Al vaker over gehad: dat schrijven goed is voor de geestelijke gezondheid. Wordt binnenkort weer eens aangetoond, of liever gezegd: het is al aangetoond, de promotie volgt nog. http://applicaties.csc.uu.nl/uupona/bekijkpromotie.cfm?npromotieid=2783
Categorie archieven: schrijftips
Wetenschappelijke teksten tussen saai en stijlvol
Interessante discussie in NRC Handelsblad. Die begon in september met publicatie van een lezing van Marita Mathijsen waarin zij betoogt dat wetenschappelijke teksten ervan zouden opknappen als de schrijvers zich zouden bedienen van meer literaire middelen: persoonlijker, meer stijlfiguren en retorische middelen, een grotere helderheid, meer creativiteit.
Afgelopen zaterdag stond er een reactie van Ad Lagendijk in de krant. Hij betoogt dat wetenschappelijk proza juist zo stereotiep mogelijk moet zijn, opdat bijvoorbeeld ook lezers waarvan Engels (want daarover gaat het natuurlijk vooral) niet de moedertaal is ermee uit de voeten kunnen. Wetenschappers leren juist een kenmerkend soort clichés aan, steriel en vol met jargon. Buitenstaanders vinden dat maar niks, maar daar zijn zulke teksten dan ook niet voor geschreven.
Mathijsen reageert op haar beurt weer. Zij verduidelijkt dat ze niet pleit voor ‘mooischrijverij’, maar in de eerste plaats voor helderheid. Daarnaast is beheersing van stijl en kunnen variëren gewoon vakmanschap.
Ik ben geneigd om met Mathijsen mee te gaan. Mij valt op aan onervaren wetenschappelijke schrijvers (en overigens ook in het bedrijfsleven) dat zij een overtrokken idee hebben van neutraliteit en objectiviteit. Mathijsen schrijft dat élke schrijver, ook de allersaaise beta-schrijver, aan de lopende band beslissingen neemt over de positionering van de feiten in de tekst. Totale neutraliteit/objectiviteit bestaat bij schrijven niet (überhaupt niet, maar dat terzijde). Panische angst voor kleur bekennen leidt tot het meest kleurloze proza mogelijk. En daar zitten schrijvers hun lezers wel degelijk mee dwars.
Een paar jaar geleden las ik met een groepje post-HBO-studenten Nederlands een ‘echt’ wetenschappelijk artikel, hun eerste. Het ging om taalkunde. Het was in het Nederlands, dus dat was het probleem niet. En dom waren die studenten ook niet. Toch hadden ze enorme moeite gehad met het artikel. Ze konden feilloos aanwijzen waar hem dat in zat: de grote complexiteit van de zinnen. We namen er een paar onder de loep, en inderdaad: er zaten zinnen in van het type dat Mathijsen omschrijft als ‘schuurpapier’. Haar voorbeeldzin analyseert ze als volgt:
Driemaal ‘in’ binnen vijf woorden, daarna een beknopte bijzin met daarin nog een bijstelling gewrongen.
Wie heeft daar baat bij? Niemand toch? Ook iemand die een tekst leest in een taal die niet zijn moedertaal is.
Mij lijkt het een zaak van vakmanschap om complexe gedachten begrijpelijk op te schrijven. Want dat was de indruk van de studenten, en ik moest hen gelijk geven: iemand die zo ingewikkeld schrijft, wil vooral heel slim overkomen. Dat anderen gaan denken: tsjonge, wat ingewikkeld, zeg, wat heeft die man complexe gedachten!
Anders gezegd: er zit veel egovertoon in wetenschappelijke teksten. En/of angst, voor subjectiviteit of om niet serieus genoeg genomen te worden. Plus wat groepsgedrag: ‘wie dit kan lezen, hoort bij onze club’. Dat zijn op zich legitieme belangen van de schrijver. Van de _schrijver_. Een lezer is meer gebaat bij waar Mathijsens voor pleit: stijl.
Koppen van verslagen
Vorige week gaf ik een workshop aan een vrijwillige redactie van een vakblad. Een onderdeel daarvan was het maken van koppen: titels en tussenkoppen. Koppen heb je in verschillende soorten en maten. Er zijn vanuit de lezer gedacht twee hoofdcategorieën: de ene categorie koppen helpt de lezer bij het doorgronden van de structuur van de tekst, de andere prikkelt de lezer tot verder lezen.
Om met die laatste categorie te beginnen: die kennen we vooral uit roddelbladen. De kop is het meest spectaculaire woord uit de tekst eronder. Je vindt dan tussenkoppen als heftig, schokkend en liefdesbaby, en in de hoofdkop wordt vaak een vraag gesteld die heel wat oproept, maar waarop het antwoord in een hoekje van het artikel meestal nogal teleurstellend wordt beantwoord (‘Ziet Máxima het niet meer zitten?’). Als vakblad kun je met dat soort koppen wel eens een keertje spelen, maar je moet niet doorschieten richting Privé natuurlijk.
De eerste categorie is bruikbaarder. Structurerende koppen heb je ook weer in twee soorten. De ene soort duidt alleen de functie aan van de tekst eronder. In een rapport zijn dat koppen als inleiding en conclusie; in een vakblad bijvoorbeeld mededelingen en van de redactie. Dat zijn prima koppen voor rubrieken.
De tweede soort geeft iets van de inhoud weg. Dat kan ook weer op twee manieren: door het onderwerp te benoemen of door de boodschap kort te geven. Koppen die een boodschap geven kennen we allemaal heel goed: die staan in elke krant. De kop geeft een mini-samenvatting in telegramstijl van het belangrijkste nieuws dat in het artikel verder wordt uitgewerkt. Voordeel daarvan is dat je als lezer met haast kunt ‘koppen snellen’ en zo heel snel een indruk kunt krijgen van het belangrijkste nieuws. Als een kop je aandacht trekt, lees je verder. Dit soort ‘boodschaptitels’, ook bruikbaar voor hoofdstukken en paragrafen, helpt daarom een haastige lezer het meest: ze stellen de lezer het beste in staat zijn eigen leesproces te sturen.
Koppen met alleen een onderwerp doen dat ook wel, maar minder. De mate waarin ze het doen hangt af van de precisie waarmee ze zijn geformuleerd. Een kop met alleen het onderwerp kun je formuleren door in te vullen ‘dit artikel gaat over ….’ Hetzelfde artikel kun je dan als kop meegeven ‘De G20-top in Pittsburgh’ maar ook ‘wat Obama voor interessants zei op de G20’. In beide gevallen weet je waar het artikel over gaat, in het tweede geval weet je zelfs dat Obama iets interessants gezegd heeft – maar je weet nog steeds niet precies wat.
In het vakblad van deze workshop komen veel verslagen voor van congressen. Daar zou een tekstfunctiekop boven kunnen staan: verslag. Maar dan heb je in één tijdschrift misschien wel drie artikelen met dezelfde kop. Dat werkt dus niet, en de lezer schiet er niet zo veel op. Verslag waarvan dan? Tot nu toe heeft de redactie vooral gekozen voor koppen die lijken op ‘G20-top in Pittsburgh’. Dan weet je als lezer over welke bijeenkomst het verslag over gaat – maar meer ook niet.
Met de redactie hebben we op de workshop overlegd of het mogelijk is om te komen tot krantenkoppen boven dit soort artikelen. En toen stuitten we meteen op een volgend probleem. De meeste artikelen zijn namelijk heel ‘brave’ verslagen van wat er op zo’n congres gebeurd is – notulen bijna. Zo van:
Eerst kwam spreker X en die had het daar-en-daar over en dat werd heel enthousiast ontvangen. Toen was het tijd voor pauze waarbij je kon rondkijken bij een paar interessante stands. Vervolgens kwamen de workshops. De workshop Y werd druk bezocht. De deelnemers konden daar leren hoe je Z. Na een smakelijke lunch begon het middagprogramma.
Enzovoort. Probeer je maar eens voor te stellen hoe dát eruit zou zien in jouw krant als het zou gaan over de G20… Zo werkt het dus niet.
En dan schuift dus het probleem van een aspect van de redactionele bewerking (‘koppen maken’) naar het voorbereiden van het schrijven schrijven. Als een schrijver geen reliëf aanbrengt in de tekst, kun je geen boodschaptitel bedenken. De hoofdkop leid je immers af van de hoofdboodschap van de tekst. En die moet er dan dus wel in zitten! Schrijvers moeten het lef hebben om aan een verslag van een bijeenkomst een eigen draai te geven. Ze zijn geen notulist, maar journalist.
Voor de redactie van een vakblad betekent dat dat er op dat vlak een taak voor ze is weggelegd. Voordat een auteur gaat schrijven, geeft de redactie aanwijzingen: ga niet slaafs rapporteren wat er gebeurt is, volg niet per se de chronologie, werk niet elk onderdeel tot in de puntjes uit. Ga naar zo’n dag toe, maak aantekeningen, leg die vervolgens weg en ga los daarvan eerst eens nadenken: wat was nou het interessantste? Wat heb ik geleerd? Waar hebben mijn vakgenoten het meest aan? Op z’n journalistieks gezegd: wat was nieuwswaardig? Dát wordt de kern van het stuk. De rest schrijf je daar dan omheen. Aan het eind mag je dan best ook nog even noemen wat er verder op de dag gaande was en hoe leuk en gezellig het was. Maar wel in die volgorde.
Als een schrijver dat goed doet, is het maken van een boodschaptitel (krantenkop) een koud kunstje. Maar het betekent dus dat de taak van de redactie verschuift van alleen maar nabewerking van kopij die de auteur aanlevert naar al vooraf instructies geven over de aard van het artikel. Dat past bij de professionalisering van een blad. In het begin zijn vakbladen vaak al blij met alles wat ze krijgen, en ze slaan daar een veredeld nietje doorheen. Als een vakblad groeit, en dat is met dit blad het geval (het vakgebied zit in de lift), wordt het zaak meer een eigen stempel te gaan drukken. Auteurs gaan dan best wel iets mogen ‘moeten’, en eventueel kunnen artikelen zelfs afgewezen worden.
Een simpele oefening ‘koppen maken’ leidde op deze manier in de workshop tot een discussie over het beleid van het blad. Dat was een belangrijke discussie om te voeren. Als mijn workshop een bijdrage heeft kunnen leveren aan de professionaliserig van het blad, ben ik dik tevreden.
Schrijven met de hand is goed voor je
In Onze Taal van deze maand stond een ingezonden brief namens het Platform Handschriftontwikkeling die mijn interesse trok. Er stond in dat wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat schrijven met de hand een positieve invloed heeft op ons emotionele welbevinden. Ik heb het platform gevraagd hoe dat zat, en kreeg per e-mail een uitvoerig antwoord.
Het Platform is voorstander van het handhaven van handschrijfonderwijs. Eén van de argumenten daarvoor is:
Het handschrift is een vol-strekt eigen manier van bewegen. Emoties beïnvloeden onze manier van bewegen. Grafologen en schrijfpedagogen signaleren blokkades in de bewegingsstroom. Met schrijfbewegingstherapie wordt het eigen ritme teruggevonden, het zelfvertrouwen herwonnen. In kinderhandschrift kunnen problemen gesignaleerd worden voordat kinderen vastlopen. Ook naast en na psychologisch onderzoek kan de schrijftherapeut een waardevolle bijdragen leveren.
Ook voor volwassenen kan met de hand schrijven heilzaam zijn. Eén van de bronnen is volgens het Platform dezelfde Pennebaker als waar ik het eerder op dit weblog al eens over heb gehad, en die aangehaald wordt door een neuropsychologe, Margriet Sitskoorn. Die betoogt dat schrijven met de hand een positieve prikkel kan zijn voor het ouder wordende brein. En volgens David Servan-Schreiber, professor in de klinische psychiatrie aan de universiteit van Pittsburg, is het mogelijk om stoornissen als stress, angst en agressie zelf te genezen, door controle te krijgen over het eigen emotionele brein, bijvoorbeeld door middel van schrijftherapie.
Achtergrond van de heilzame werking van schrijven met de hand is wellicht dat ons handschrift onze emoties óók weerspiegelt, en wordt beïnvloed door alles wat we in ons leven meemaken.
Ik schrijf inmiddels alweer jaren elke dag een stuk met de hand (‘morning pages‘), en vaar daar wel bij. Met de hand schrijven herontdekte ik toen ik in 2000 mijn hand gebroken had en een tijd niet veel kon typen. Ik was verrast door het grote verschil met typen: de vloeiende lijnen, in plaats van het hakketakketak van typen. Goed om te lezen dat het ook nog eens goed voor me is!
En voor de zakelijke schrijvers: met de hand schrijven is een prima manier om de eerste versie te maken, de vlot doorgeschreven tekst waarin de inhoud op de goede plaats moet komen, meer niet. Redigeren en overtypen gaat in één moeite door en leidt niet tot veel tijdverlies. En dus wel tot emotioneel welbevinden.
Van de andere kant
Een tijdje geleden had ik weer eens directe ervaring met een adviesrapport vanaf ‘de andere kant’. Meestal begeleid ik de schrijvers ervan, dit keer was ik een ontvanger. We hadden namelijk advies gevraagd over onze fundering, want we meenden een toename te zien in de scheuren in de muren van ons (oude) huis. Er kwam dus een adviesbureau funderingsonderzoek doen, en enige tijd later ontvingen we hun rapport.
Het rapport was, zo zag ik meteen, gestructureerd op de ’traditionele’, methodologische manier. De hoofdstukken heetten namelijk ‘Inleiding – Gegevens – Analyse – Conclusies en aanbevelingen’. Dus wat doe ik? Ik blader meteen door naar het einde. Ik wil namelijk weten of er iets aan onze fundering moet gebeuren en ook, met enige spanning, hoe veel dat dan gaat kosten. In hoofdstuk 4 staat dit:
De funderingsconstructie van de woning verkeert in redelijke staat. De woning heeft in het verleden ongelijkmatige zakkingen ondergaan die als groot worden beoordeeld.
Gezien de funderingssituatie van het pand en de aangetroffen bodemopbouw wordt verwacht dat bij de vervanging van de riolering het evenwicht verstoord zal zijn ten gevolge van tijdelijke ontspanning van het bodempakket. Verwacht wordt dat na enige tijd een nieuwe evenwichtssituatie tot stand zal komen.
Niet duidelijk is of inmiddels een stabiele eindsituatie bereikt is. Om hierover meer inzicht te krijgen wordt geadviseerd de woning gedurende een langere periode te monitoren door middel van het aanbrengen en periodiek inmeten van enkele meetboutjes.
Opgemerkt wordt dat gezien de naar verwachting verschillende funderingsconstructies bij de kerk en de woning er ook in de toekomst een risico bestaat dat opnieuw scheurvorming op de aansluiting tot stand kan komen. Om dit risico te beperken wordt geadviseerd een dilatatieconstructie aan te brengen.
Ik kon dit bijna helemaal begrijpen. Wat er staat, is namelijk een bevesting van wat we zelf al dachten op basis van gesprekken met mensen die er een beetje kijk op hadden, en ook wel van wat we een beetje hoopten: veel minder slecht nieuws dan bijvoorbeeld paalrot.
Het staat er wel veel formeler en afstandelijker dan nodig was. Er had best iets persoonlijkers mogen staan als: ‘Het onderzoek bevestigt uw vermoeden’ – iets wat het echt naar ons perspectief had toegeschreven. Dan was het niet een verslag van een soort quasi-wetenschappelijk onderzoek, maar echt adviseren, wat immers iets persoonlijks en relationeels is. En dan had ik de ‘so-what’ ook sneller opgepikt, want nu kostte het me toch wel even moeite om te ploegen door het jargon (van die omslachtige dingen als funderingssituatie, wat gewoon fundering is, en ‘ontspanning van het bodempakket’ – brrr) en de afstandelijke en abstracte formuleringen (let op de vele passieven!).
Eén ding snapte ik niet, en dat was het woord dilatatieconstructie. Google hielp daar ook niet echt bij. Da’s een tamelijke blunder van een adviseur: een woord gebruiken dat de uitsmijter onbegrijpelijk maakt. Inmiddels weten we wel wat het is: het ‘losmaken’ van de verbinding tussen ons huis en de kerk ernaast. Iemand op het werk van mijn man kon dat uitleggen. Maar zo moet het natuurlijk niet.
Hoofdstuk 1, 2 en 3 heb ik nooit gelezen. Deze conclusie paste immers in het plaatje, en de rest zal wel. Als het op dezelfde manier geschreven is, en ook nog met veel data erin, snap ik het toch niet.
Dus, wat leer ik van deze leeservaring? Dat een geadviseerde op zoek gaat naar een antwoord op zijn/haar meest brandende vraag, niet geïnteresseerd is in de methodiek van het onderzoek, en dat antwoord graag zo precies mogelijk geformuleerd wil krijgen. Dat mag persoonlijk, en het moet begrijpelijk. En dat is een hele kunst!
Alle begin is moeilijk
Op dit weblog heb ik het vaker gehad over beginnen – over het begin van een brief. Vandaag nog maar eens een keertje, want ik kreeg een brief met een opvallend begin onder ogen. De brief is van een plaatselijke politieke partij. Hoofdboodschap is het verzoek je kandidaat te stellen voor de gemeenteraadsverkiezingen. De brief laat zien wat er zo moeilijk is aan beginnen:
Als u deze brief op uw mat vindt, bent u mogelijk net terug van vakantie en kijkt u weer uitgerust en met frisse moed naar wat u te wachten staat. Of u heeft nog een vakantie tegoed en bent nu de laatste dingen nog aan het afronden. Hoe het ook zij, ik wil het met u hebben over <partij> en de uitdagingen die voor ons liggen met (deel)gemeenteraadsverkiezingen in het verschiet.
Enerzijds doet deze brief het heel goed: het is geen cliché-opening, maar juist bedoeld als menselijk en persoonlijk en ook alleen maar mogelijk in deze tijd van het jaar, dus maatwerk. De schrijver doet duidelijk een poging aan te sluiten bij de belevingswereld van de ontvanger. Hartstikke goed.
En toch gaat het fout. Om twee redenen:
1. De relatie tussen opening en thema van de brief is vergezocht. De poging aan te sluiten bij de belevingswereld is loffelijk, maar de draai naar het thema gezocht en geforceerd. Vakantie heeft immers niet veel te maken met de gemeenteraadsverkiezingen. De schrijver is zich daar vast vagelijk van bewust geweest, want het bruggetje tussen opening en aankondiging van het thema is veelzeggend: Hoe het ook zij. Dat is bijna zoiets als ‘and now for something completely different’, of: en nou stoppen met ouwehoeren en ter zake komen.
2. Het begin sluit mogelijk lezers uit. Deze schrijver kent zijn lezers niet persoonlijk en moet daarom een gok doen naar wat hen bezighoudt. De meesten zullen net met vakantie geweest zijn, maar niet allemaal. Ook dat heeft hij zich gerealiseerd, vandaar de mogelijk in de eerste zin, de tweede zin met een alternatief, en het ‘hoe het ook zij’ in zin drie is zo op te vatten. Het kan nog heel anders zijn immers. De brief kan óók terechtkomen bij mensen die heel graag op vakantie hadden gewild, maar er geen geld voor hadden of ziek waren. Of die van de winter weg zijn geweest. Of die geen interesse hebben in vakantie. Het begin is dus ook riskant: een aantal lezers zal ‘uh…’ denken. Velen daarvan zullen bereid zijn om mee te gaan met de meerderheid en snel doorstomen naar waar de brief ter zake komt. Maar sommigen zullen afhaken. Soortgelijke risico’s nemen schrijvers die beginnen met ‘zoals u wel weet…’: een misser als er lezers tussen zitten die het níet wisten.
Merk op dat de poging van de schrijver om beide problemen op te lossen, tot een boel extra woorden leidt – tot wolligheid. Bij een scherp gekozen openingszin kan het al in de eerste of tweede zin over de gemeenteraadsverkiezingen gaan, en dat scheelt een boel woorden. Uit het vervolg van de brief blijkt dat deze schrijver nogal een handje heeft van het creëren van een woordenbrij: de brief is lang en het is zoeken tussen al die woorden naar de essentie. Het begin is ook daarvan een symptoom.
Hoe kan het anders? Volgens mij heel simpel. Het logo van de partij staat al op de envelop en bovenaan de brief. De lezer verwacht dan niets over vakantie, en dus kan je gewoon meteen ter zake komen:
In maart 2010 zijn er weer gemeenteraadsverkiezingen. U gaat vast stemmen, maar heeft u er wel eens aan gedacht dat u ook verkozen kunt worden? [of, zakelijker: ‘<partij> zoekt nog kandidaten voor de (deel-)gemeenteraden en wil u daarom met deze brief vragen kandidaten aan te melden’]. In deze brief kunt u lezen wat dat inhoudt [of andere inhoudsaankondiger].
Lezen met hindernissen
Gister was de dag van de kleine obstakels bij het lezen – van die dingen waar je even over na moet denken. Het gebeurde op vier plekken:
1. Op de site van Schrijven las ik een aankondiging voor een cursus Stipvertalen. Ik denk: stipvertalen, wat is dat? Ik ga lezen, en dan blijkt er een r in te ontbreken: het gaat om stRipvertalen. Aha! Blijft nog steeds beetje typisch woord, maar nu begrijp ik het wel. Inmiddels is de titel trouwens verbeterd, maar de oude schrijffout is nog zichtbaar in de URL: http://www.schrijvenonline.org/nieuws/elv-geeft-cursus-stipvertalen
2. Ik kreeg een nieuwsbrief van een groep coaches waarvan ik er één ken. BIj snel scannen wat zij doen, bleef ik twee keer haperen:
- Ik struikel over het woord empowerbility (p. 4). Ik ken employability en empowerment, maar deze combi ken ik niet. Moet het dan niet empowerAbility zijn? Ik begrijp de betekenis van het woord wel, al weet ik niet helemaal zeker wat het vermogen tot empoweren je oplevert, dus wat empowerbility meer is dan empowerment – en de woordvorming blijft lichte kortsluiting in mijn hoofd geven (terzijde: dezelfde kortsluiting die ik nog altijd ervaar bij verkeershinder: ik snap het wel, maar toch klopt het niet). Google kent overigens empowerbility noch empowerability.
- Verderop gaat het over een workshop over het doorbreken van het gekleurde plafond (p. 7). Opnieuw iets wat ik wel begrijp, maar wat toch niet klopt. Het kostte me enig denkwerk om precies te doorgronden wat de kortsluiting opleverde: ook voor ‘gekleurde’ mensen is dat plafond van glas. De onzichtbaarheid en daardoor onbespreekbaarheid ervan is juist de essentie van het verschijnsel. Gekleurd plafond is goed bedoeld, maar toch een rare term. Was het maar gekleurd!
Overigens begrijp ik dat de term vaker gebruikt wordt. Maar als het roze, zwarte en groene plafond bestaan, dan moet het voor vrouwen ook niet van glas genoemd worden. Wie (bij de overheid?) verzint zulke termen?
3. ’s Avonds las ik in de Vogelvrije Fietser, het blad van de Fietsersbond, een ingezonden brief over de kant van het fietspad waar voetgangers het veiligste kunnen lopen. Interessant onderwerp, maar wat de briefschrijver bedoelde, kon ik niet achterhalen, onder andere door deze zin:
Door het snelheidsverschil tussen fietsers en wandelaars/lopers heb je veel minder tijd om je te vergewissen van de mogelijkheid veilig voor die mensen uit te wijken in geval van links lopende tegemoet komende wandelaars las in het geval van rechts lopenden die je als fietser achterop komt en aan hun linkerzijde passeert.
Toen ik had bedacht dat las qua spelling als moet zijn en volgens de officiële regels dan (en dat kostte even wat tijd…), werd het ietsje makkelijker, maar nog steeds is het een ondoorgrondelijke zin die veel te veel gedachten in één keer probeert te verwoorden.
4. In het blad voor alumni van de VU staat een interview met cabaretier Hans Sibbel, genomineerd voor de poelifinario-prijs. Poelifinario, dacht ik, het is toch polifinario? Ik heb het inmiddels opgezocht, en nee, het is wel degelijk poelifinario. Doet me beseffen dat ik dat woord wel vaak heb gehoord, maar nog nooit geschreven had gezien.
Moraal van dit verhaal? De laatste is anders dan de eerste drie, want een soort persoonlijke hapering die niet ligt aan de schrijver of redacteur van de tekst en waarvan ik denk: okee, weer wat geleerd! De eerste drie laten zien dat ogenschijnlijk kleine verzorgingsdingen (spelling, woordkeus, lengte van zinnen) een lezer behoorlijk kunnen afleiden, op het verkeerde been zetten en zelfs doen afhaken.
Als het in mijn trainingen om dit soort lokale tekstverschijnselen gaat, lijkt dat vaak geneuzel. De eerste drie voorbeelden laten zien dat dat neuzelen toch belangrijk kan zijn.
Boek tegen schrijfangst, uitstelgedrag en writer’s block
In de serie ‘Taalankers’ is recentelijk verschenen MInder opzien tegen schrijven. Over schrijfangst, uitstelgedrag en writer’s block van Theo IJzermans en Johannes de Geus. Het boek is een bewerking van hun eerdere boek Schrijven zonder vrees. Niet echt iets nieuws onder de zon dus, en een beetje typisch dat de nieuwe een stuk duurder is dan de oude, zonder dat daar echt iets tegenover staat.
Máár wel een belangwekkend onderwerp, en goed dat beide boeken er zijn. Want ze zijn uniek en ze behandelen een veelvoorkomend en verder dus totaal onderbelicht aspect van schrijven: dat een boel mensen die dat in hun werk moeten doen en er niet voor zijn opgeleid, er heel veel moeite mee hebben. En dan gaat het niet om de regels voor de d’s en de t’s of hoe je een goede alinea-indeling moet maken, nee, het gaat om de emotionele kant van schrijven: schrijfweerzin, jezelf in de weg zitten, schrijven dat veel en veel en veel te veel tijd en energie kost… Op de achterflap wordt dat een ’taboe’ genoemd, en daar zit wat in.
Volgens mij zijn er in grote lijnen drie dingen aan de hand, die alledrie in dit boek aan de orde komen:
1. Er is heel weinig kennis over hoe je het beste een schrijftaak aanpakt. Ik maak heel vaak mee dat de grootste eye-opener voor deelnemers aan mijn trainingen is dat ze heel vlot en makkelijk tekst kunnen produceren als die niet meteen ‘perfect’ hoeft te zijn. Ik doe daar vaak een speciale oefening voor. Ik zwak dan doelbewust alle mogelijk eisen die iemand aan een tekst zou kunnen stellen af, en zeg dan: en schrijf nu maar, vlot, gedurende acht minuten. Vrijwel iedereen produceert dan een verrassende hoeveelheid tekst, en vaak zijn ze ook verrassend tevreden over de kwaliteit, het gemak, de creativiteit en het plezier. We bespreken vervolgens het verschil met ‘echt’ schrijven en dan hoe je een deel van die gemakskant mee kunt nemen naar je werk: door éérst zo’n snelle, creatieve versie te schrijven, en er pas later kritisch naar te kijken. Kortom: je interne criticus op het juiste moment zijn werk laten doen. Dat heeft vrijwel niemand geleerd, en alleen al daarmee zitten mensen zichzelf vreselijk in de weg. Een al te alerte interne criticus leidt tot acute dan wel permanente writer’s block.
2. Er bestaan veel irrationele gedachten over schrijven. Om er een paar te noemen: het moet in één keer goed, het moet perfect, het mag niet te veel tijd en moeite kosten, ik moet het alleen kunnen (zonder hulp of feedback van collega’s, baas), het is niet het echte werk, iedereen moet het kunnen. Ook overdreven angst voor spelfouten past in dit rijtje thuis. Ze leiden allemaal tot een gevoel van falen – met in hun kielzog faalangst en onzekerheid. De schrijvers van Minder opzien tegen schrijven putten uit de RET om dit soort gedachten om te buiten naar functionelere, en dat is volgens mij een gouden greep. Juist dit punt is zeer onderbelicht in schrijftrainingen, die daardoor verkeerd om kunnen uitpakken: nu ‘moet’ het nog perfecter, nu ‘moet’ ik het echt kunnen.
3. Veel schrijfproblemen liggen niet aan de individuele schrijver, maar aan de organisatie. Onduidelijke opdrachten, onvoldoende feedback, onvoldoende standaardisatie (bv. van veelvoorkomende brieven), onhandige systemen (technische, maar ook kwaliteitssystemen met eisen die strijdig zijn met goed schrijven), verantwoordelijkheid voor het schrijven op de verkeerde plek, problemen met de taakomschrijving… In Minder opzien tegen schrijven passeren er een heleboel de revue, zeer herkenbaar. Want dat is één van de sterke kanten van dit boek: een groot deel ervan bestaat uit casussen, dus uit schrijvende professionals van wie de schrijfmoeite geanalyseerd wordt, en de aanpak ervan gegeven. Dat is lekker lezen!
Een goed, nuttig en prettig leesbaar boek dus, of boeken eigenlijk. Ik ben het maar op één puntje niet met de auteurs eens, en dat is dat ze nogal enthousiast zijn over Powerpoint als middel om makkelijker te schrijven, omdat je makkelijker wat trefwoorden achter bullets in kunt typen en dus niet het hoofd hoeft te breken over volzinnen en alinea’s om snel tot de kern te komen. Als hulpmiddel in een tussenfase, wellicht, al kan je natuurlijk ook in Word of op een kladpapiertje bullets schrijven. Maar zonder tóch die extra moeite te doen, zal het eindproduct lijden onder dit schrijversgemak. De ervaring is immers dat die kern tussen al die lukrake bullets verloren gaat. Schrijven is óók een bepaalde dienstverlening aan de lezer, en dat kan dus (helaas?) niet zonder inspanning.
De kern van Minder opzien tegen schrijven komt echter luid en duidelijk naar voren: weg met het taboe! Helemaal supermakkelijk en vlot kan schrijven misschien nooit worden, dat is weer een nieuwe irrationele verwachting. Maar er minder tegen opzien en daarmee je werkende leven iets makkelijker maken, dat kan zeker!
Stijve schrijftaal soms toch nuttig
Opmerkelijk weetje uit de meest recente Tekstblad (nr. 3, p. 16-20): het ‘oude uniform’ van de traditionele brievenschrijfstijl is soms beter dan modernere, eenvoudigere zinnen. Uit onderzoek van Els van der Pool en Carel van Wijk naar de standaardbrieven van een rechtbank blijkt dat hoger opgeleiden iets positiever denken over de compententie van de rechtbank bij een traditionele brief. De onderzoekers schrijven:
Kennelijk heeft voor hen de traditionele schrijfstijl van de rechtbank het aureool van de autoriteit nog niet verloren. Voor hen is er nog een relatie tussen zoiets als moeilijk schrijven en goed je werk doen.
In het onderzoek kregen burgers een traditionele of een herschreven, modernere versie van een standaardbrief te zien. Die beoordeelden ze op een aantal ‘kernwaarden’. De kernwaarde competentie scoorde dus beter in de oorspronkelijke versie; op toegankelijkheid scoorde de herschreven versie beter.
Toch iets om rekening mee te houden – af en toe toch maar ouderwetse, stijve schrijftaal gebruiken dan.
Of toch niet? Van der Pool en Van Wijk betogen dat betere toegankelijkheid is wat je wilt bereiken met een brieven-verbeteractie. Als een rechtbank wil werken aan zaken als competent overkomen, zijn daar andere manieren voor: goed functioneren, geen vormfouten maken, duidelijk te zijn over strafmaten: ‘één rechterlijke dwaling die de kranten haalt, doet meer kwaad dan dat honderd herschreven brieven kunnen goedmaken’.
Rust & geduld
Een inzicht dat ik heb verworven door persoonlijke ervaring van de afgelopen tijd: een tekst kan nog sterk verbeteren door er veel tijd voor te nemen. In maart was mijn boek over mijn Afrika-reis voor mijn gevoel best ‘af’. Toch ben ik er nog tot nu mee bezig geweest, niet heel intensief, maar steeds schavend en poetsend. In die tussentijd is het nog sterk opgeknapt.
Met de tijd groeide vooral de kritische afstand tot mijn eigen product, zo ervoer ik. Wat ik bijvoorbeeld pas de afgelopen maand goed kon onderscheiden waren de dingetjes die erin stonden die eigenlijk aan iets of iemand in het bijzonder gericht waren, niet voor de algemene lezer. Dus dan had bijvoorbeeld ooit iemand iets gezegd of had ik iets gelezen waar ik het niet mee eens was, en in het boek was dan een tegenargument terechtgekomen. Voor de neutrale lezer was dat een losse flodder met onduidelijke boodschap. De afgelopen maand heb ik een aantal van die losse flodders verwijderd of van context voorzien.
Bij het herschrijven van de afgelopen tijd bleef ik dingetjes zien die beter, strakker, logischer, netter, leuker konden. Misschien kan ik daar wel oneindig mee doorgaan. Dat is niet de bedoeling: in de zomer ga ik stappen zetten om het boeken uit te geven. Redigeren houdt dus een keer op, maar de tekst is de afgelopen tijd wel degelijk nog verbeterd. Met weinig inspanning, weinig uren werk. Het was meer een kwestie van af en toe nog eens een nieuwe, frisse blik op werpen dan van inspannend ploeteren. Meer een kwestie van geduld, dus: het boek niet te gauw ‘af’ verklaren.
Dat er een nachtje over slapen goed werkt, dat wist ik al lang. In het schrijfprocesonderzoek wordt dat wel de schrijffase ‘rest and incubate’ genoemd, een fase die voor mij zo goed werkt dat ik hem in het voorwoord van mijn proefschrift (uit 1997) al roemde: als promovendus had ik ermee geworsteld dat ik niet ‘zichtbaar’ werkte en toch goed bezig was, namelijk met die schrijffase.
Maar dat wel honderd nachtjes nog steeds meerwaarde opleveren had ik nog nooit zo duidelijk ervaren. In de praktijk van zakelijk schrijven is dat dan ook niet realistisch. Maar het toont wel aan hoe belangrijk het is om tijd, ruimte en rust te creëren voor het schrijven.
En is dat geen mooie gedachte op de valreep van mijn vakantie? Dit weblog wordt begin juli vervolgd!
