↓
 

Louise Cornelis

Tekst & Communicatie

  • Home |
  • Lezergericht schrijven |
  • Over Louise Cornelis |
  • Contact |
  • Weblog Tekst & Communicatie

Bericht navigatie

← Oudere berichten
Nieuwere berichten →

Concentratieblokjes

Louise Cornelis Geplaatst op 11 februari 2022 door LHcornelis4 februari 2022  

Met al dat thuiswerken in combinatie met coronastress kreeg ik eind vorig jaar last van concentratiegebrek. Wat ik ook op de computer aan het doen was, en dat was zo’n beetje m’n hele werk natuurlijk, de sociale media, nieuwssites en e-mail bleven trekken. Al dat geschakel tussen mijn bezigheden vrat energie en ik had vaak een ontevreden gevoel over wat ik deed met mijn tijd, want al die afleiders bevredigen meestal helemaal niet. Niks nieuws onder de zon natuurlijk: ik ben bepaald niet de enige van wie de aandacht maar al te makkelijk versnippert (zie bijvoorbeeld ook deze zeer herkenbare blogpost op Tekstnet).

Ik zat er wel mee, want ik wilde er iets in veranderen maar ik realiseerde me maar al te goed dat dat puur op wilskracht doen, gedoemd is te mislukken: ‘ik mag niet op Twitter kijken’ maakt de aantrekkingskracht alleen maar groter en geeft alleen maar meer stress. Helemaal van Twitter af was het ook niet, want ik houd mezelf al de hele pandemie mede op de been door het volgen van deskundige en kritische mensen op dat medium. Enzovoort. Dus hoe verder?

Rond de jaarwisseling las ik het nieuwe boek van Brad Stulberg: The practice of groundedness.  Eerder besprak ik hier de boeken die hij samen met Steve Magness schreef, maar dit keer is-ie de enige auteur. Hij is overigens ook een van de waardevolle Twitteraars – ik moet nog heel vaak denken hoe hij al in maart 2020 waarschuwde om de pandemie niet aan te gaan als een sprint, maar als een marathon. Maar dat terzijde.

Ik heb The practice of groundedness weer met plezier gelezen. Ik zou er een boel over kunnen schrijven maar dat gaat buiten het bereik van dit blog. In elk geval is wat ik beschrijf, dus de zuiginngskracht van de digitale afleiders, een belangrijke oorzaak voor het door zo veel mensen ervaren gebrek aan die ‘groundedness’. Er gaat een heel hoofdstuk over. Dat heet ‘Be present so you can own your attention and energy’. 

In dat hoofdstuk stond een tip voor geconcentreerd werken die ik sinds januari met succes toepas (beetje toeval, hoor, die timing, geen goed voornemen). Het is eigenlijk supersimpel, maar ik had het zelf niet bedacht: zet een kookwekker voor een bepaald aantal minuten en werk gedurende die tijd aan één ding. Als het alarm afloopt, ‘mag’ je weer even losgaan op de afleiders. 

Voor mij werkt het heel goed. Ik begon met een half uur, zit nu op 45 minuten. Ik hoef dan dus tussentijds niet zelf te bepalen of ik op een zwak moment inderdaad naar Twitter, mail, Strava of nieuws zal kijken – nee, nu niet, maar mag straks wel. Heel gauw. Echt álles daarvan kan wel maximaal 45 minuten wachten.

Voor mij werkt het zo: geconcentreerd redigeren (bijvoorbeeld) in blokjes van 45 minuten. Met het aftel-alarm aan of met een ‘oude’ en dus korte CD als achtergrondmuziek. En dan weer een rondje langs van alles, even lopen (ook heel belangrijk) en weer door. Ik houd ‘m erin!

 

Geplaatst in Leestips, schrijftips | Geef een reactie

Twee inspirerende artikel in één nummer van TvT

Louise Cornelis Geplaatst op 7 februari 2022 door LHcornelis3 februari 2022  

Van het wetenschappelijke tijdschrift op mijn vakgebied, Tijdschrift voor Taalbeheersing, gaan eerlijk gezegd wel eens jaargangen voorbij zonder dat ik er één artikel echt van lees – meer dan de abstract, bedoel ik. En dan ineens verschijnt er een nummer zoals het derde van volume 43 (jaargang 2021). Dat bestaat uit slechts twee artikelen, maar die heb ik allebei van A tot Z gelezen en ik heb over één ervan zelfs even contact gehad met een auteur. Het abonnement is dan ineens weer de moeite waard!

Het eerste artikel (van Evi Dalmaijer, Maarten van Leeuwen en Elise van de Putte) gaat over de relatie tussen taalgebruik en welzijn, nouja, een heel specifieke vorm van welzijn: de onderzoekers hebben gekeken naar teksten die geschreven werden door jongeren met chronisch vermoeidheidssyndroon, in het kader van hun behandeling. Bij hun taalgebruik ging het vooral om de mate waarin ze zelf verantwoordelijkheid namen voor hun handelingen. Zeg je ik voor iets wat je gaat doen of al gedaan hebt, of gebruik je – bijvoorbeeld – een lijdende vorm of je? Dus dit (voorbeelden uit het artikel):

Voor mijn gevoel moeten er echt bergen verzet worden voordat ik weer gezond ben.

Voor mijn gevoel moet ik echt bergen verzetten voordat ik weer gezond ben.

Je bent je er op het moment dat je daaraan denkt niet zo van bewust

Vooral ook vanwege die relatie met de lijdende vorm vind ik dit een interessante invalshoek voor onderzoek. Ik heb zelf ook al wel eens gespeculeerd over de relatie tussen het gebruik van passieven en je psychische gesteldheid. Wel heb ik met één van de auteurs nog even een stevig nootje gekraakt over hun analyse van een passief, maar dat ga ik hier niet helemaal uit de doeken doen, dat is echt taalkundig geneuzel en het doet niet af aan de conclusie.

Want die luidt dat er een verschil te zien is in het gebruik van ‘onpersoonlijke’ formuleringen in de loop van de behandeling, en dan vooral bij de groep die daadwerkelijk herstelt. Die groep formuleert vanaf het begin al net wat anders – over of dat betekenisvol is, kunnen de onderzoekers alleen maar speculeren. Maar er is dus inderdaad een relatie tussen herstel en de mate waarin de persoon in de taal zichzelf handelingen toeschrijft.

Fascinerend. De uitkomst verbaast me niet, maar ik vind het wel fraai onderzocht, dus mooi zichtbaar gemaakt – dat is in ons vakgebied nog best wel moeilijk. Ik heb sinds het lezen van het artikel ook al een paar keer opvallende onpersoonlijke zinnen gehoord uit de mond van mensen met ‘problemen’ – daartoe inspireerde het.

Het tweede artikel (zes auteurs, Astrid van Winden als eerste) gaat over kenmerken van alinea’s in teksten van havo-leerlingen. Het is een vervolg op een artikel dat ik hier ook heb aangehaald, en er volgt nog iets – leuk, al die aandacht voor structuur. In dit huidige artikel gaat het erover hoe goed alinea’s van leerlingen zijn, dus de mate waarin ze voldoen aan de normen waar het vorige artikel over ging.

Die normen liggen best wel hoog. Ik keek bijvoorbeeld op van de eisen waarin alinea’s moeten voldoen, volgens de Expertgroep Doorlopende Leerlijnen. In de onderbouw moeten ze bijvoorbeeld verbindingswoorden goed gebruiken en inhoudelijk verband tussen zinnen kunnen leggen. In de bovenbouw moet de gedachtegang logisch en consequent zijn.

‘Tsjonge’, dacht ik, ‘dat zijn de dingen waar ik met ‘mijn’ schrijvende professionals ook nog steeds aan werk’. Okee, die schrijven complexere teksten dan e-mails en betogen, maar toch. Is het niet wat al te veel gevraagd van havo-leerlingen?

Het gaat inderdaad niet zo goed, als je kijkt naar de teksten van de leerlingen. Het enige wat wél echt goed gaat, is dat de teksten überhaupt alinea’s bevatten (en zelfs dat spreekt bij ‘mijn’ schrijvers niet altijd voor zich). Verder rammelen de alinea’s aan alle kanten. In 5havo gaat het wel beter dan in de 2e, maar dat geldt niet voor alle normen.

Het vervolgartikel zal daarom ingaan op de didactiek van het leren schrijven van goede alinea’s. Ben ik hartstikke benieuwd naar! Voor mijn schrijvende professionals kan ik daar vast ook nog wat van opsteken.

 

Geplaatst in Leestips, schrijftips | Geef een reactie

Ze zouden het nog steeds makkelijker kunnen maken

Louise Cornelis Geplaatst op 2 februari 2022 door LHcornelis2 februari 2022 5

De Belastingdienst heeft wel wat anders aan haar hoofd dan tekstkwaliteit, maar toch nog even een vervolg op de vorige post. Ik heb inmiddels namelijk de papieren versie met de post gekregen, inclusief het formulier om te machtigen tot die termijnbetalingen. Dat vond ik toch wel weer verwonderlijk, moet ik zeggen. Hier de scan (klik om te vergroten):

Dit keer is het zo dat als ik globaal lees, ik de indruk krijg dat ik een open-einde-machtiging afgeef: ‘..om doorlopende incasso-opdrachten te sturen… om een bedrag af te schrijven… om doorlopend een bedrag van uw rekening af te schrijven…’ Mogelijk zou ik daar tot enkele jaren geleden niets achter gezocht hebben, maar na bijvoorbeeld de toeslagenaffaire en ook bij mij afnemend vertrouwen in de instituties van de overheid zou ik toch even aarzelen om daar mijn handtekening onder te zetten.

Er staat wel iets over ‘het te betalen bedrag van de belasting waarvoor u deze machtiging verleent’, en dan neem ik aan dat ik via het aanslagnummer kan bepalen waar het precies om gaat, maar dat is wel – weer – een zoekplaatje.

Uit de aanwezigheid van die detail-informatie rechtsboven (de balkjes) kan ik afleiden dat dit niet een generiek formulier is, maar dat het wel degelijk is ‘gemerged’ met maatwerk-gegevens. Als je dat dan toch doet, doe het dan even met een paar velden meer. Zorg minstens dat er in het formulier staat wat het totaalbedrag is en tot wanneer de machtiging loopt.

En als je dan toch bezig bent met velden maken, doe dan ook even m’n naam en adres enzo, want die komen uit hetzelfde bestand. Scheelt mij een boel invulwerk. Dát is wat ik versta onder het niet leuker maar wel makkelijker maken. Het scheelt bovendien aan de kant van de Belastingdienst problemen door fouten en onleesbaar handschrift enzo.

Tot slot blijf ik met één vraag uit die vorige post zitten: wat zijn de termijnbedragen? Dus wat moet ik overmaken als niet wil machtigen, en wat gaat er bij een machtiging maandelijks afgeschreven worden? Zou toch wel netjes zijn om ook te vermelden.

 

Geplaatst in schrijftips | 5 reacties

Ooit maakten ze het makkelijker

Louise Cornelis Geplaatst op 25 januari 2022 door LHcornelis25 januari 2022 3

In de tijd dat de Belastingdienst het niet leuker, maar wel makkelijker maakte, werkten er een boel vakgenoten van me. Dat is veranderd, en dat is te merken – ik schreef daar eerder over. Vorige week kreeg ik weer eens post waarvan ik dacht: met een beetje moeite zou dit zo veel makkelijker kunnen!

Het gaat om de ‘betaalinformatie’ bij de voorlopige aanslag 2022 voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (klik erop om te vergroten):

Visuele accenten kunnen nuttig zijn om de aandacht van de lezer naar het belangrijkste te trekken, maar daarmee gaat hier iets mis: onderaan is de datum van 31 december vet. Ik ben dus geneigd om te denken: o, dat duurt nog, ik betaal het later wel. Maar die datum geldt alleen als je in termijnen betaalt. Als je het bedrag in één keer betaalt, moet het er al op 28 februari zijn. Daarvoor moet je beter lezen, en ik vind ‘het geld’ in de slotzin dan ook niet helder genoeg omschreven.

Ik ben hier zelf een paar jaar geleden ingestonken, ik vraag me af hoe veel vaker dat gebeurt. De Belastingdienst kan maar beter niet de bereidwilligheid van lezers voor het lezen van kleine lettertjes overschatten.

Maar er is meer gek. Betalen in termijnen is ‘de standaard’ en ‘heeft de voorkeur’. Maar hoezo krijg je dan betalingskorting als je in één keer betaalt? Wat willen ze nou? Dubbele boodschap!

Dat van ‘de standaard’ blijft onbegrijpelijk, maar ik denk dat dat dat ‘heeft de voorkeur’ een formuleringsprobleem is. Ik denk dat die voorkeur niet slaat op de betaling in termijnen, maar op de automatische incasso, dus dat daar eigenlijk moet staan: ‘Als u in termijnen betaalt, heeft een automatische incasso de voorkeur’. Hoezo dan, denk ik dan nog wel – voor wie? Enige argumentatie is daar wel nodig.

Wat ik dan ook nog vind ontbreken, is het termijnbedrag. Nu moet ik dus zelf het totaalbedrag door 11 gaan zitten delen kennelijk? Dat lijkt me nou echt iets waarmee ze het mij makkelijker kunnen maken. Ik kom uit op iets met 45454 achter de komma, wat moet ik daar precies mee? Als ik er een termijnbedrag met 45 cent van maak, komen ze aan het eind 5 cent te kort.

Verder vind ik het ook nog een beetje suf dat ik voor die automatische incasso moet wachten op iets wat ik per post krijg. Deze tekst haalde ik uit MijnOverheid. Hoezo via twee kanalen? Doe het ofwel helemaal op papier, ofwel helemaal digitaal. Dat dubbele van de Belastingdienst valt me vaker op, ik zie daar een besparingskans voor henzelf maar ook voor de moeite die ondernemers moeten doen. Ik heb de papieren post nog niet, er zit wel vaker heel lang tussen de beide kanalen. Misschien wordt dat met die afronding daarin duidelijker?

De betalingskorting van € 1 is een bespottelijk bedrag natuurlijk, dat is recentelijk veranderd, ik had er al eerder mee te maken. Daar hoef je het niet voor te doen. Puur omwille van het gemak (er in één keer van af) en omdat spaargeld toch niks oplevert op het moment, betaal ik wel degelijk in één keer. Dat is niet de ‘standaard’, maar soit. Als zij het in termijnen willen, zullen ze het beter moeten beargumenteren.

 

Geplaatst in schrijftips | 3 reacties

Over lezen en schrijven en een gemis

Louise Cornelis Geplaatst op 17 januari 2022 door LHcornelis17 januari 2022  

Deze maand ervaar ik het gemis aan vakinhoudelijke bijeenkomsten meer dan anders. Ik zou eigenlijk morgen of overmorgen naar Gent vertrekken om het VIOT-congres bij te wonen. Ik miste de vorige editie ook al, toen om leuke redenen (lange reis), de editie van 2021 werd (hoopvol) een jaar uitgesteld, zodoende is het ineens 7 jaar geleden. Er is donderdag een mini-versie online, maar die vind ik inhoudelijk niet heel aantrekkelijk en bovendien kan online nooit de wandelgangen vervangen. Laat staan het tripje naar zo’n fraaie stad.

Bovendien is rond deze tijd  ook altijd de NACV-expertmeeting, twee jaar geleden nog. Als ik mijn eigen verslag van toen teruglees, krijg ik een knoop in mijn maag: wat lijkt dat lang geleden, en wat was dat leuk (en wat had ik toen nog geen flauw idee van wat ons boven het hoofd hing).

Vanuit dat gemis had ik me aangemeld voor iets wat er wél was: een bijeenkomst van het Vakdidactisch Netwerk Nederlands Utrecht over lezen en schrijven. Ik was daar enerzijds een beetje vreemde eend in de bijt wánt geen leraar, maar aan de andere kant: ik deed ooit wél de lerarenopleiding in Utrecht, en ik houd me zeer zeker bezig met de didactiek van schrijven.

Bij die didactiek van schrijven aan ‘mijn’ professionals wil ik graag de kloof tussen lezen en schrijven verkleinen. Ik bedoel: als je lezers in organisaties vraagt hoe ze hun teksten willen hebben, komt daar een beeld uit van een tekst die ze als schrijver niet willen of kunnen maken. Als schrijver vinden ze bijvoorbeeld dat ze volledig moeten zijn en dat hun lezer alles moet lezen. Als lezer willen ze korte teksten die ze makkelijk kunnen scannen. Die kloof in hun eigen hoofden, die zou ik graag willen dichten. Ik was benieuwd of die bijeenkomst daar inspiratie voor bood, vooral dan de workshop ‘Hoe combineer je lezen en schrijven?’ van Jacqueline Evers-Vermeul (die ik nog ken uit mijn tijd in de wetenschap en met wie ik ongetwijfeld anders in Gent een praatje had gemaakt).

Die inspiratie kreeg ik zeker. Bij de plenaire sessie kreeg ik wat globale ideeën voor schrijfonderwijs (zichtbare timer gebruiken om een ‘snelkookpan’ te creëren, divergeren en convergeren in het schrijfproces expliciet benoemen) en ik vond het leuk om daarin te horen dat aandacht voor creatief schrijven ook leidde tot betere zakelijke teksten, in elk geval bij een aantal leerlingen.

In de sessie van Jacqueline ging het om een paar dingen die in mijn soort trainingen niet mogelijk zijn, zoals integratie van schrijf- en literatuuronderwijs, maar ik ben Neerlandicus genoeg om dat dan toch leuk te vinden. Ik zat af en toe te denken: goh, wat had ik dat als leerling graag willen doen! Daarbij waren twee dingen wel van toepassing:

  • ‘Feed forward’: door good en bad practice van teksten met elkaar te vergelijken kunnen trainingsdeelnemers inzicht in tekst- en genrekenmerken krijgen. Je kunt bijvoorbeeld een gezamenlijk beoordelingsformulier voor teksten ontwikkelen. Ik doe dat soort dingen wel, maar dan vluchtig en terloops. Als ik mijn deelnemers meer eerst als lezer benader, in plaats van meteen als schrijver, bevorder ik mogelijk de transfer van leeservaring naar schrijfhandeling. Ik was dat al iets meer aan het doen de laatste tijd, maar het kan nadrukkelijker. Ga ik mee experimenteren!
  • Observerend leren. Iemand zien schrijven dus. Doe ik bij oefeningen al met het verwerken van feedback via het gedeelde scherm, maar dat is herschrijven. Ik ga ook eens experimenteren met schrijven vanaf het begin. Ik heb dat lang geleden eens zelf gedaan, herinner ik me, op flap voor de groep en dat werkte toen erg goed, maar het maakt geen vast onderdeel uit van mijn aanpak. Bovendien hoef ik het niet alleen zelf te doen natuurlijk.

Het was maar kort, het was online, het kan VIOT-congres en NACV-meeting niet vervangen of compenseren – maar het was wel de moeite waard!

 

Geplaatst in schrijftips | Geef een reactie

Egocentrisme in de taal

Louise Cornelis Geplaatst op 3 januari 2022 door LHcornelis3 januari 2022  

Ik heb op dit weblog nog nooit het verhaal verteld dat ik wel regelmatig aan anderen vertel over de ‘bijvangst’ van mijn proefschrift. Daarmee bedoel ik: het gaat over iets wat niet centraal stond in mijn eigen onderzoek, maar wat me wel fascineerde – en dat doet het nog steeds: egocentrisme in onze taal, wat wij vanzelfsprekend vinden, maar wat het niet is.

Het begon zo: ik kwam er al gauw achter dat er iets aan de hand was met de lijdende vorm en ‘ik’. Mensen gebruiken bijvoorbeeld een lijdende vorm om ‘ik’ zeggen te vermijden – denk maar aan wetenschappelijke teksten. Als er staat ‘er werd geconcludeerd’, dan is dat gedaan door de ik van de schrijver. En dat is gek eigenlijk, want zo praten we niet over onszelf. Als je bent wezen hardlopen, zeg je niet ‘er werd hardgelopen’, maar ‘ik heb hardgelopen’. Ik is niet voor niets een van de meest frequente woorden in onze taal.

Over jezelf praten als handelende persoon in een lijdende zin, expliciet (‘door mij’) of impliciet, is gek, het is niet de standaard manier. Over onszelf praten we het liefst als ‘ik’. En dan niet zomaar ‘ik’, maar de ‘ik’ als veroorzaker van processen en van acties die tot verandering leiden. Zo leren we namelijk de wereld begrijpen: als kind duw je tegen een stapel blokken en die valt als gevolg daarvan om: ‘ik duw de blokken om’. Via onszelf geldt datzelfde voor andere mensen. Als je een samenspel hebt van een man en een computer en eerst gebeurt er niks en daarna wel, dan is dat standaard ‘hij zette de computer aan’. Enzovoort.

‘Ik’ is ook de centrale waarnemer, ons perspectief op de wereld. Dat realiseerde ik me tijdens het spannendste college taalkunde dat ik ooit volgde. Het was op de summer school in cognitieve taalkunde in Albuquerque in 1995, sowieso het hoogtepunt van mijn promotietijd. Ik volgde college bij Scott Delancey, aan wiens werk ik al veel had gehad. Anders dan ik in Nederland gewend was, daagde Delancey ons uit om kritisch mee te denken, hem uit te dagen, tegenvoorbeelden te verzinnen, enzovoort (de Amerikaanse academische cultuur vond ik veel prettiger dan de Nederlandse, ik heb overwogen te emigreren, maar dat terzijde). Op een gegeven ogenblik zei Delancey iets over hoe frequent de eerste persoon is in de taal, maar dat dat natuurlijk wel van context, genre en onderwerp afhing, en dat in zoiets als waar hij mee bezig was, een wetenschappelijk verhandeling over taal, ik veel minder frequent was dan in huis-tuin-en-keuken-gesprekken. Ik dacht: ‘dat wil ik nog wel eens zien’ en ik heb toen iets van tien minuten lang de I’s van Delancey zelf zitten tellen. Het waren er nog steeds een heleboel, want standaard begonnen zijn zinnen vanuit zijn eigen perspectief: ‘I think that…’, ‘I see it this way…’, ‘I would argue against that’ of ook wel ‘As I have read…’ en ‘As I just said…’. Na die tien minuten stak ik dus mijn vinger op en dat leidde tot een leuke discussie waarin hij inderdaad zijn beeld bijstelde. Het is overigens bepaald geen eigenaardigheid van Delancey, hoor, zo werkt dat bij ons allemaal.

Eén van de dingen die lijdende zinnen kunnen doen, is dat beeld van de ik of in elk geval een mens als centrale veroorzaker en perspectiefnemer nuanceren. ‘De bliksem trof hem’ is raar – alsof de bliksem dat, net als een mens, bewust doet. ‘Hij werd door de bliksem getroffen’ voorkomt die personificatie (dat is overigens een voorbeeld uit een artikel van Delancey). ‘De auto reed een kind aan’ is een beschuldiging van de auto (??); ‘Er werd een kind aangereden’ niet.

De lijdende vorm betekent dus iets als: ‘er vindt hier een verandering plaats van de ene toestand in de andere, maar de veroorzaker daarvan is niet zoals ik’. De lijdende vorm is daarmee een soort ‘escape’ van de gewone manier van voorstellen, waarin de mens en meestal de ‘ik’ wél centraal staat. Niet voor niets zijn lijdende zinnen in de minderheid en is een overdaad ervan in teksten hinderlijk. We hebben mensen nodig als identificatiefiguren.

Onze taal is dus doordesemd van ons egocentrisme. Het fascinerende is nu dat er talen zijn waarin dat anders is. Er zijn talen (ergatieve talen van de Fillippijnen, als ik me goed herinner) waarin processen en veranderingen kunnen plaatsvinden zonder zo’n duidelijke veroorzaker. Wij hebben daar ook wel een paar mogelijkheden toe, maar die zijn zeldzaam: ‘de fiets rijdt lekker’, ‘de schoen past’. Ik heb wel eens gehoord dat als westerlingen die talen leren, ze moeite hebben met die constructies en de neiging hebben toch weer ‘ik’ erin te proppen, en dan klinken we in de oren van de moedertaalsprekers nogal op-de-borst-trommelend.

Helemaal fascinerend vind ik de prioriteit in aboriginal talen om richting en positie absoluut te geven in plaats van gerelateerd aan je eigen lichaam. Want dat is ook een voorbeeld van ‘ik centraal’: we hebben het over links en rechts, en dat is gerelateerd aan ons eigen standpunt en ons eigen lichaam. Aboriginals hebben het bijvoorbeeld over hun noorder- en zuiderschouder. Als kinderen er tekenen, doen ze dat niet met het frontale aanzicht, dus vanuit jezelf, dat wij doen, maar vanuit vogelperspectief: van bovenaf. Ik schreef daar eerder over. Hier zitten twee mensen bij een watertje achter een windscherm: 

Dat is niet aangeleerd, daar hebben ze geen drones of helikopters voor nodig – voor aboriginals is dit het vanzelfsprekende perspectief.

De vraag die zich opdringt, is: in hoeverre zijn de sprekers van die talen ook echt minder egocentrisch? Voor zover ik begrepen heb, kun je dat niet concluderen, al is het alleen maar omdat je dat niet taal-onafhankelijk kunt onderzoeken. Ik vind het wel een intrigerende vraag. En wat als die talen dominant waren geworden, en niet het Engels?

Ik kan ook niet anders dan mezelf centraal stellen in mijn taal. Maar weten dat het anders kan helpt me wel mijn eigen wereldbeeld te relativeren. Zoals ik ben, praat en denk, is niet vanzelfsprekend of universeel.

 

Geplaatst in Opvallend | Geef een reactie

Over communicatie heb je geen controle

Louise Cornelis Geplaatst op 30 december 2021 door LHcornelis30 december 2021  

Mij valt de laatste tijd in de corona-communicatie op dat een uiting door verschillende mensen totaal verschillend begrepen kan worden. Het is op dit moment actueel door de uitspraken van Diederik Gommers over het virus als ‘peanuts’. Ik denk dat hij daar een gevoel dat leeft onder jongeren goed onder woorden bracht, maar zijn woorden kunnen ook anders geïnterpreteerd worden, zeker als ze, zoals gebeurde, zonder context gebracht worden. Ik begrijp wat hij zegt als vrije indirect rede. Zulke vormen zijn wel vaker tricky, ik herinner me onder andere de affaire rond de vermeende homohaat en anti-semitisme in Mystiek Lichaam.

Bij de meest recente persconferentie deden zich ook een paar gevallen voor van verschil in begrip. Zo benadrukte Van Dissel de grote onzekerheid in de modellen voor de verwachte ziekenhuisopnames. Ik hoor daarin: ‘dus we hebben alle redenen om voorzichtig te zijn’. Twee dagen later hoorde ik René van der Gijp bij Veronica Inside daarover iets zeggen wat meer neerkwam op: ‘ze weten het niet en ze doen dus maar een totale gok’. ‘Ze’ zijn de wetenschappers van het RIVM. Open zijn over onzekerheid ondermijnt dus bij sommige mensen het vertrouwen in de wetenschap.

Sowieso heb ik volgens mij het verhaal van Van Dissel heel anders begrepen dan veel mensen. Ook manlief en ik moesten even gniffelen om de metafoor van de persoon in de andere jas die je niet meer herkent, maar verder vond ik het een goed te volgen verhaal dat bevestigde wat ik al wist. Ik miste alleen nog een paar dingen, en ik zat me ondertussen wel af te vragen waarom zo’n verhaal niet ondersteund kan worden met visuele middelen – zei ik al eerder, het format van de persconferentie is sleets.

Naderhand las ik de vernietigende reacties over dat het allemaal veel te moeilijk was geweest en dat Van Dissel het nut van de booster onderuit had gehaald. Dat laatste, ja, zo kun je het inderdaad ook horen, want hoezo herkent die booster de jas dan weer wel? Dat is het gevaar van metaforen… Het eerste vond ik confronterend. Ik had vooral zitten luisteren als bezorgde burger Louise, niet als communicatiespecialist, en burger Louise is zeer hoogopgeleid, goed geïnformeerd en buitengewoon taalvaardig. Als het verhaal burger Louise kon behagen, is er inderdaad een grote kans dat het veel te moeilijk is. Oeps.

Ik had nog zo’n moment waarvan ik me achteraf realiseerde: oeps, elitair. In een reactie op een vraag over het draagvlak voor de nieuwe ‘lockdown’ (ik zet dat tussen aanhalingstekens want in een echte lockdown kunnen mensen niet massaal over de grens de dingen doen die ze in eigen land niet mogen en ook niet in bomvolle treinen en vliegtuigen zitten) had Rutte het over geluiden uit zijn eigen omgeving, waarin mensen zeiden, ik citeer Rutte:

Luister, we maken ons zeer grote zorgen over omikron. We zien al die berichten. Kijk vandaag gewoon op de buitenlandse websites (…)

Met die woorden wist Rutte mij voor het eerst sinds maart 2020 persoonlijk te raken. Hé, dacht ik, dit gaat over mij. Ik maakte me namelijk vooral op basis van buitenlandse berichten zeer grote zorgen. Zorgen die ik me eerder ook al had gemaakt, bijvoorbeeld over de grote oversterfte in Nederland, maar daar ging het nooit over (ook in die persconferentie weer niet – het zwijgen over de dood en de doden vind ik een van de ergste dingen van hoe de regering met corona omgaat). Zorgen die ik had bijvoorbeeld toen ik las over het restaurant in Oslo – iets wat het Nederlandse nieuws niet had gehaald, ook niet toen het aantal besmettingen opliep tot 100 van de 120.

Uit de reacties op de persconferentie op Twitter begreep ik dat deze uitspraak begrepen is als bevestiging van ‘Rutte zit in een elitaire bubbel’. En zo is het ook natuurlijk. En ik ook. Ik lees internationale dingen via de deskundigen die ik volg op Twitter en ik volg het Vlaamse nieuws, deels uit betrokkenheid bij België, deels ook omdat ik het net iets andere perspectief op Nederland en de wereld verrijkend vind. Oeps, elitair.

Wat ik leer uit deze voorbeelden is hoe moeilijk communicatie is. Je kunt een uiting weloverwogen doen, en nog kan die volstrekt verkeerd vallen. Je hebt geen controle over wat er gebeurt aan de ontvangende kant, en echte betekenis krijgen je woorden pas daar, vooral als er onderling over gepraat wordt. Daarover heb je als zender geen controle. Dat geldt sowieso, in het algemeen, dus ook voor de zakelijke teksten die in dit weblog centraal staan. Het geldt in het bijzonder in geval van precaire (want crisis) massacommunicatie. Dat kun je eigenlijk nooit voor iedereen goed doen.

Ik denk wel dat de coronacommunicatie veel beter kan dan nu, en ook dat het beter moet. Bijvoorbeeld: meer gesegmenteerd, dus meer maatwerk per doelgroep. Visueler, creatiever, interactiever. En in elk geval anders – zoals ook Christiaan Weijts bepleitte in de NRC.

Geplaatst in Uncategorized | Geef een reactie

Het tweede coronajaar: glas is halfvol/halfleeg

Louise Cornelis Geplaatst op 20 december 2021 door LHcornelis20 december 2021  

Hèhè, dacht ik vanochtend, eindelijk een dat zonder dat er van alles ‘moet’. Ik heb het druk gehad met werk, net iets te druk eigenlijk – wat ook wel blijkt uit de schrijfpauze op dit blog. De drukte zat hem voor een groot deel in acquisitie, en daar is niet zo veel over te schrijven, dus gebrek aan onderwerpen speelde ook een rol. Er zit nog wel wat in mijn hoofd, daar kom ik binnenkort wel aan toe.

Die nadruk op acquisitie betekent ook dat de drukte niet terug te zien is in mijn omzet, hopelijk wel in de toekomst. Nu er tot het einde van het jaar niet veel werk meer bijkomt, kan ik de financiële balans opmaken van dit tweede ‘coronajaar’. Dat valt me niet mee: ik heb maar een beetje meer omzet dan vorig jaar, en opnieuw fors minder dan normaal.

Ik hanteer al heel lang dezelfde streefomzet, wat enerzijds niet reëel is vanwege de inflatie, maar het anderzijds wel makkelijk maakt om te vergelijken. Die streefomzet is bovendien genoeg om van te leven en reserve voor pensioen en eventuele rampspoed van op te bouwen. In normale pre-coronajaren kwam ik er royaal bovenuit, tot wel 125 %. Vorig jaar was het zo’n 75 % en nu 90. Ter vergelijking: dat is minder dan in 2018, toen ik tot half maart Down Under fietste.

Waar ik vorig jaar blij was dat er na de initiële klap in maart, toen mijn werk bijna helemaal stilviel, een boel weer wél doorging, ben ik dit jaar wat ontevredener eigenlijk, ook omdat ik voor mijn gevoel wel hard gewerkt heb. Iets nadere inspectie leert me dat er twee simpele oorzaken zijn voor het achterblijven van mijn omzet:

  • Een opdrachtgever is weggevallen door corona. Ik gaf daar jaarlijks vier keer een door hen ontworpen training. Daarin verdiende ik lekker: het was een hele dag met de dag ervoor flink wat voorbereiding, tegen een hoog tarief, samen goed voor 12,5 % van die streefomzet. Die training stopte eerst helemaal, daarna hebben ze hem herontworpen voor online. Ik heb daarnaar gekeken en besloten hem zo niet te willen geven: ik vond het een slap aftreksel van wat ik deed, niet goed genoeg met het oog op de deelnemers, en voor mezelf niet leuk.
  • Bij een opdrachtgever heb ik contractueel een verschil in tarief tussen daar op kantoor werken en vanaf m’n eigen plek, onder andere omdat het daarbij vaak gaat om weinig uurtjes en dus relatief veel reistijd. Alles was dit jaar vanaf m’n eigen plek, ik schat dat omzetverlies op zo’n 8 % van de streefomzet. Ik kon gelukkig net opnieuw onderhandelen: dat lage tarief, daar komt wat bij.

Met deze twee dingen erbij was het een ‘okee’ jaar geweest en de rol van corona is dus duidelijk. Iets subtieler is misschien dat ik kortere interventies aanbied, wat mogelijk is door het wegvallen van reistijd bij online werken (‘uurtje naar Amsterdam’ zou ik anders niet zo gauw voorstellen) en ook wenselijk, omdat lang videobellen zwaar is.

Wat ook opvalt: er vallen altijd wel eens wat dingen weg of tegen, maar dan was er ook altijd wel weer iets nieuws of anders om dat mee op te vangen. Dat was nu niet zo. Ik deed wel nieuwe dingen, heb enkele nieuwe opdrachtgevers, maar niet genoeg om te compenseren. Meer in het algemeen is de vraag niet spectaculair, zal ik maar zeggen. Ik heb om praktische redenen nauwelijks ‘nee’ verkocht, ik herinner me maar één keer, grote klus, maar ja, ik wilde in september echt op vakantie.

Er is dus een deel van de vraag weg of moeilijker bereikbaar, mogelijk door het gebrek aan fysiek contact. Eén acquisitiemogelijkheid viel bijvoorbeeld net weg. Ik zou in januari in Gent naar het VIOT-congres gaan, het driejaarlijkse taalbeheersingscongres. Dat is altijd inhoudelijk leuk, en de vorige keer hield ik twee interessante klussen over aan gesprekken bij de koffie. Het congres is echter net geannuleerd. Jammer. Er komt iets korts online, maar dat kan nooit de koffiepraatjes vervangen. Ik mis de ‘live’ contacten met vakgenoten sowieso wel.

Ik deed gelukkig ook een boel leuk en nieuw werk, bijvoorbeeld met de e-learning. En waar ik graag meer had verdiend, snap ik ook wel dat het glas half vol is: in het algemeen zijn de zelfstandigen het meest de klos van de coronacrisis. Ik verdien nog steeds fatsoenlijk, genoeg om normaal van te leven en een stevige reserve had ik gelukkig al, al bouw ik daar dus niet aan door nu. Belangrijk ook: ik kan en wil nog steeds ‘nee’ zeggen tegen werk om inhoudelijke redenen, dat heb ik vorige week zelfs nog gedaan. 

Voor mijn gevoel heb ik wel harder gewerkt dan voor 90 %. Dat zit hem in de eenzijdigheid van het thuiswerken – ik word af en toe goed moe van het koekeloeren naar m’n eigen beeldscherm, vooral in deze verder karige wintermaanden. Ik heb vijf ‘live’ trainingen gegeven in 2021 en ik heb daar met volle teugen van genoten, merkend hoe veel energie dat me gaf. De dynamiek van zo’n groep, leergedruis horen, zelf in de weer zijn met post-its en flappen, een andere omgeving zien, reizen, de praatjes bij de koffie…. aaah! Waar ik in 2020 online werken een grote ontdekking vond, trots was op hoe snel ik dat onder de knie kreeg, en blij dat ik zo tegen de zomer mijn werk weer kon voortzetten, is dit jaar het nieuwtje ervanaf, en wegen de nadelen zwaarder.

Deze laatste twee maanden kwam er ook wat ‘gehannes’ bij: bij twee opdrachtgevers speelde er iets wat veel ruimte in mijn hoofd en soms ook tijd kostte, ik had in oktober een record aantal verzette en vervallen afspraken (toeval, denk ik) en dus weinig grip op mijn agenda, en de corona-situatie viel me zwaar. Het is een van de lastige dingen van al dat thuiswerken: dat ik altijd maar achter die computer zit waar ook heel veel nieuws, informatie en meningen te vinden zijn. Ik wil goed geïnformeerd zijn, maar het valt me soms lastig om me niet in die informatiezucht te verliezen. Ook dat is al 21 maanden lang moeilijker dan normaal.

‘Normaal’, schrijf ik, maar wat is nog normaal? Mogelijk moeten we voor lange tijd wennen aan leven met grote beperkingen, zeker in de winters. Het went ook wel, vind ik: de gister ingetreden lockdown doet me weinig, op werkgebied al helemaal niet. Op die vijf keer na loopt mijn werklockdown al 21 maanden immers. Sinds vorig jaar weet ik: ik kom de winter wel door, ook met een lockdown. Ik schreef er vorig jaar al over: met een grote zelfzorg-discipline gaat het me eigenlijk gewoon goed.

Nu ik het een paar weken lang minder druk heb, ga ik me daarom bezinnen op een volgende stap met het online werken: hoe kan dat nog beter en leuker, voor mijzelf en mijn trainingsdeelnemers? Mooie vraag voor het nieuwe jaar.

 

Geplaatst in Geen rubriek | Geef een reactie

Stijlfouten zijn het probleem niet

Louise Cornelis Geplaatst op 1 december 2021 door LHcornelis1 december 2021  

Ik merk het soms aan trainingsdeelnemers: als het gaat over ‘goed schrijven’ ligt de focus erg op het vermijden van fouten. Als je maar correct Nederlands schrijft. Dus geen spelfouten maakt, geen geen grammaticale blunders begaat, niet uitglijdt in je stijl.

Nou is er voor correct spellen nog wel wat te zeggen, maar voor wat betreft formuleringen is zo’n normatieve benadering erg beperkt. Ik leg al jarenlang vaak uit dat het bij stijl niet zozeer gaat om goed/fout, maar om wat wel en niet functioneel is gegeven context, genre, lezer, doel, schrijver, enzovoort.

Meer recentelijk is daarbij gekomen dat je een heleboel moetens en magniets kunt ondervangen als je snap hoe the curse of knowledge werkt bij schrijven. Vage verwijzingen, abstracties, ontbreken van signaalwoorden, gedachtesprongen, gekke woordvolgordes – allemaal symptomen van schrijven door iemand die van alles in z’n hoofd heeft, maar dat niet op papier zet.

Sinds deze week kan ik er nog wat bij uitleggen. Die stijlfouten, die zijn het probleem helemaal niet. Het onderwijs heeft daar onterecht veel aandacht voor. In een recent artikel in The journal of writing research laten Jimmy van Rijt, Brenda van den Broek en Huub van den Bergh namelijk zien dat:

  • De stijlfouten die in het onderwijs centraal staan, dus waarop gehamerd wordt van ‘magniet’, niet vaak voorkomen in de teksten van scholieren. Het gaat dan om ‘fouten’ als pleonasme, tautologie, contaminatie, vage verwijzingen, losstaande zinsgedeeltes en de dat-als-constructie. Een pleonasme bijvoorbeeld (‘iedereen heeft recht op zijn eigen privacy’) werd 9 keer aangetroffen in de 125 betogen die scholieren schreven. Moet je daar een boel schrijfonderwijs op richten dan? Nee, dat is overdreven. Het is ook niet zo dat het onderwijs die fouten juist voorkomt, zo betogen de auteurs: conceptueel simpelere fouten komen juist wel in de teksten voor. 
  • De aanwezigheid van die stijlfouten niet samenhangt met de kwaliteit van de teksten. Daarom pleiten de auteurs ervoor minder de nadruk te leggen op de normatieve behandeling van stijl, en meer gevoelig te maken voor stijl in het grotere geheel – die gevoeligheid voor context, genre, lezer, enzovoort van hierboven. Retorisch stijlonderwijs, zo noemen ze dat.

Wat wel vaak fout gaat, zijn dus juist die conceptueel simpelere schrijfzaken: 

  • interpunctie: foutief gebruik en ontbreken van komma’s, puntkomma’s en vraagtekens
  • woordkeuze: te informele of spreektalige woorden, gewoon foute woorden, onterechte bepaalde lidwoorden en verkeerde voorzetsels.

Die twee categorieën komen samen twee keer zo vaak voor in de teksten van de scholieren als de traditionele stijlfouten. Maar daar gaat het in het onderwijs juist veel minder over. En dat terwijl het juist heel basale dingen zijn. De auteurs betogen dat het onderwijs meer aandacht zou moeten besteden aan die basis.

Ik las het artikel met veel instemming. Ik herken wat er gebeurt bij zakelijke schrijvers. Er is daar vaak zo ingeramd dat ze bepaalde ‘foute’ woorden of constructies moeten vermijden dat hun hele schrijfaandacht daarnaartoe gaat, en dat ze het zicht op het grotere geheel verliezen. Als er maar geen foute als of een keer te veel zullen of worden in hun tekst staat. Die te normatieve houding zie ik daar ook. Ook ik heb de ervaring dat het hun lezers daar helemaal niet om gaat.

En ook ik zie in teksten soms heel basale dingen misgaan. De meeste zakelijke lezers zijn echter zelfs voor een onterecht bepaald lidwoord of een te informeel woord vergevingsgezind. De meeste. Voor de anderen kun je je basis maar beter op orde hebben – en ja, dat hoor je op school te leren.

 

Geplaatst in schrijftips | Geef een reactie

Over twee online afscheiden – en HB achterop

Louise Cornelis Geplaatst op 24 november 2021 door LHcornelis24 november 2021  

De afgelopen weken namen twee Leidse hoogleraren afscheid die voor mij belangrijk zijn geweest: op 11 oktober Arie Verhagen, in Utrecht mijn co-promotor en dagelijks begeleider van mijn proefschrift, en afgelopen maandag Ton van Haaften, mijn opdrachtgever of leidinggevende (afhankelijk van de vorm van de werkrelatie) bij het werk dat ik deed als invaldocent bij Taalbeheersing.

Eigenlijk was hun afscheid al eerder, maar de ceremonieën waren uitgesteld vanwege corona. Nu gingen ze door, maar opnieuw onder bijzondere omstandigheden natuurlijk. Ik was bij allebei ‘live’ welkom, maar ik heb ervoor gekozen om beide afscheidscolleges online te volgen. Ik ben weer voorzichtig namelijk. Recepties zie ik niet zo zitten, zelfs niet zittend (maandag), en dan is de meerwaarde van er ‘live’ bij zijn beperkt. Dan bespaar ik me graag ook de treinreis – hoe jammer ik het ook vond (best wel dilemma’s, dit soort dingen ten tijde van dreigende code zwart).

Ik ben dus blij met de online mogelijkheid, maar behelpen was het wel. Leiden biedt een livestream op een klein scherm, dat ook nog eens voor het overgrote deel is gereserveerd voor de eventuele Powerpoint. Voor de spreker is een klein hoekje gereserveerd – jammer, want zo’n afscheidscollege draait om de persoon. Als dat aan te passen was geweest, dan was voor mij onduidelijk hoe.

Hier is een screenshot van de livestream van Ton afgelopen maandag, toen er geen slide te zien was, op ware grootte:

Kijken is dan een aardige krachttoer, vind ik.

Daar kwam nog bij dat bij Ton het geluid zacht was, bij Arie het geluid tijdens de filmpjes niet te horen, en dat het mij en anderen maandag een fikse inspanning heeft gekost om de livestream überhaupt te kunnen zien – daar ging iets technisch mis. Ik was na 10 minuten prutsen en de helpdesk bellen eindelijk binnen. Je zou toch hopen dat ze op de universiteit na 20 maanden coronacrisis dit iets beter voor elkaar zouden hebben.

Wat ik ook graag zou willen is enige vorm van interactie. Want het is onbevredigend om bij een afscheid te zijn zonder iets terug te kunnen doen, zelfs zonder dat de afscheidnemer weet dat je er bij bent. Een digitaal gastenboek – zoiets moet toch mogelijk zijn?

Enfin, inhoudelijk was het leuk en ook met de speeches na afloop heb ik me wel vermaakt. Hier en daar heb ik dus wel wat gemist. De eerste tien minuten missen, zoals maandag, is best lastig voor wat betreft de rode draad van het verhaal natuurlijk.

Desalniettemin had ik tijdens Tons verhaal een inzicht met een praktisch nut voor mijn adviseurs. Ik vertaal het meteen naar mijn termen: ‘hoofdboodschap achterop’ komt mogelijk overtuigender over omdat de conclusie dan eerder onvermijdelijk lijkt.

Met wat meer uitleg: in Tons verhaal, ‘De stijl van betogen’, zat een voorbeeld van een rechterlijke uitspraak waarin eerst drie losstaande argumenten gegeven werden, met ten eerste, ten tweede en ten derde erin, en daarna de conclusie als onvermijdelijk werd gepresenteerd: het verzoek (ofzoiets) ‘moet worden afgewezen’. Daarmee lijkt de rechter als afweger er niet toe te doen; de conclusie klinkt als iets objectiefs. Dat reconstrueer ik zo, ik hoop dat ik Ton goed begrepen heb – ik ging pas meeschrijven toen ik me realiseerde hoe relevant het was voor mijn praktijk wat hij zei, en toen liep ik een slide achter.

Die relevantie, daarop kwam ik pas toen ik de link legde met de verwarring die er vaak is bij mensen die het piramideprincipe hebben geleerd letterlijk volgens Barbara Minto. In haar boek gebruikt Minto verwarrende woorden voor argumentatiestructuren. Wat ik ken als enkelvoudige argumentatie heet bij Minto logical argument op basis van deductie. Niet alleen is dat laatste een woord uit een net iets ander domein dan argumenteren (te weten: redeneren), het hint er ook naar dat bij een enkelvoudige argumentatie de conclusie aan het eind moet komen – wat niet zo is. In Tons voorbeeld zat een meervoudige argumentatie (Minto’s grouping op basis van inductie) met de hoofdboodschap (conclusie) achterop. Ton noemde dat deductie. Terecht – het onderscheid dat Minto maakt, klopt gewoon niet. Dat geeft allemaal veel verwarring en onduidelijkheid. Ik heb in trainingen al vaak uitgelegd:

  • Deductie en inductie moet je als termen gewoon vergeten als het gaat om argumenteren – veel te verwarrend. Gebruik enerzijds meervoudige en enkelvoudige argumentatie, en anderzijds hoofdboodschap voorop of achterop.
  • Zowel meervoudige als enkelvoudige argumentatie kunnen de hoofdboodschap voorop dan wel achterop hebben. Dat is een keuze die je maakt los van de argumentatiestructuur.

Terwijl dat door mijn hoofd ging, maakte Ton het punt dat die conclusie aan het eind retorisch gezien de argumentatie kracht bijzet vanwege de suggestie van onvermijdelijkheid.

Aha, dacht ik toen: misschien is dat ook wel een reden voor de gehechtheid van veel van ‘mijn’ schrijvers aan de conclusie aan het eind. Ik dacht altijd dat dat komt door de traditionele, methodologische opbouw, maar dat is het dus mogelijk niet alleen. Daar mag ik dan wel eens meer op doorvragen en meer empathie voor hebben.

Vervolgens ka ik er dan samen met die schrijvers over gaan nadenken in hoeverre hun rol afwijkt van die van – bijvoorbeeld – rechters. Die schijn van objectiviteit en onvermijdelijkheid – is dat hoe je wilt overkomen als adviseur? Het is niet mijn ideale rolopvatting. Maar er valt zeker over te praten.

Ik ben zo een behoorlijk eind afgedreven van Tons inhoud – die dus inspirerend was. Ik hoop wel dat ik alles goed heb verstaan én begrepen. Ik neem aan dat er van de beide afscheidscolleges een teksteditie verschijnt, dan kan ik het nog eens rustig nalezen. Mocht het nodig zijn, dan corrigeer ik deze blogpost wel.

Ton en Arie hoop ik allebei onder gunstigere omstandigheden de hand te schudden – als dat dan weer mag dus.

 

Geplaatst in Opvallend, schrijftips | Geef een reactie

Bericht navigatie

← Oudere berichten
Nieuwere berichten →

Recente berichten

  • Kom bij Annie thuis!
  • Wat sneeuw doet met leesbaarheid
  • Frieten zonder c
  • Fietsen langs de sporen van het Nederlands in de VS
  • Het kan wel: ‘Into my arms’ vertalen

Categorieën

  • Geen rubriek (10)
  • Gesprek & debat (30)
  • Gezocht (9)
  • Leestips (323)
  • Opvallend (559)
  • Piramideprincipe-onderzoek (98)
  • Presentatietips (154)
  • schrijftips (900)
  • Uncategorized (47)
  • Veranderen (39)
  • verschenen (206)
  • Zomercolumns fietsvrouw (6)

Archieven

  • januari 2026
  • december 2025
  • november 2025
  • oktober 2025
  • september 2025
  • augustus 2025
  • juli 2025
  • juni 2025
  • mei 2025
  • april 2025
  • maart 2025
  • februari 2025
  • januari 2025
  • december 2024
  • november 2024
  • oktober 2024
  • september 2024
  • augustus 2024
  • juli 2024
  • juni 2024
  • mei 2024
  • april 2024
  • maart 2024
  • februari 2024
  • januari 2024
  • december 2023
  • november 2023
  • oktober 2023
  • september 2023
  • augustus 2023
  • juli 2023
  • juni 2023
  • mei 2023
  • april 2023
  • maart 2023
  • februari 2023
  • januari 2023
  • december 2022
  • november 2022
  • oktober 2022
  • september 2022
  • augustus 2022
  • juli 2022
  • juni 2022
  • mei 2022
  • april 2022
  • maart 2022
  • februari 2022
  • januari 2022
  • december 2021
  • november 2021
  • oktober 2021
  • september 2021
  • augustus 2021
  • juli 2021
  • juni 2021
  • mei 2021
  • april 2021
  • maart 2021
  • februari 2021
  • januari 2021
  • december 2020
  • november 2020
  • oktober 2020
  • september 2020
  • augustus 2020
  • juli 2020
  • juni 2020
  • mei 2020
  • april 2020
  • maart 2020
  • februari 2020
  • januari 2020
  • december 2019
  • november 2019
  • oktober 2019
  • september 2019
  • augustus 2019
  • juli 2019
  • juni 2019
  • mei 2019
  • april 2019
  • maart 2019
  • februari 2019
  • januari 2019
  • december 2018
  • november 2018
  • oktober 2018
  • september 2018
  • augustus 2018
  • juli 2018
  • juni 2018
  • mei 2018
  • april 2018
  • maart 2018
  • januari 2018
  • december 2017
  • november 2017
  • oktober 2017
  • september 2017
  • augustus 2017
  • juli 2017
  • juni 2017
  • mei 2017
  • april 2017
  • maart 2017
  • februari 2017
  • januari 2017
  • december 2016
  • november 2016
  • oktober 2016
  • september 2016
  • augustus 2016
  • juli 2016
  • juni 2016
  • mei 2016
  • april 2016
  • maart 2016
  • februari 2016
  • januari 2016
  • december 2015
  • november 2015
  • oktober 2015
  • september 2015
  • augustus 2015
  • juli 2015
  • juni 2015
  • mei 2015
  • april 2015
  • maart 2015
  • februari 2015
  • januari 2015
  • december 2014
  • november 2014
  • oktober 2014
  • september 2014
  • augustus 2014
  • juli 2014
  • juni 2014
  • mei 2014
  • april 2014
  • maart 2014
  • februari 2014
  • januari 2014
  • december 2013
  • november 2013
  • oktober 2013
  • september 2013
  • augustus 2013
  • juli 2013
  • juni 2013
  • mei 2013
  • april 2013
  • maart 2013
  • februari 2013
  • januari 2013
  • december 2012
  • november 2012
  • oktober 2012
  • september 2012
  • augustus 2012
  • juli 2012
  • juni 2012
  • mei 2012
  • april 2012
  • maart 2012
  • februari 2012
  • januari 2012
  • december 2011
  • november 2011
  • oktober 2011
  • september 2011
  • augustus 2011
  • juli 2011
  • juni 2011
  • mei 2011
  • april 2011
  • maart 2011
  • februari 2011
  • januari 2011
  • december 2010
  • november 2010
  • oktober 2010
  • september 2010
  • augustus 2010
  • juli 2010
  • juni 2010
  • mei 2010
  • april 2010
  • maart 2010
  • februari 2010
  • januari 2010
  • december 2009
  • november 2009
  • oktober 2009
  • september 2009
  • augustus 2009
  • juli 2009
  • juni 2009
  • mei 2009
  • april 2009
  • maart 2009
  • februari 2009
  • januari 2009
  • december 2008
  • november 2008
  • oktober 2008
  • september 2008
  • augustus 2008
  • juli 2008

©2026 - Louise Cornelis
↑