Net verschenen: Fiets van januari 2010 (gelukkig nieuwjaar!) met daarin mijn column getiteld ‘Spelregels’.
Smurrie
Kleine winteravondreflectie. Ik realiseerde me daarnet in de auto onderweg van Vlissingen naar Rotterdam, en vooral hier in Rotterdam waar de restanten van 15 cm sneeuw inmiddels zijn aangetast door het wegverkeer, dat ik een favoriet woord heb op dit moment: smurrie.
Ja, zeker ingegeven door de sneeuw, maar ik gebruikte het een dikke week geleden al voor zwart-wit foto’s van slechte kwaliteit in een boek dat ik toen kreeg (bewijs). En ik hoorde het mezelf eerder vandaag een paar keer zeggen toen ik samen met een deskundige een heel aantal schilderijen beoordeelde: “Nee, afgekeurd – smurrie.”
Ik vind het een heerlijk woord. Soms heb ik dat wel eens, dan raak ik ineens ‘verliefd’ op een woord en gebruik ik het zomaar heel vaak. Het leuke aan smurrie vind ik dat het zo lichtvoetig klinkt. Over de smurries die ik hierboven noem moet je niet te veel klagen, vind ik. Okee, het is wat glibberig hier en daar, die foto’s zijn niet mooi, en de schilderijen afgekeurd. Maar drama’s zijn dat niet bepaald.
Smurrie is lichtvoetige narigheid. Heel anders dan troep, dat veel zwaarder en naargeestiger klinkt.
Smurrie, ik houd er wel van. En het staat nog in het Groene Boekje ook!
‘Ze lezen zo slecht’
In mijn trainingen hoor ik vaak als klacht dat er zo slecht wordt gelezen. Vooral over de vluchtige media zoals e-mail hoor ik schrijvers erover: ‘het stáát er toch, maar ze lezen het niet!’
Ik pareer dat altijd: als schrijver moet je uitgaan van dat slechte, vluchtige lezen en ervoor zorgten dat de lezer dan toch meekrijgt wat belangrijk is. Ik zeg wel eens: lezers zijn dom, lui en egocentrisch. Als je daar als schrijver geen rekening mee houdt, bereik je ze niet.
Afgelopen weekend kreeg ik zelf de reactie van een schrijver: ‘je hebt niet goed gelezen’. Interessant. Wat in de tekst maakte dat ik de boodschap niet had meegekregen? Want ik ben bepaald geen slechte lezer natuurlijk. Alleen ben ook ik wel dom, lui en egocentrisch als ik lees. Want dat zijn alle lezers.
Ik heb het uitgezocht. Het ging om een advertentie op Marktplaats. Ik probeer namelijk op dit moment twee setjes postzegels kwijt te raken. Eentje daarvan is een thematisch setje, met afbeeldingen van schilderijen. Ik had daarom in Marktplaats ook binnen de categorie ‘Thematisch’ gekeken of er zulke werden ‘gezocht‘. En welja, ik vond zo’n advertentie en stuurde een berichtje.
Reactie:
Bedankt voor je mailtje, maar ik zoek helemaal geen postzegels.
Ik denk dat je de advertentie niet goed gelezen hebt, ik zoek
alleen verzamelaars met de thema’s om mijn eigen verzameling
uit te dunnen.
Ja, ik had inderdaad slecht gelezen. Wat dom. Maar ook: begrijpelijk. Een advertentie plaatsen waarin je kopers zoekt in plaats van producten aanbiedt is de omgekeerde Marktplaats-wereld. De plaatser van deze advertentie draait als het ware de rollen om. Het zou hetzelfde zijn als ik geen thema-setje schilderijen zou aanbieden, maar zou plaatsen: ‘Gezocht: koper van schilderijen-postzegels’. Niemand doet dat zo, dat is één van de ongeschreven Marktplaats-regels.
Op basis van mijn aanname over die regels had ik dus over enkele cruciale maar subtiele woorden in de advertentie heen gelezen en alleen ‘Gezocht: kunst en schilderijen’ zien staan. Dom, lui en uit op mijn eigenbelang.
Maar, zo zeg ik dan als tekstenmens: dat lag dus niet aan mij. Eén van de dingen die ik altijd aanraad is aansluiten bij de verwachtingen die lezers hebben en dus bij conventies. Maak gebruik van de lezers’ automatische piloot. En als je dat niet doet, waarschuw dan luid & duidelijk!
Overigens is er amper interesse in mijn postzegel-advertenties. Er worden wel postzegels gevraagd, voor een goed doel, en daar gaan de mijne waarschijnlijk later deze week naartoe.
Wijsheid van Multatuli
Zo af en toe haal ik hem van stal, de uitspraak van Multatuli, uit zijn Ideeën (nr. 41):
Ik leg me toe op ’t schryven van levend hollandsch. Maar ik heb schoolgegaan.
Ik denk daar altijd aan als ik weer eens iemand een schoolmeester-regel voor de schrijftaal hoor bezigen waarvan ik denk: “Vertrouw toch alsjeblieft gewoon op je intuïtites. Als je práát, denk je daar toch ook niet over na?”
Dat dacht ik afgelopen woensdag naar aanleiding van een discussie op LinkedIn over de rode en de groene werkwoordsvolgorde, de twee mogelijke volgorden van persoonsvorm en voltooid deelwoord aan het eind van een bijzin. Dan heeft er weer eens iemand gehoord dat de ene volgorde beter is dan de andere – en dat is niet zo. Het verschil ertussen is heel subtiel, nauwelijks in regels te vatten, en in de spreektaal nooit een probleem, dus ik zou altijd zeggen: schrijf op wat je intuïtief het beste lijkt.
Maarja, er is jarenlang strijd geleverd tegen het ‘germanisme’ van de op het Duits lijkende volgorde (met de persoonsvorm aan het eind), en zo zijn schrijvers die intuïties kwijtgeraakt.
Ik denk het ook wel eens als ik mensen weer eens wat hoor roepen over werkwoordstijden of over of er wel of geen er in een zin moet staan – doe dat toch ook op gevoel, alsjeblieft! Enzovoort, enzovoort. Vertrouwen op je intuïties kost een heleboel minder moeite dan het toepassen van een regel, en bovendien wordt de taal er natuurlijker, spontaner van. Niemand zit meer te wachten op ouderwets, gekunsteld proza van oude schoolmeesters.
Máár, ik weet zelf ook wel dat dat gevoel grenzen heeft. Of liever gezegd: onze intuïties zijn prima, anders zouden we onze moedertaal niet kunnen spreken. Maar de regels voor de spreektaal wijken wel degelijk af van die voor de spreektaal. Zo is er toch nog steeds bij veel mensen bezwaar tegen groter als en zeker tegen hun hebben – ook al zullen veel mensen dat spontaan zo zeggen en zonder nadenken ook zo schrijven.
Dus dan is er toch een probleem. Je moet als schrijver kunnen onderscheiden wanneer je blindelings op je intuïties kunt en moet vertrouwen, en wanneer je een schoolmeesterregel moet toepassen. Als ik dan bijvoorbeeld tijdens een training in het ene geval zeg “doe het intuïtief”, en in het andere geval “pas de regel toe” is dat toch wat inconsequent en didactisch onhandig. Daar ben ik nog niet over uit.
Wel weet ik dat er weinig zinnigs in het algemeen is te zeggen over dit soort regels. Het nuttigste is om als schrijver te weten waar je eigen blinde vlekken zitten. Dan weet je waar in je intuïties er dingen zitten die strijdig zijn met de schrijftaalregels. Daar moet (mag?) je dan rekening mee houden. En de andere schoolmeesterregels: lekker vergeten, en levend hollandsch schryven!
Debatvoorbereiding bij EZ
Gisteren het ’toetje’ van het debatcollege: een gastoptreden van Edwin van Scherrenburg, woordvoerder bij het ministerie van EZ en eerder in zijn loopbaan daar werkzaam als debatvoorbereider. Het was een toetje omdat het een extra college was. In oktober was er een college uitgevallen en nu haalden we dat in. Alleen zijn er deze week ook tentamens: herkansingen en van andere vakken. Vandaar dat de opkomst gisteren niet zo groot was. Maar dat maakte het ook wel weer knus.
Het eerste wat me aan Van Scherrenburgs bijdrage opviel was dat ook hij zonder Powerpoint sprak. Dat was bij de vorige gastdocent ook al zo. Kennelijk kunnen debatteerders nog tegen een groep iets zeggen zónder dat hulpmiddel. In het bedrijfsleven lijkt dat inmiddels verder zo ongeveer onmogelijk, zo is mijn ervaring: zet drie mensen bij elkaar en één ervan laat dia’s zien. Debatteren gaat (nog?) zonder, dat begint uitzonderlijk te worden.
De bewindspersoon (minister of staatssecretaris) krijgt ter voorbereiding op een debat een heel pakket aangereikt, met onder andere een spreektekst en ‘fact sheets’ met relevante informatie. Sommige ministers varen blind op dat pakket en de voorbereide tekst, andere (Donner) vertrouwen meer op hun eigen kennis van het dossier. Bij een belangrijk debat wordt de bijdrage ook wel geoefend. Tijdens het debat wordt een minister geflankeerd door meeschrijvende beleidsmedewerkers. Zij noteren alle vragen vanuit de Kamer en formuleren antwoorden. Na afloop wordt het debat meestal wel geëvalueerd, zo nodig ook op het gebied van de presentatie en uitstraling – al is dat bij een commissie-debat veel minder belangrijk dan wanneer de televisiecamera’s draaien.
Van Scherrenburg vertelde dat bij het vooraf inschatten van de vragen die vanuit de Tweede Kamer te verwachten zijn, de politieke en de ambtelijke werkelijkheid soms uit elkaar lopen. Beleidsmedewerkers zijn inhoudelijk stevig bezig geweest met een dossier en vergeten wel eens dat wat voor hen vanzelfsprekend is, dat niet is voor anderen. Voor een lid van de Tweede Kamer kunnen andere overwegingen dan inhoudelijke een rol spelen, bijvoorbeeld: hoe zet ik deze minister een hak, of: wat leeft er bij mijn achterban? Daardoor wordt de minister, en met hem/haar de debatvoorbereiders, wel eens verrast. En de beleidsmedewerkers zijn wel eens teleurgesteld als hun minister om politieke redenen een eigen draai geeft aan het inhoudelijke dossier.
De minister heeft het goed gedaan als er geen vragen blijven komen vanuit de Kamer en als hij/zij iedereen van repliek heeft kunnen dienen. Dat kan inhoudelijk zijn, maar er spelen ook andere zaken. Een minister kan scoren met een goede kwinkslag (is Pechtold sterk in), een debat platslaan met een enorm inhoudelijk verhaal (Donner houdt wel eens een soort colleges strafrecht), of doodslaan met een opmerking over de procedure. Ten slotte is een debat ook een partijtje worstelen tussen grote ego’s.
Is het politieke debat dan allemaal vooral show, een rituele dans? Of is een debat echt een uitwisseling van argumenten, gericht op het elkaar overtuigen? Van Scherrenburg heeft één keer meegemaakt dat de minister een voorstel terugtrok. Dat was echter meer vanwege een politieke inschatting dat hij het toch niet zou gaan winnen dan omdat hij overtuigd was door de tegenpartij. Verder kan een vasthoudend Kamerlid wel gedaan krijgen dat een minister iets moet gaan doen of uitzoeken – zoals eerder dit jaar nog is gebeurd met het onderzoek naar de besluitvorming rond de Irak-oorlog.
Ten slotte is het volgens Van Scherrenburg belangrijker om gevoel voor politieke verhoudingen te hebben en voor goed verwoorden dan om bijvoorbeeld Nederlands, communicatiewetenschap of debatvaardigheden te hebben gestudeerd. Daar was ik het natuurlijk niet mee eens. Ik snap wel dat alléén zo’n studie niet helpt. Maar het is juist de kunst van ons vakgebied om meer over goed debatteren te kunnen zeggen dan dat het een kwestie is van gevoel.
Anders gezegd: als ik straks op 6 januari op het tentamen aan de studenten vraag hoe een politicus een debat kan winnen, is ‘dat is een kwestie van gevoel’ níet het goede antwoord (-;
Precious schrijven
Gisteren naar de film Precious geweest. Ik had daar al van alles over gehoord en gelezen. De film was in de NRC, Opzij en Psychologie Magazine besproken, van drie verschillende kanten, en dus was er inhoudelijk niet meer zo heel veel verrassend voor me.
Op één ding na: de rol van schrijven erin. Ik zal er niet te veel over verklappen, alleen maar dit: hoofdpersoon Precious moet op een gegeven ogenblik elke dag schrijven, ook als haar omstandigheden heel zwaar zijn. ‘Write!’ is wat ze dwingend te horen krijgt van haar begeleidster. En dat werkt.
En de rest moet je zelf maar gaan zien. Want ondanks het gebrek aan verrassing vond ik het een schitterende film.
Lagerhuis over beledigen
Afgelopen woensdag debatteerden twee teams van vier studenten over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting in een debat: mag je iemand beledigen of niet? De vorm was dit keer vrijer dan bij de proefdebatten: het was een soort Lagerhuis-debat waarin de spreekbeurten en -tijden niet vaststaan en de debatteerders mogen interrumperen.
Hier en daar had ik een aanpassing gemaakt om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk studenten kans kregen om na de proefdebatten nog eens iets uit te proberen of opnieuw te doen. Daartoe hadden ze reflecties geschreven op hun bijdrage aan het proefdebat. In de dagen voor het college had ik per mail al met een aantal contact gehad over of ze een bepaalde rol op zich wilden nemen – ik had nog nooit zo interactief een college voorbereid, en ik ben blij dat een aantal studenten bereid waren om een extra voorbereidingsinspanning te leveren.
Terwijl er aan de andere kant maar liefst zes waren die juist niets ‘mochten’ doen: zij hadden in hun reflectie aangegeven vooral moeite te hebben met het snelle, ad-rem karakter van debatteren. Daarom had ik nu zo veel mogelijk aan hun snelheid en improvisatievermogen overgelaten, om juist daarmee te oefenen: ze hoorden pas kort van tevoren waarover het debat zou gaan.
Een kort (10 minuten), snel en spontaan debat waarbij de meeste deelnemers nauwelijks voorbeid waren en zeker niet ingelezen in het onderwerp – dat was andere koek dan de proefdebatten. Het was leuk om te zien, en, voor zover ik hoorde, ook om te doen. Maar het was inhoudelijk veel oppervlakkiger – en dat is niet zo gek.
De stelling, ingebracht door de voor-pleiters, was eigenlijk ook niet scherp genoeg en het bleek problematisch dat hij onvoldoende controversieel was; niet echt pleitte voor een verandering in de status quo. Daardoor leek het op een gegeven ogenblik alsof de twee teams het met elkaar eens zouden gaan worden. Een beetje triomfantelijk zei ik dus aan het einde: dus de andere hoofdstukken uit het boek zijn óók relevant. Eerder hadden de studenten namelijk aangegeven dat de enige theorie die ze gebruikten uit het boek die over de stock issues was. Maar daarmee alleen kom je er dus niet!
En, mogen beledigingen nou in een debat of niet? Als ik het goed begrepen heb, waren de studenten tamelijk tolerant. Een minister ‘knettergek’ noemen kan een handige debat-zet zijn immers. Ik heb geen van de debatteerders horen roepen dat dat ’taalverruwing’ was ofzoiets. Maar over het al dan niet mogen beledigen van moslims (denk aan kutmarokkanen en geitenneukers) ging het niet…
Verschenen: mini-columns in Oase
Net uit: Oase jaargang 2, nummer 3, met daarin van mij vier mini-columns over sport.
Communicatielogica voor gevorderden
Voor degenen die niet terugschrikken van tamelijk abstracte logica, zoals bijvoorbeeld gehanteerd in het schrijven en maken van presentaties bij McKinsey: http://stickyslides.blogspot.com/2009/12/mckinsey-flashback-logic-rhetoric-and.html is een interessante blogpost, soort overzichtsartikel van die logica. Máár zie wel mijn comment.
Veel herschrijven is geen probleem
Afgelopen zaterdag stond er in de Wetenschapsbijlage van de NRC een stukje, ‘Geestschrijven‘, van Piet Borst. Borst doet eerst zijn beklag over het slechte schrijven van zijn mede-wetenschappers. Daarna vertelt hij dat hij zijn eigen medewerkers ‘Politics and the English language’ gaf, een essay waarin George Orwell enkele regels geeft voor beter Engels. Hij gaf eens, zo gaat hij verder, een goed schrijvende student het advies om wetenschapsjournalist te worden Deze student verwierp dat eerst: het hoogste goed was onderzoek doen – maar later werd deze Felix Eijgenraam NRC-redacteur.
Daarna komt Borst to-the-point: hij vind geestschrijven, ghostwriting, in de wetenschap niet zo’n probleem, mits de onderzoeker zelf verantwoordelijk blijft voor de inhoud. Een goede schrijver kan die inhoud veel toegankelijker maken. Borst verwijst nog naar de discussie die in oktober in de NRC werd gevoerd over de stijl van wetenschappelijke teksten, ik schreef daar op dit weblog ook al over. Hij kiest, net als ik, partij voor Marita Mathijsen die stelt dat wetenschappelijk proza niet dor en stroef hoeft te zijn.
Een leuk stukje met een aantal rake uitspraken over schrijven. In het gedeelte over Orwell schrijft hij echter iets wat verraadt dat hij misschien wel veel eigen praktijkervaring heeft met schrijven en schrijvers, maar niet in de theorie zit. Hij schrijft namelijk:
Orwell had overigens ook problemen met schrijven, al zou je dat niet zeggen als je zijn boeken leest. Een promovendus, die gesticht was door het Orwell-opstel, gaf mij na zijn promotie een facsimile-uitgave cadeau van Orwells beroemdste boek 1984. In deze enorme foliant is te zien dat Orwell eindeloos herschreef. Praktisch geen zin uit de oorspronkelijke tekst is onveranderd in de gedrukte roman terechtgekomen. Schrijven is werken, zelfs voor Orwell.
Schrijven is werken, ja, helemaal mee eens. Maar veel herschrijven, eindeloos misschien zelfs, is geen ‘probleem met schrijven’ hebben, maar juist een kenmerk van goed schrijversschap.
Het is één van de vele misvattingen over schrijven dat goede schrijvers dat in één keer goed doen. Die misvatting heeft op sommige minder goede schrijvers een verlammende uitwerking: in één keer perfect lukt niet, dus laat dan verder maar. Een goede aanpak is juist om snel tot een niet-perfecte eerste versie te komen waarin de inhoud op de goede plek staat, en vervolgens te gaan schaven en slijpen. Net zo lang todat het er precies zo staat als jij wil en als wat goed is voor de lezer.
Alleen als ‘eindeloos’ betekent dat je in het herschrijven blijft steken en daardoor de deadline niet haalt, dan is het zaak om eens te kijken naar de effectiviteit van je schrijfaanpak. Voor de meeste schrijvende professionals is te veel en te lang herschrijven echter niet het probleem. Herschrijven houdt meestal niet veel meer in dan: de typfouten verbeteren.
Ik kom veel vaker tegen dat er geen tijd voor herschrijven is ingeruimd. Dat betekent dat de schrijver toch probeert het in een keer goed te doen, of een halffabricaat: die snelle eerste versie. Zo’n halffabricaat is meestal weinig lezergericht; teksten die onder druk van ‘in één keer goed’ tot stand zijn gekomen stroef: de moeizaamheid van het proces wordt in de tekst weerspiegeld.
Herschrijven is geen probleem, herschrijven is hartstikke nuttig. Ga maar na: zelfs George Orwell deed het…
