Leuk – deze reclame staat langs de A20 bij Schiedam, ik fiets daar regelmatig langs, en moet al weken dan steeds even lachen:
30 seconden??
Afgelopen donderdag schreef ik dat het mogelijk moet zijn om in een zakelijke tekst binnen 30 seconden de kern of hoofdboodschap te vinden. Dat roep ik ook wel eens in trainingen. Dan krijg ik vaak als reactie: ’30 seconden is wel héél kort’. Mijn reactie daarop:
- Denk eens aan een krant. Die raap je van de mat, je weet in één oogopslag wat het belangrijkste nieuws van de dag is. Dat kost dus, zeg, 0,1 seconde. Een adviesrapport is weliswaar een andere tekstsoort, maar 30 seconden is wel 300 keer zo lang! Dat moet dus toch echt wel kunnen lukken.
- Hoe veel tijd neem je zelf om alles wat je binnenkrijgt te lezen? Nou dan! En dat bedoel ik dan op twee manieren: (1) verwacht van je eigen lezer niet meer geduld dan je zelf als lezer hebt en (2) je bewijst je lezer een grote dienst als je je tekst zo efficiënt leesbaar maakt. Dat is een keuze: zo ziet echte lezer- en dus klantgerichtheid er in de praktijk uit. Als je dus klantgericht wilt schrijven, zijn die 30 seconden je doel.
En over die kranten dan nog even: daaraan kun je een voorbeeld nemen van hoe je een grote mate van leesefficiëntie kunt bewerkstelligen. Eén voorbeeld: de kop. Als krantenkop staat er ‘V-raad bijeen na aanval Israël’ (één van de twee koppen op NOS Nieuws van dit moment). Als de krant de koppen-gewoonte van de meeste adviesrapporten zou volgen, zou daar echter ‘Nieuws’ staan, of ‘Buitenland’… zo weinig inzichtelijk zijn immers hoofdstuktitels als ‘Conclusie’. Kranten gebruiken boodschaptitels – een uitstekend idee!
Verschenen: Fietsvrouwcolumn #58
Vandaag verschenen: Fiets met daarin gelukkig weer gewoon mijn column. Vorige maand was hij gesneuveld namelijk, bij gebrek aan ruimte doordat er te veel advertentieruimte was verkocht. Maar nu dus wel weer gewoon, over kwantitatieve en kwalitatieve verschillen in drijfveren tussen mensen.
Zoeken naar de kern
Ik hoorde nog een leuke anekdote van iemand (Tom, bedankt!) die als stadsverslaggever in Amsterdam had gewerkt. Het was zijn taak om de stapels disstertaties die ze op de redactie met regelmaat van de twee Amsterdamse universiteiten kregen aangeleverd, op de aanwezigheid van nieuws te onderzoeken. Daarbij ontdekte hij dat, zo er al iets nieuwswaardigs in het proefschrift stond, dat niet te vinden was in het laatste, meestal wat korte hoofdstuk ‘conclusies en aanbevelingen’. Die conclusies en aanbevelingen waren zo globaal en vaag dat een journalist er niets mee kon, en ze waren eigenlijk ook niet in relatie te brengen tot de probleemstelling van het onderzoek.
Toen zei hij:
De enige manier om het nieuws te achterhalen bleek het volledig doornemen en eigenlijk het analyseren te zijn van het veel langere, daaraan voorafgaande hoofdstuk, namelijk de resultaten. Daaruit kon je soms heel leuke dingen halen.
Tsja. Het sluit aan bij de ervaring die ik heb met slecht gestructureerde adviesrapporten. Dan sla ik de bladzij om naar de ‘conclusies en aanbevelingen’ en dan denk ik ‘huh, ging het daarom?’ Of ik laat trainingsdeelnemers de hoofdboodschap zoeken in zo’n rapport, en dan vinden ze hem niet, of ze vinden allemaal een andere…
Goed gestructureerde teksten… ze zijn zeldzaam! En één check die je zelf altijd kunt doen, is iemand anders de hoofdboodschap in je tekst te laten zoeken. Geef hem/haar daarvoor 30 seconden. Niet gelukt? Dan heb je nog werk te doen!
Inlevingsvermogen gaat twee kanten op
Op één van mijn andere weblogs schreef ik dit weekend een stukje over twee wielerboeken die voor mij verschillen in de mate waarin ik het besluit van de fietsende hoofdpersoon om op te geven kan meevoelen. Dan gaat het dus om de mate waarin ik me kan inleven in de hoofdpersoon. Hier wil ik er nog één gedachte aan toevoegen.
Het woord ‘inleven’ komt bij schrijven ook vaak andersom voor; ik zeg het bij trainingen wel tientallen malen: je moet je als schrijver kunnen inleven in de lezer. Als er één vaardigheid cruciaal is, dan is het wel dat. Het zit daarom zelfs achter de titel van mijn boek Adviseren met Perspectief: dat perspectief, dat is dat van de ander. In het boek werk ik een methode uit die, als je het goed doet, dat lezersperspectief in de tekst tot uitdrukking brengt. Het is een methode die je inleven als het ware afdwingt.
De twee verschillende vormen van inleven hebben alles met elkaar te maken. Om ervoor te zorgen dat ik me kan inleven in de hoofdpersoon, moet de schrijver zich kunnen inleven in mij als lezer: wat is wel invoelbaar, wat niet? Je moet je dan dus als schrijver kunnen voorstellen wat een lezer straks denkt, weet, voelt, ziet als hij/zij aan het lezen is, in vaktermen de ‘mentale representatie’ van de tekst. Dat wordt wel gezien als de hoogste kunst der schrijfvaardigheid, die alleen is weggelegd voor ervaren en goede schrijvers.
De methode in Adviseren met Perspectief is eigenlijk een soort trucje om toch lezergerichte adviesrapporten te kunnen schrijven als het je (nog) niet lukt om de mentale representatie van de lezer in te schatten. Omdat dat dus zo moeilijk is. Moeilijk, maar wel belangrijk. Inleven is tweerichtingsverkeer!
Nogmaals ik
Een tijdje geleden kondigde ik aan dat ik zou meedoen aan de ‘Middag van het ik’, een symposium op de Universiteit Leiden, en dat ik hier zou rapporteren wat die middag, afgelopen vrijdag, op zou leveren.
Welnu, dat was niet zo heel veel. Nouja, niet voor schrijvende professionals. Ik heb me zelf prima vermaakt. Ik kon me eigenlijk niet herinneren wanneer ik voor het laatst letterkundige praatjes bij had gewoond, bijvoorbeeld, en dat was wel weer eens leuk, bijvoorbeeld over de vraag wanneer een tekst een autobiografie is. Ook het interview met Hermans-biograaf Willem Otterspeer was boeiend en motiveerde me om weer eens wat meer van Hermans te gaan lezen – want ook daarvan kon ik me niet heugen hoe lang het geleden was.
Maar praktisch nut voor schrijvers in de praktijk was er niet zo veel. Het enige wat ik hier te melden heb, komt voort uit mijn eigen praatje, over het probleem van ik in zakelijke brieven. Ik had daar al eerder over nagedacht en op dit blog over geschreven. Er weer eens fris over nadenken leverde op dat ik nu scherper inzie dat als ik registeraccountants-in-opleiding uitdaag om ik te schrijven in hun brieven, ik hen uit drie comfort zones tegelijk trek:
- Het comfort van de conventie, de oude schoolmeester-schrijfwijsheden, voor wie ik in een zakenbrief taboe is – grappig genoeg ging het tijdens de Middag van het Ik ook nog over brieven uit de 17e en 18e eeuw, en daarin komt bijna geen ik voor, uit diezelfde conventie.
- Het comfort van het conformeren. Want ‘zo gaat het nou eenmaal bij ons op het kantoor’ of ‘zo hoort dat voor een register-accountant’ geeft natuurlijk ook de broodnodige veiligheid voor iemand die nog bezig is de hiërarchische ladder te beklimmen, oftewel: die midden in het socialisatieproces tot accountant zit.
- Het comfort van de veiligheid van de vakinhoud. Ik en ook u durven schrijven hoort bij het aangaan van een echte adviesrelatie, bij niet meer alleen de cijfers en getallen oplepelen, maar iemand persoonlijk verder helpen. Voor elke jonge adviseur is dat een beetje eng, want je bent van huis uit vakspecialist en nu moet je je met mensen bezighouden, een relatie aangaan.
Er zou hier misschien nog een vierde comfort zone achter passen: die van het juridisch ingedekt zijn. Dat is immers wat er zo vaak geroepen wordt ter verdediging van stroef schrijven: anders is het niet juridisch waterdicht. Maar als je daar goed naar gaat kijken, met een jurist erbij, kan er eigenlijk altijd best wel wat (dat blijkt ook uit onderzoek): waar een wil is, is een weg. Het roepen van ‘zo moet het want anders is het niet juridisch waterdicht’ is een teken van weerstand tegen verandering, van verzet tegen die drieledige bedreiging van de zekerheid en veiligheid van de nog relatief onervaren schrijvers.
Het lijkt zoiets kleins: ik gebruiken of niet in een brief. Maar er zit veel achter. Vandaar ook dat het zo veel oproept in trainingen. Het stukje dat ik schreef in juli 2008 was gebaseerd op een zeer verhitte discussie in een training. Ik begrijp steeds beter waarom de emoties toen zo hoog op konden lopen…
Poëzie-therapie
Leuk berichtje: http://www.schrijvenonline.org/nieuws/doktoren-schrijven-voor-lees-en-schrijf-poezie
(overigens: het zien van d/t-fouten verhoogd mijn welbevinden niet.)
Freewriting lezergerichtheid?
Even een lijntje leggen van eergister naar eerder deze maand. Gister constateerde ik dat lezergerichtheid hartstikke lastig is, en dat zie ik ook om me heen als ik schrijftrainingen geef. Dieptepunt daarvan was die keer dat een deelnemer verzuchtte ‘ik heb me nooit eerder gerealiseerd dat je bij het schrijven rekening moet houden met een lezer’.
Aan de andere kant sluipt lezergerichtheid er heel makkelijk in. In de cursus creatief dagboekschrijven die ik begin deze maand volgde, was het nadrukkelijk de bedoeling echt alleen maar voor jezelf te schrijven, het zogenaamde free writing. Maar je kreeg wel de kans om na dat schrijven de tekst voor te lezen. Dat hoefde niet, je mocht passen, maar het wel doen werd aangemoedigd.
Mij viel op dat de voorleesmogelijkheid het schrijven onmiddellijk beïnvloedde. Ik merkte het zelf, en de eerste die voorlas, las ‘… zoals Peter, mijn zoon van 17, zei…’ Het stukje tussen komma’s zou je bij freewriting nooit toevoegen. Je weet wie Peter is, immers. De toevoeging staat er alleen maar omwille van het publiek. Terwijl je alleen maar voor jezelf hoefde te schrijven!
Hoe kan dat nou: als het moet, lukt het niet, en als het niet hoeft, gaat het vanzelf. Vanwaar dat verschil? Ik denk aan twee dingen:
- De directe nabijheid van de lezer maakt verschil. De tekst over Peter werd geschreven in aanwezigheid van de ‘lezers’, de andere cursisten, en ook onmiddellijk aan hen voorgelezen. Dat helpt natuurlijk: de lezer is geen abstractie.
- Bij schrijven ‘om het echie’ staan tussenliggende gedachten lezergerichtheid in de weg. Daarmee bedoel ik dat schrijvers in de praktijk vaak worstelen met allemaal dingen die moeten en niet mogen in hun teksten die niets met de lezer te maken hebben. Om er een paar te noemen: ik moet wel echte schrijftaal gebruiken, ik mag geen ik gebruiken, mijn tekst moet wel juridisch waterdicht zijn, ik mag geen spelfouten maken, ik moet wel als serieuze adviseur overkomen, ik moet het net zo doen als mijn baas, enzovoort, enzovoort. Door het ‘geweld’ van al die belemmerende gedachten gaat de natuurlijke, vanzelfsprekende lezergerichtheid verloren.
Door dat tweede punt treedt er dus een paradox op: juist door alleen voor jezelf te schrijven, verdwijnen al die moetens en mag-niets naar de achtergrond, en wordt die tekst lezergerichter. De kunst van lezergericht schrijven is dus dat je dingen afleert; belemmerende overtuigingen los laat. En dat je je interne criticus het juiste werk laat doen: wel letten op de inhoud, wel letten op lezergerichtheid. Free writing kan daarbij helpen; het is een manier om de interne criticus te temmen.
De ervaring van mijn trainingsdeelnemers sluiten hierbij aan. Als ze oefeningen met free writing doen, is de reactie elke keer weer: ‘Hé, dat is makkelijk, dat is leuk, en het is helemaal niet slecht geschreven… maar wel heel anders dan het echte schrijven’. Nou, dat laatste, dat hoeft dus niet!
Lezergerichtheid, wat is het toch lastig…
Zo af en toe post ik op dit blog iets over schriftelijke communicatie waarvan ik de ontvanger ben. Dan ben ik dus ineens niet schrijver of adviseur, maar een doodgewone lezer. En dan denk ik dus wel eens: nou, zo moet het níet. En dat is weer leerzaam voor als ik weer schrijver of adviseur ben. Tenminste, als ik bedenk hoe dan wél natuurlijk…
Laatst was het weer eens raak. Ik ben bezig met het verkopen van een huis uit een nalatenschap (ik ga dus niet zelf verhuizen). Op 1 juni is de overdracht. Begin deze maand kreeg ik een mailtje van de makelaar met als onderwerp het adres van het huis, laten we zeggen: Dingesstraat 32. Daar gaat het al fout, want dat is een voor mij nietszeggend onderwerp. Het klinkt een beetje alsof ik naast Dingesstraat 32 ook nog Dangeslaan 84 en Zus-en-zo-hof 37 in de verkoop heb. Maar dat is niet zo. Ja, voor de makelaar. Dat verraadt de overweging bij de keuze van het onderwerp: dat is gericht op de zender, niet op mij als ontvanger. Voor mij was ‘de overdracht nadert’ of iets dergelijks beter geweest.
In de tekst van het mailtje staat alleen ‘zie bijlage’. Wel met vriendelijke aanhef en groet, maar toch: jammer dat ik nu een extra handeling moet verrichten. Hoezo niet meteen in het bericht zeggen wat je te zeggen hebt?
In de bijlage staat iets over een inspectie, wat enigszins verrassend was, want van een inspectie vlak voor de verkoop had ik nog nooit eerder gehoord, maar goed. Dan gaat de tekst verder met:
U dient uw verhuizing zo snel mogelijk bij <Energiebedrijf> te melden. De meterstanden nemen wij samen met de koper tijdens de inspectie op. Als de koper geen inspectie wil dient u zelf de meterstanden op te nemen en aan <Energiebedrijf> door te geven.
Uhm, tsja, nou weet ik niet wat ik moet doen: de meterstanden doorgeven of niet? Dat is al verwarrend, en het is ergerlijk omdat ik had begrepen dat de makelaar dat sowieso zou doen. Nu klinkt het als: als we vanwege de koper toch niet naar het huis hoeven te komen, zoekt u die meterstanden zelf maar uit! En die eerste zin, die is ook mis: verhuizing? Het gaat niet om een verhuizing, maar om het ‘opdoeken’ van een huis en een aansluiting. Waarom krijg ik zo’n standaardbrief?
Eén alinea, meerdere vragen, dus moet er een mailtje terug, én irritatie. Knap om dat allemaal op te roepen in zo’n kort stukje tekst!
Ik stuurde het mailtje door aan de andere belanghebbende, mijn broer. Hij zei even later: “Vervelend om zo’n standaardbrief te krijgen, zoals dat over het omzetten van de opstalverzekering, erg onpersoonlijk”. Opstalverzekering??? Wat bleek: ik had alleen pagina 1 gezien van de bijlage; er was ook nog een pagina 2! De eerste pagina eindigde op een logische inhoudelijke plek met daarover een heleboel wit, dus ik had klakkeloos aangenomen dat dat alles was. Ik moest scrollen voor de tweede pagina, en dat had ik over het hoofd gezien. Op die tweede pagina stond inderdaad:
Vergeet uw nieuwe woning niet te verzekeren tegen brand- en stormschade: de opstalverzekering. Het gebeurt in de drukte rond de overdracht nog wel eens dat dit wordt vergeten.
Uh, ja. Maar we gaan niet verhuizen. Dus ja, dat is inderdaad onpersoonlijk. En we zijn toch echt niet de enigen die een huis verkopen uit een nalatenschap, zoiets komt vaker voor. Hoe veel moeite is het dan om de tekst daarop aan te passen?
Wat leren we hier nu van? Twee adviezen:
- Gebruik standaardbrieven (hartstikke nuttig/efficiënt) alleen in echte standaardsituaties en ga dat altijd even na. Zo niet: aanpassen. En als je de aangepaste brief vaak nodig hebt, kun je er een aparte standaardbrief van maken.
- Leef je in in de positie van de ontvanger. Zowel voor wat betreft de inhoud (maak glashelder wat de lezer moet doen/weten) als voor wat betreft de vorm (tekst in mail is handiger dan nog een keer apart moeten klikken om een attachment te openen; attachments zijn nuttig, maar niet als er in het bericht alleen ‘zie bijlage’ staat) en de kleine dingetjes (naam onderwerp). Lastig, lastig, maar cruciaal voor goede, dienstverlenende, klantgerichte communicatie!
In het verlengde van het laatste punt: het blijft confronterend om te zien hoe gemakzuchtig lezers zijn. Ik had natuurlijk kunnen zien aan de balk aan de zijkant van mijn schermvenster dat ik naar de tweede pagina had moeten scrollen – maar ik heb dat gewoon gemist. Dat lag in dit geval misschien aan mij, maar ik ben in dit opzicht geen heel afwijkende lezer. Als zoiets fout gaat, is er dus iets fout in de communicatie. Oftewel: ook rekening houden met gemakzucht hoort bij lezergericht schrijven.
Wanneer had ik die tweede pagina wel gezien? Als de tekst in het mailtje had gestaan waarschijnlijk, of als er duidelijke aankondigers als ‘Hieronder de vier belangrijkste punten op een rijtje’ in hadden gestaan. Dan had ik geweten dat ik er met twee punten nog niet was. Een iets betere lay-out had ook al gewerkt: de grote witruimte onderaan de pagina zette me op het verkeerde been.
Verder zijn we wel tevreden over de makelaar, hoor! En het is ondertussen allemaal opgelost: zij doen sowieso de meterstanden.
Slotweek in de taalbeheersing
Deze week was de laatste collegeweek van het vak over de methodologie van de taalbeheersing dat ik in Leiden gaf; ik schreef er al een paar keer eerder over. Of liever gezegd: ik probeerde al een paar keer eerder de vertaalslag te maken van zo’n op de wetenschap gericht vak naar de praktijk. Dat was nog wel eens lastig.
Dat de taalbeheersing relevantie heeft voor de praktijk, mag je eisen. Alleen is het zo dat er ook wel eens fundamenteel of theoretisch onderzoek moet gebeuren dat hopelijk op de lange termijn praktisch nut zal opleveren. Wat die ‘lange termijn’ is, is onduidelijk: soms lijkt het praktisch nut wel heel ver weg; de ene taalbeheerser heeft meer geduld dan de ander. In het slotcollege dat ik samen met collega Henrike Jansen afgelopen dinsdag gaf, was dat één van de thema’s.
Dus we hebben het wel over de praktijk gehad, maar een nieuwe tip of inzicht leverde dat niet op – daar was het het college niet naar. Het was echt een synthese van de stof van het hele vak, aan de hand van stellingen die deels gebaseerd waren op inbreng van de studenten, en deels op een prikkelend overzichtsartikel.
Een ander onderdeel van het vak was het bijwonen van een taalbeheersingslezing. De sectie organiseert drie van die lezingen per jaar, en de studenten van dit vak moesten er minstens één bijwonen. De eerste heb ik zelf helaas gemist, die was van de Argumentenfabriek en daar was ik wel nieuwsgierig naar, maarja, ik zat in Canada.
Gisteren was er een lezing van Peter Jan Schellens over de toon van het politieke debat – iets wat mooi aansloot, zowel bij het methoden-vak als bij het debatteren-vak dat ik vorig semester gaf. Het onderzoek bevindt zich nog in een eerste, explorerende fase. ‘Toon’ is bijvoorbeeld een lastig te definiëren iets. Toch was er al wel iets over te zeggen: het lijkt erop dat een ‘hoge toon’ (denk aan: heftige debatten) zich kenmerkt door enerzijds geïntensiveerd taalgebruik (een containerbegrip – er vallen woorden als zeer en uitermate of woorddelen als knetter- in knettergek onder, maar ook metaforen en werkwoordelijke uitdrukkingen en dergelijke onder), en dan vooral de negatieve variant daarvan (dus niet reuzeleuk) en anderzijds het gebruik van drogredenen, vooral drogredenen die de andere partij in de verdediging drukken of die suggereren dat de andere partij moreel inferieur is. Daartoe zijn vooral drogredenen als het ad hominem, de stroman en het ad misericordiam geschikt. Je zou zulke drogredenen interactief kunnen noemen: ze doen vooral iets met de andere partij.
Lastig aan de analyse van verhitte debatten is dat het venijn soms zit in dingen die niet gezegd worden, maar alleen maar gesuggereerd. Geert Wilders maakt op dit moment gebruik van ‘Henk en Ingrid‘, de ‘hardwerkende Nederlanders die het niet cadeau krijgen’. Suggestie: er zijn dus mensen in Nederland, die het wél cadeau krijgen. Hoe breng je zoiets onder in een analyse van het taalgebruik? En hoe tel je dat – als je kwantitatief onderzoek wil doen? Dat vergt nog nader onderzoek…

