
Klaas (Buitenkunst-teksten 4) (doet ’t nu!)
Gisteren schreef ik erover dat ik schrijvend ontdekte waar de ’troefkaart’ eigenlijk over ging. Dat soort ontdekkingen fascineren me: het voelt alsof het verhaal er ‘al is’, en dat ik als schrijver het alleen maar hoef te ontdekken. Zo is het natuurlijk niet echt, of althans, ik geloof daar niet in: alles komt voort uit mijn eigen verbeelding, en ineens gaat daarin een nieuw deurtje open ofzoiets. Hoe dan ook: ik vind het één van de mooiste ervaringen tijdens het schrijven.
Het sterkst had ik deze ervaring vorige week woensdag. We hadden toen eerst allemaal een personage bedacht. Ik had Klaas handen en voeten gegeven, maar pas toen ik ging schrijven ‘ontdekte’ ik een heel belangrijke eigenschap van hem. Dat kwam mede door het contact met één van de andere personages, want dat was de opdracht: alle personages hadden ‘iets’ met een plein, en op dat plein speelde van ieder van ons een kort verhaal zich af. Die korte verhalen hebben we ingesproken en de andere Buitenkunst-deelnemers konden op donderdagavond naar ons ‘luistercafé’ komen om ze af te luisteren.
Vandaar dit keer een luisterverhaal. Maak kennis met Klaas.
We hadden bij deze opdracht een begrenzing aan de lengte opgekregen van 500 woorden in de eerste versie; de tweede mocht dan iets langer zijn. Voor mij is dat niet zo’n probleem, omdat mijn columns allemaal 500 woorden of minder zijn: ik ben gewend aan die lengte. Mijn eerste versie was zelfs maar 400 woorden en op basis van de feedback van docente Jannemieke heb ik er elementen aan toegevoegd die het meer een ‘filmpje’ maken, zodat je de mensen en de scene beter voor je ziet. Dat was leerzaam – en leuk!
[ Edit 12 augustus: ‘Klaas’ deed het eerst niet, maar nu wel! ]
Ruzie (Buitenkunst-teksten 3)
Gister had ik het erover dat er in het theater conflict moet zijn. Op dinsdag tijdens mijn Buitenkunst-week hebben we dat helemaal gethematiseerd door een ruzie te schrijven. Bovendien werkten we die dag met een heuse enscenering, iets wat vanwege de focus op schrijven verder amper aan de orde kwam.
De scene was als volgt: je zit op een mooie zomerse dag in de tuin. Achter de schutting ontspint zich een ruzie tussen de buren… We schreven dus de tekst voor die ruzie, en twee daarvan, waaronder de mijne, zijn ’s avonds inderdaad uitgevoerd, compleet met en schutting op het toneel. Ikzelf las de vrouwenstem, van achter de schutting dus: ik stond op het toneel, maar kon het publiek niet zien en omgekeerd. Bovendien kon ik ook niet zien wat de groepsgenoot vóór de schutting deed. Die had als enige een meer acterende rol, maar hij acteerde minimaal – en schijnt dat erg goed gedaan te hebben!
Hier is mijn tekst; het gaat om een man en een vrouw. In eerste instantie had ik hem tot aan de lange stilte geschreven; de laatste zin is nogal groepswerk geweest.
M: Jij nog thee?
V: …
M: Oehoe
V: …
M (hard): Hé!
V: Huh?
M: Waar ben jij nou mee bezig?
V: Gewoon, ik zit hier te lezen.
M: Gewoon, noem je dat gewoon, met oordoppen in je oren in de tuin zitten.
V: Lekker rustig hoor.
M: Stel je niet zo aan.
V: Aanstellen? Ik?
M: Ja, dat slaat toch nergens op.
V: Waar maak je je druk om, dat maakt toch niet uit, daar heb jij toch geen last van, als ik hier met oordoppen zit?
M: Nou, ik begrijp echt de boodschap wel, hoor.
V: Boodschap? Wat bedoel je daar nou weer mee?
M: Mevrouw vindt weer dat ik de muziek te hard heb staan. Ze gunt me dat lolletje niet eens.
V: Stel je niet zo aan. Ik doe juist die oordoppen in zodat jij ongestoord kun luisteren. En nou maak jij daar een probleem van. Ik snap echt niet waar dat over gaat.
M: Zo hard stond m’n muziek helemaal niet.
V: Onee? Nou, ga de buren maar vragen! Maar dat kan je niet schelen natuurlijk, hè, dat iedereen mag meegenieten van jouw ‘lolletje’. Mag meegenieten? Móet meegenieten. Meneer draait een muziekje en daar mag n-i-e-m-a-n-d aankomen.
M: Nou, dan ga ik wel, dan hoef je het nooit meer aan te horen.
V: Jaja, dat kun je wel, hè, als het moeilijk wordt: ervandoor gaan. Net als toen.
M: Oh, nee, daar gaan we weer. Ik dacht laatst al: wanneer krijg ik dat weer eens voor mijn voeten. Ik heb hem al een tijdje niet gehoord. Maar verdwijnen doet het nooit.
V: Verdwijnen doet het zeker nooit. Voor jou misschien, maar voor mij niet.
M: Oh ja, want voor een vrouw is dat véél erger natuurlijk, daar kan ik me natúúrlijk niets bij voorstellen.
V: Jij kon weglopen, ik niet.
M: Nee, en hoe ik het ook wend of keer, nóóit zal het voor mij hetzelfde zijn. Het was jouw buik, jouw pijn, jouw falen. Maar het was ook mijn kind, hoor je dat?!
[ 30” stilte ]
V: Toen op die dag, hè, waar was je toen eigenlijk?
Wat ik hiervan vooral geleerd heb, is het belang van het uitspelen van een ’troefkaart’, wat de vrouw hier doet door ‘net als toen’ in te zetten. Dat is de doorgang naar de diepere laag van dit conflict, waardoor het niet blijft steken in gehakketak over muziek – wat voor het publiek of de lezer niet zo interessant is. De scene die ik in eerste instantie had geschreven, was wel blijven steken.
Tijdens het nadenken over de troefkaart, ondertussen vijlend en schavend aan de tekst, beleefde ik weer één van die bijzondere schrijfmomenten, namelijk dat die diepere laag zich als het ware vanzelf aandiende, alsof hij er al was en ik hem alleen maar hoefde te ontdekken. Schrijvers zeggen daarover ook wel dat het op zo’n moment lijkt alsof het verhaal zichzelf schrijft – en dat voelt erg lekker!
Groen (Buitenkunst-teksten 2)
Eén van de leuke en leerzame dingen van vorige week was dat we steeds vanuit een ander uitgangspunten begonnen met schrijven. Bijvoorbeeld: vanuit een herinnering, vanuit improvisatie, vanuit verbeelding (‘bedenk een personage’) en vanuit zintuiglijke waarneming. Van dat laatste een voorbeeld.
Op maandag (het was toen prachtig weer) werden we na een inleidende oefening ‘weggestuurd’ om ergens op of bij het Buitenkunst-terrein precies op te schrijven wat onze zintuigen ervoeren. Je kan makkelijk schrijven ‘het is hier mooi’, maar dat heeft een lezer maar van je aan te nemen dan. De kunst is om wat je zintuigen als ‘mooi’ ervaren zo op te schrijven, dat een lezer gaat vóelen ‘het is daar mooi’, zonder dat je dat woord hoeft te gebruiken – iets wat in de schrijftheorie wel bekend staat onder het motto ‘show, don’t tell‘.
Ik ging zitten op een planken bruggetje over een greppel naast het terrein, en schreef uiteindelijk onder andere dit:
Eskimo’s hebben toch al die woorden voor sneeuw? Ik wou dat ik zo vel woorden had voor groen. Kroosgroen op 30 centimeter onder mijn bungelende voeten, grasgroen en rietgroen aan mijn rechterkant. Iets verderop brandnetelgoen en daarna lindegroen en eikgroen. Een buitenbeentje is berkgroen, dat is donkerder en harder. Links zuringgroen, klavergroen, weilandgroen, poldergroen; daarboven polderblauw met polderwitte wolkjes, voortbewogen door een polderfrisse wind. Die ik ook in mijn gezicht voel. Erin voel ik de ruimte.
Maar we waren bezig met dialogen, dus aan het eind van de dag had dit fragment de volgende metamorfose ondergaan:
A: Eskimo’s hebben toch al die woorden voor sneeuw?
B: Eskimo’s? Oh, de Inuit, ja, ga verder.
A: Nou, ik wou dat ik zo veel woorden had voor groen.
B: Groen! Wauw – daar houd ik van. Het allergroenst is het regenwoud. Toen ik laatst in Brazi…
A: Grasgroen en rietgroen, bedoel ik, zo ver als je kunt kijken. En kroosgroen in de sloot.
B: Kroosgroen – kroos is helemaal niet groen. Olijfgroen en cactusgroen, dat zijn pas
groenen! Ben je wel eens in de woestijn geweest?
A: Geef mij maar lindegroen en eikgroen langs het water.
B: Zwets niet, de baobab, díe is pas groen – maar die zul je wel niet kennen.
A: Berkgroen, dat is donkerder en harder. En zuringgroen, klavergroen, weidegroen.
B: Weidegroen. Nú kan ik je volgen. Je bedoelt de Alpen: weilandje, koetje erop, scherpe toppen, plukje sneeuw in de ver…
A: Neehee, niks Alpen, poldergroen, bedoel ik.
B: Poldergroen?
A: Ja, Poldergroen. En erboven polderblauw, met polderwitte wolkjes.
B: Wat moet je dáár nou mee?
Om mijn zoektocht naar het onder woorden brengen van wat ik mooi vind aan de Flevopolder los te laten en over te stappen op een toch wat narige dialoog, dat was even een horde. Maar uiteindelijk was ik wel tevreden, en het is gewoon zo dat een dialoog pas interessant wordt als er iets van frictie is, een conflict – het heet niet voor niets drama…
Het beste schrijfadvies dat ik ooit kreeg
Net online gegaan, in de zomerserie van Tekstblog ‘het beste schrijfadvies dat ik ooit kreeg’, dat van mij: ‘schrijf door!’, oftewel: scheid de scheppende fase van het redigeren. http://www.tekstblog.nl/schrijfadvies-louise-cornelis-scheid-creeren-en-redigeren/
Dialogen in de polder
Vorige week was ik voor de vijfde keer naar Buitenkunst – vorig jaar schreef ik er voor het eerst over op dit weblog. Dit jaar heb ik de Schrijfwerkplaats gedaan (week 451 in het programma). Die ging in het bijzonder over het schrijven voor toneel, al hebben we ook wel wat proza en poëzie gedaan. Zo’n werkplaats houdt in dat er meerdere docenten zijn (in ons geval twee, Jannemieke Caspers en David Mulder, en op één dag was er een gastdocente, Tjitske Jansen) en dat je elke dag een keuze kan maken uit hun aanbod. Een afwisselend programma dus, waarbij je in één dag tot een resultaat komt (of niet).
Net als vorig jaar vond ik het geweldig! Buitenkunst hééft iets, waardoor het me elk jaar weer weet te inspireren. Dat zit hem ook in het kamperen (gelukkig was het een paar dagen echt mooi weer!), de groende wijdsheid van de Flevopolder, de gesprekken met goede vriendin Beatrijs met wie ik de laatste jaren steeds samen daar ben, het contact met de andere deelnemers en het ervaren van hun uitvoeringen, die ik dit jaar van opvallend hoog niveau vond.
Ik heb vooral genoten van het toneel van de deelnemers aan de workshop over de kracht van taal, vast niet toevallig. Zij werkten de hele week met beroemde speeches, variërend van de Bijbel tot Obama en van Hitler tot Koningin Wilhelmina, en deden daar bijzondere dingen mee. Door de uitvoering in de regen (we stonden in de blubber) van donderdagavond kan ik nooit meer op dezelfde manier ‘Yes we can’ horen.
Máár doorslaggevend was mijn eigen schrijfweek, natuurlijk. Ik was daar omdat ik me eindelijk eens wilde verdiepen in het schrijven van dialogen. En dat is gelukt, en ik vond het erg leuk om te doen. Het heeft me voldoende geïnspireerd om ‘Pijn is tijdelijk’ nog een keer te gaan herschrijven, met een nieuw perspectief (een ‘gewoner’ derde-persoons-perspectief) en dús met dialogen – iets waar ik net daarvoor over twijfelde (zie mijn laatste post voor de Buitenkunst-week).
In deze komkommertijd-week in het holst van de zomer zal ik een paar teksten laten zien (en één keer horen) op dit weblog. Om te beginnen een korte dialoog die ik vrijdag schreef. Het is er één van een drieluik, dat was de opdracht, en deze is het beste gelukt. De situatie is dat twee vriendinnen de gemeenschappelijke vrienden- en kennissenkring zitten door te nemen.
A: Zeg, wat vind jij nou eigenlijk van Peter?
B: Peter? Poe, nou, dat is een hele toestand natuurlijk.
A: Hij luistert niet, hè?
B: Nee, vind je het gek, nu.
A: Nee, echt niet. Ik ging een keer een hapje met hem eten en toen viel hij mij wel drie keer in de rede met zijn eigen verhaal.
B: Maar dat kan je je toch wel voorst…
A: Of laatst, bij Hannie, toen had ik het over jeweetwel, toen met Driekus, en naadloos ging hij door met z’n eigen verhaal, ook iets met een ziekenhuis. Toen dacht ik nog: als hij nou eens één keer zou vragen ‘en hoe is dat voor jou?’ – maar niks hoor.
B: Peters vrouw heeft kanker.
A: Maar het kwartje is wel gevallen, geloof ik, want ik hoorde… Wat, wat zei je?

