Verschenen in Oase Magazine 3: drie mini-columns die ik schreef vanuit Afrika. Mijn columns in dat blad lopen een jaar achter op het schrijven. Deze editie is voor januari en februari 2009, en de columns hebben te maken met Egypte, Soedan en Ethiopië, want daar was ik vorig jaar om die tijd. Leuk om die nu weer terug te lezen!
Verschenen: Fietsvrouw-column # 41
In Fiets van december: mijn 41e Fietsvrouw-column, onder de titel ‘Geloofwaardigheid’. Het gaat erover hoe je door te hard te fietsen die geloofwaardigheid kunt verliezen…
Het weblog bestaat niet
In de zaterdagbijlage van NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag staat een artikel over weblogs, ‘Digitale zeepkisten’. Weblogs worden erin beschouwd als burgerjournalistiek, en in het artikel staat de vraag centraal in hoeverre die burgerjournalistiek de professionele vervangt. Weblogs komen dan in de plaats van bijvoorbeeld het TV-journaal of de krant. En dat is op z’n minst twijfelachtig, zo is de teneur, want niet alle weblogs zijn goed.
Denkfout en/of impliciete aanname in het artikel is dat álle weblogs burgerjournalistiek zijn of willen zijn. Het artikel begint met ‘Nederland telt ongeveer een miljoen bloggers. Op internet kunnen zij de pet van journalist opzetten’. Dat kunnen is enige relativering, maar daar blijft het verder bij: de suggestie is dat ons land een miljoen burgerjournalisten kent. Het eerste voorbeeld in het artikel is van een man die er ’s avonds met z’n camera op uittrekt om lokaal nieuws vast te leggen voor zijn weblog, en de kop van een kader met een aantal getallen is bijvoorbeeld ‘Webbloggers coveren ook grote nieuwsontwikkelingen’.
Maar dat is onzin. Niet elk weblog is journalistiek, zelfs niet journalistiek bedoeld. Je hebt inderdaad zeer journalistieke blogs, maar ook nog enkele andere vormen, bijvoorbeeld:
- Gewoon de dagelijkse wissewasjes van iemand, al dan niet in bijzondere omstandigheden. Niet te vergelijken met krant of journaal, maar met het dagboek of reisverslag van vroeger – denk aan het klassieke scheepsjournaal. Ons eigen blog over de Afrika-fietsreis viel vooral in deze categorie, al heb ik een enkele geprobeerd iets journalistieker te schrijven over de landen die we bezochten.
- Vakinhoudelijke blogs, zoals dit. Ook niet bedoeld als algemene journalistiek, maar meer in de richting van de vakbladen.
- ‘Corporate’ en andere zakelijke blogs, die, soms onder wat journalistiekere dekmantels, uiteindelijk een commercieel doel hebben. Te vergelijken met reclameblaadjes en nieuwsbrieven.
- Het weblog met columns – staat weliswaar ook in de krant, maar zou je toch geen hard-core journalistiek noemen. Het gaat niet zozeer om de feiten en de dagelijkse gebeurtenissen, maar om een reflectie daarop. Overigens komt deze vorm nog wel aan de orde in het artikel, maar niet heel positief: GeenStijl wordt aangehaald als voorbeeld.
- Het weblog dat vooral leuke internetdingetjes op een rijtje zet, dus vooral bestaat uit links naar interessante sites, eventueel voorzien van enig commentaar. Bieslog was er een voorloper in. Dit type heeft geen traditionele tegenhanger, al lijkt het wel een beetje op een catalogus of de TV-gids.
- Het ‘doorkopieerblog’, dat van een bepaald onderwerp alle nieuwsberichten verzamelt en overzichtelijk op een rijte zet. Wel journalistiek, maar geen origineel nieuws, en meer te vergelijken met een thematische knipselkrant dan met het dagblad. Ik volg zelf bijvoorbeeld zo’n blog over The Who en eentje over Ethiopië.
Dus: niet alle weblogs zijn burgerjournalistiek, en het omgekeerde geldt ook: niet alle burgerjournalistiek is te vinden op weblogs. Op bijvoorbeeld discussieforums is ook veel ‘wisdom of the crowds’ af te tappen. Een kritiekloze houding is daarbij niet op zijn plaats. Maar ach, bij het lezen van een willekeurige krant toch ook niet?
Doe mee of lees
Graag promoot ik twee links die ik net kreeg toegestuurd via Neder-L, het elektronische tijdschrift voor de neerlandistiek:
– Doe mee aan een onderzoek naar woordassociaties: http://www.kuleuven.be/lsa/ Het kost een minuut of vijf, is leuk om te doen, en je helpt er de taalwetenschap mee, want ze zoeken nog ‘een pak’ deelnemers!
– Download een uitgebreide ‘krant’ over de taal van de overheid, op http://taalunieversum.org/taalpeil/2008/taalpeil_2008.pdf Met daarin van alles over hoe de overheden werken aan betere schriftelijke communicatie met de burger, onder andere resultaten van onderzoeken onder burgers én ambtenaren.
Drie succesfactoren voor columns
Een paar weken terug kondigde ik het verschijnen aan van mijn 40e Fietsvrouw-column. Wat ik toen nog niet wist, was dat deze column veel reacties op zou gaan leveren: e-mails naar de redactie van Fiets of direct naar mij. In totaal waren het er ongeveer net zo veel als op de eerdere 39 columns bij elkaar!
Redacties zien ingezonden brieven als iets positiefs: je wordt dan gelezen en serieus genomen, serieus genoeg om in de pen te klimmen. Dus wat leer ik hiervan over de succesfactor van columns?
- Zorg voor herkenning. De meerderheid van de reacties had precies die strekking: wat een herkenbaar verhaal! Het ging over allerlei gekke dingen die ik in de afgelopen jaren bij spinning in sportscholen had meegemaakt. Kennelijk komen die dus vaker voor…
- Steek je nek uit – wees ‘spits en uitdagend’ (zie Wikipedia-omschrijving van een column). De kritischere reacties vonden dat ik het allemaal verkeerd dan wel wel erg zwart zag. en gingen op dat punt met me in discussie. Niet alle reageerders beseffen dat een column vertekent. In één reactie staat bijvoorbeeld: ‘ik kan me niet voorstellen dat het allemaal zo erg is als jij schrijft’. Natuurlijk is het niet allemaal zo erg als ik schrijf. Ik heb omwille van de column zeven incidenten uitgelicht uit twee jaar, dus misschien wel bijna 100 keer, spinnen.
- Ontwikkel eelt op je ziel. Want van ‘ik ben het niet eens met wat je schrijft’ (het vorige punt) is het voor sommigen maar een kleine stap naar het oordeel ‘jij deugt niet’: ik zie het fout, ben een arrogante betweter en pas me onvoldoende aan. Tsja. Met een mooie sportmetafoor: zulke reageerders spelen niet op de bal, maar op de persoon.
Het laatste punt laat mij maar weer eens voelen dat écht iets zeggen heftige, negatieve reacties kan oproepen. Ik kan me dan ook goed verplaatsen in de deelnemers aan mijn trainingen met een specifiek soort schrijfangst: de angst om zich uit te spreken in hun tekst, want daar kunnen anderen over vallen. ‘Dat kan ik toch niet maken,’ zeggen ze als ik ze uitnodig om de data niet alleen te beschrijven, maar ook te interpreteren, dus van boodschappen te voorzien, ‘mijn baas ziet me al aankomen/dat pikken ze nooit/stel dat ik ernaast zit’. Of, in een minder expliciete vorm: ‘Dat kunnen/moeten mijn lezers zelf bedenken’.
Voor zover reacties op een tekst de strekking van punt 2 van hierboven hebben, denk ik alleen maar: prima. Schrijf liever met lef iets waar mensen het niet mee eens kunnen zijn dan uit angst en voorzichtigheid helemaal niets. Goed schrijven is je nek durven uitsteken, kleur bekennen.
Mochten de reacties doorschieten richting punt 3 en persoonlijk worden, dan heb je ofwel geen probleem (dat is hún oordeel), of een probleem dat met geen tekst te ondervangen is. Ik heb wel eens iemand aangeraden een andere baas te zoeken…
Goed weblog over visueel ontwerp
Een weblog dat de moeite waard is voor iedereen die zich bezighoudt met het ontwerpen van presentaties is http://stickyslides.blogspot.com/ van Jan Schultink. Vandaag heeft hij bijvoorbeeld een aantal simpele richtlijnen om slides beter leesbaar te maken voor mensen met dyslexie. Terecht zegt hij dat élk publiek er baat bij kan hebben. Regelmatig heeft hij inspirerende voorbeelden van visuele ontwerpen, al dan niet uit Powerpoint. Want hij kijkt graag wat breder. Naar visuals in advertenties bijvoorbeeld, of naar de principes van het creatieve proces. Over dat laatste had hij eerder deze week een leuke posting, namelijk over de waarde van douchen voor creativiteit. Die posting is nu alweer afgezakt naa de negende plek, want het is een actief blog. Ook dat maakt het interessant. Van harte aanbevolen dus.
Schrijftip: 30 jaar oefenen
Eén van de interessantste ideeën over goed leren schrijven die ik de laatste tijd ben tegengekomen, is de stelling van de Amerikaanse hoogleraar Ronald Kellogg dat het 30 jaar oefenen kost om schrijven tot in de puntjes te beheersen. Hij laat aan de hand van voorbeelden van beroemde literaire schrijvers zien hoe veel die hebben moeten oefenen en dus afkeuren voordat ze hun meesterwerk schreven. Maar voor zakelijke schrijvers geldt het ook. En aangezien die minder nadruk op schrijven leggen, bereiken ze lang niet allemaal het meesterschap.
Schrijfontwikkeling
Volgens Kellogg doorlopen schrijvers in die 30 jaar drie fasen:
- Knowledge telling: schrijven is niet veel meer dan de feiten op een rijtje zetten. Jonge kinderen doen dit al; met als tekstkenmerk en toen en toen en toen. Maar veel schrijvers blijven er ook in steken: gekopieerde stukken van Google en Wikipedia aan elkaar lijmen of in woorden beschrijven wat er in de tabel ook al te lezen is zijn er voorbeelden van. Het vergt inzicht en oefening om een stapje verder te komen.
- Knowledge transforming: in deze fase bewerkt een schrijver de informatie zodanig dat er iets van een structuur, verhaal en kern in komt – maar dat is dan nog wel de eigen interpretatie van de schrijver.
- Knowledge crafting: op het hoogste niveau van schrijven is de schrijver in staat om zich een beeld te vormen van het beeld dat de lezer van de tekst heeft. Dat klinkt ingewikkeld, maar het komt neer op je als schrijver helemaal in kunnen leven in de lezer, en de tekst op hem/haar afstemmen. Dit stadium bereikt lang niet iedereen.
De manier van structureren waar ik mee werk en die ik in Adviseren met Perspectief uiteenzet (ook wel bekend als het piramideprincpe of delta-denken) kan helpen om van niveau 1 naar niveau 2 te komen, en, bij al wat ervarener schrijvers, ook tot stap 3. Dan is het niet meer een structureringstrucje, maar een manier om de tekst lezergericht te maken. In de handen van goede consultants heb ik dat wel zien gebeuren: ze overstijgen met hun structuur de data en richten het verhaal helemaal op hun cliënt.
Waarom duurt het zo lang?
Waarom duurt het 30 jaar voordat je comfortabel in fase 3 zit? Enerzijds is dat volgens Kellogg omdat schrijven zo ingewikkeld is. Je moet een groot aantal deelvaardigheden beheersen op een niveau dat ze zijn geautomatiseerd, en pas dan houd je tijdens het schrijven genoeg ruimte in je hoofd over voor de lezer, de ruimte die knowledge crafting kost. Je moet niet alleen klakkeloos kunnen typen, spellen, interpunctie aanbrengen en formuleren (dat moet al om op niveau 1 te kunnen schrijven), maar ook alinea’s kunnen opbouwen en op hoger tekstniveau structureren – en dat allemaal goed en vanzelfsprekend. Pas dan houd je genoeg ruimte over om je in te leven in de lezer en daar al je keuzes op af te stemmen.
Dat inleven in een ander is sowieso iets wat niet vanzelfsprekend komt en moeilijk is: je empathische vermogens moeten goed ontwikkeld zijn. En je hebt kennis en (levens-)ervaring nodig. Je schrijft immers niet zomaar, je schrijft óver iets, en ook op dat punt heb je pas iets interessants toe te voegen als je er zelf iets mee gedaan hebt. Voor goed schrijven heb je een zekere levenswijsheid nodig. Het is volgens Kellogg dan ook niet toevallig dat er geen schrijf-wonderkinderen bestaan.
Oefenen!
Het is misschien een deprimerende gedachte: zo veel oefenen is nodig. Mij prikkelt het wel om een vak uit te oefenen waarvoor 30 jaar oefenen nodig is. Ik zeg het wel eens als ik een training bespreek: verwacht niet dat de deelnemers door één training ineens ontzettend goede schrijvers worden.
Ik heb al zitten rekenen: op mijn 12e verscheen mijn eerste stukje in de schoolkrant. Ben ik er al? Ik weet wel dat knowledgde crafting ook voor mij nog niet vanzelf spreekt. Ik denk dat ik er op dit moment middenin zit voor wat betreft mijn boek over mijn Afrika-reis: de eerste versie was nog te veel alleen maar een bewerking van ons weblog en daarmee te navelstaarderig. Ik ben nu bezig met de tweede versie, en aan het craften. Dat vergt veel denkwerk – wat ook heel leuk is.
En ik oefen. Alleen oefenen is overigens niet voldoende: feedback op je teksten is noodzakelijk. In je eentje word je geen knowledge crafter, en de meesten van ons al geen knowledge transformer. Voor wie feedback op schrijfwerk zoekt, houd ik me aanbevolen. Ik kan nog wel een jaartje of 30 mee…
Bron: o.a. deze presentatie van Kellogg
Blog eens anders, maar niet te veel
Afgelopen donderdag ben ik naar een cursus geweest van het Centrum voor Communicatie en Journalistiek van de Hogeschool Utrecht over corporate blogging: zakelijk gebruik van weblogs. Om ideeën op te doen voor dit weblog maar vooral ook omdat ik adviseer over schriftelijke communicatiemiddelen, zoals het weblog.
De opbrengst: twee nieuwe ideeën om eens anders te bloggen:
- Om zakelijk te bloggen, hoef je niet zelf een weblog bij te houden. In plaats van zelf te bloggen, kun je als bedrijf ook weblogs volgen. Als er dan aanleiding toe is, kun je een reactie plaatsen met bijvoorbeeld een advies en/of een link naar je eigen website (of toch weblog). Dat kan zijn als er op een weblog of forum geschreven wordt over je bedrijf of dienst, of als er andere aanknopingspunten zijn.
- Weblogs kunnen ook een interne functie hebben. Je zou bijvoorbeeld bij een groot veranderingsproject een weblog op het intranet kunnen maken dat de ervaringen en vorderingen vanuit verschillende perspectieven beschrijft. Ik word soms betrokken bij de invoering van een nieuwe huisstijl, waar dan ook een nieuwe manier van schrijven of presenteren bij hoort. De volgende keer ga ik voor zo’n project voorstellen er een weblog aan te koppelen, waar de projectleider, de communicatie-afdeling, de deelnemers en ikzelf aan kunnen meeschrijven en bijvoorbeeld voorbeelden en tips op plaatsen.
Voor wat betreft het gewone, reguliere bloggen hoorde ik niet veel nieuws. Probleem daarbij blijft dat eigenlijk niemand weet wat het precies oplevert, en er gaat makkelijk heel veel tijd in zitten. Zo’n stukje schrijven als dit, dat valt wel mee. Maar als je dat elke dag wilt doen, en het weblog daarbij actief promoot, kan het een dagtaak worden. Actief promoten houdt bijvoorbeeld in dat je de hele ‘blogosfeer’ naloopt om in de gaten te houden wat er verschijnt, zodat je meteen over en weer kunt linken naar aanverwante posts op de blogs die je volgt. Daarbij kun je links achterlaten als je forumt, twittert en MSN’t – en dat moet je eigenlijk veel doen om een groot online netwerk op te bouwen. Zo groeit de community rond je blog. Dat is hartstikke leuk, maar wat leveren al die uren bloggen, surfen en chatten op voor het bedrijf? Waar is de kosten-baten-afweging?
Een ander discussiepunt tijdens de cursus was of blogs nou echt interactief zijn. Is het ‘communicatie met’ bijvoorbeeld je klanten? Ik vind van niet: een blog is een vergemakkelijkte vorm van een al veel langer bestaand medium, zoals de column in krant of nieuwsbrief bijvoorbeeld, of het gestencilde boekje met verhaaltjes. Op een papieren tekst kun je ook reageren, denk maar aan de ingezonden brieven. Een weblog wordt pas interactiever als je er veel moeite voor doet. Maar met een papieren tekst kun je ook oproepen om te reageren. Ik zie daar geen principieel verschil tussen. Als je echte communicatie wil mét je klanten, zul je ze rechtstreeks moeten benaderen, in plaats van ze alleen dingen te lezen geven waar een enkeling op reageert.
Wie meer wil lezen over zakelijk bloggen als communicatiemiddel kan het weblog van docent Jeroen Mirck volgen. Zo’n linkje is voor ons beider weblogs goed. Kom maar op met die extra bezoekers!
Super-boekentip: PresentationZen
Ik heb nog niet vaak een boek in mijn vakgebied gelezen dat ik zo van harte kan aanraden als PresentationZen. Simple Ideas on Presentation Design and Delivery van Garr Reynolds: verplichte kost voor iedereen die presentaties maakt. Alleen al er snel doorheen bladeren geeft een gevoel van Wauw! Er staan niet alleen inspirerende voorbeelden in van presentatiemateriaal, maar ook andere mooie foto’s die Reynolds’ ideeën visualiseren.
Reynolds’ ideeën zijn bij nadere bestudering ook de moeite waard. Veel ervan zijn bekend en staan ook al in de boeken over het maken van presentaties die ik samen met Titus schreef, maar Reynolds gaat in twee opzichten verder:
- Hij legt meer nadruk op de esthetische kwaliteit van de presentaties: zijn ontwerpen zijn zeer mooi en raken daardoor aan een diepere gevoelslaag. In vergelijking daarmee zijn onze oplossingen vooral functioneel en daarmee ook rationeel. Reynolds pleit voor meer ‘muziek’, spel en empathie in presentaties, en dat is te zien. Desalniettemin blijven ze wel zakelijk en dus goed bruikbaar. Wat zouden presentaties ervan opknappen als ze inderdaad warmer zouden worden!
- Voor hem is het maken van echt goede presentaties een ‘way of life’. Dat blijkt natuurlijk al uit het Zen in de titel van het boek, maar bijvoorbeeld ook uit zijn adviezen: het is nodig om bij de voorbereiding van een presentatie de eenzaamheid op te zoeken: ‘Life’s creative solutions require alonetime’ citeert hij dr. Bucholz (p. 57) en het houden van een presentatie vraagt vaardigheden als mindfulness en daadwerkelijk in contact kunnen treden met je publiek. Centrale waarden als het streven naar eenvoud en naar het leveren van een echt zinnige bijdrage overstijgen ook het gebied van presentaties maken. En ook hierin heeft Reynolds gelijk. Aleen als je in je leven genoeg ruimte vrijmaakt om je creativiteit tot bloei te brengen, kun je daadwerkelijk creatieve Powerpoint-sheets maken. En dat vraagt om meer dan alleen een goede voorbereiding van de presentatie – het gaat om een andere houding ten opzichte van je werk en in je leven.
Ware levenslessen dus, met daartussen allerlei tips, adviezen, uitleg en voorbeelden. Een mooi inzicht vind ik bijvoorbeeld het idee om ernaar te streven het publiek nooit meer dan 80 % vol te laten worden van je presentatie – analoog aan het Japanse gebruik om nooit je nooit voller te eten dan tot 80 % van je maaginhoud. Met andere woorden: overvoer je publiek niet. Als ze nog ‘hongerig’ zijn na je verhaal, vragen ze zelf wel om meer.
Een enkele keer bekruipt mij wel het gevoel dat ik ook wel terughoor van de lezers van onze boeken: het klinkt allemaal heel mooi en ik ben het er zeer mee eens, alleen is het in de praktijk toch allemaal wel een stuk moeilijker dan het in zo’n boek lijkt. Kost dat niet ontzettend veel tijd? En hoe kom ik bijvoorbeeld aan zulke mooie foto’s als die van Reynolds?
Deels helpt Reynolds zelf met een praktische oplossing: bij het boek krijg je gratis credits voor het downloaden van goed stockfotomateriaal. En deels zet hij aan tot denken. Als jij met een presentatie van een uur aan 30 mensen niet zo veel weet te bereiken, heb je 30 uren verpest. Als je die 30 uur extra had geïnvesteerd, had je wellicht iets kunnen maken waarmee de presentatie tot iets bijzonders was uitgegroeid. Wat kies je dan?
Ik neem me voor om de volgende keer dat ik een presentatie moet maken PresentationZen erbij te pakken om me te laten inspireren, en om eens rond te kijken of er tussen die stockfoto’s wat van mijn gading zit. Meer in het algemeen ga ik streven naar meer schoonheid in mijn werk. In mijn leven, dus, bedoel ik.
Zie ook http://www.presentationzen.com/ en http://www.garrreynolds.com/Presentation/index.html
Verschenen: Fietsvrouw-column # 40, lustrum!
Verschenen in de Fiets van november: mijn 40e Fietsvrouw-column, met als titel ‘Rariteitenkabinet’. Hij gaat over gekke sportschool-ervaringen met spinning. Veertig is een mooi, rond getal, want deze maand vier ik mijn eerste lustrum als Fietsvrouw: in het novembernummer van 2003 verscheen de eerste.
