ik altijd maar pleiten voor boodschaptitels die samen een mini-samenvatting van de inhoud geven… kan ik het hier wel zeer mee eens zijn natuurlijk: http://www.uljeeteksten.nl/2010/04/vertel-je-verhaal-in-de-inhoudsopgave/ !
Categorie archieven: schrijftips
Doe de spatie toets!
Ik ben een spatiemeester! Doe ook de Spatietoets op http://www.spatiegebruik.nl/spatietoets en kijk wat voor spatietype jij bent.
Grafieken en tabellen ‘dodelijk saai’?
In Onze Wereld van deze maand staat een interview met ‘rampenprofessor’ Eelco Dykstra, : hoogleraar International Emergency Management in Washington. Aan het einde vraagt de interviewer waarom er zo weinig gebeurt met de aanbevelingen vanuit de wetenschap. Dykstra (p. 16):
Dat is voor ons wetenschappers een grote frustratie. We bereiken de besluitvormers niet. Maar we moeten de hand in eigen boezem steken en concluderen dat we de afgelopen twintig jaar kennelijk iets fout hebben gedaan. Volgens mij is één van de belangrijkste redenen het feit dat wetenschappelijke grafieken en tabellen dodelijk saai zijn. Zulke informatie wordt niet gelezen. Het moet op een andere manier worden gepresenteerd. Mijn motto is dat we niet meer wetenschap nodig hebben, maar verhalen. Wetenschappelijke bevindingen moeten worden vertaald in makkelijk toegankelijke verhalen. Dan kunnen ook niet-wetenschappers er kennis van nemen.
Grafieken en tabellen ‘dodelijk saai’? Nou, dan doe je als presenteerder ervan inderdaad iets fout. Dat is niet zozeer dat de grafieken en tabellen zelf onvoldoende ‘opgeleukt’ zijn. Daar komt de opwinding niet vandaan, nee, die zou in de boodschap moeten zitten. De grafieken en tabellen illustreren en onderbouwen die alleen maar.
Als het gaat om rampen, lijkt de boodschap me niet bepaald saai. ‘Saai’ vinden mensen meestal dingen die te makkelijk of te moeilijk voor ze zijn. Het zelf afleiden van een boodschap uit de data is een inspanning die voor de meeste lezers of luisteraars moeilijk is. Te moeilijk. Dus dat is dan inderdaad ‘saai’ en de boodschap strandt.
Grafieken en tabellen worden onder andere toegankelijk van, ik geef drie tips:
- Het gebruik van boodschaptitels in plaats van alleen maar onderwerptitels. Deze titels geven de so what van de data weer, zodat een lezer die de tabel of grafiek niet meteen begrijpt de boodschap gewoon kan lezen.
- Het principe van ‘hoofdboodschap voorop’, oftewel de oprolbaarheid: begin met het belangrijkste en werk gaandeweg de details uit. Scheelt een stuk voor het begrip! Dat betekent dat de meeste tabellen en grafieken ‘onderaan’ zullen komen. Ze presenteren immers de details. Een lezer die eerder afhaakt, heeft dan echter toch de kern van de zaak kunnen lezen.
- De visualiseringen te baseren op de boodschap en aan te laten sluiten bij de intuïties. Een tabel of grafiek is dus niet alleen maar een vergaarbak van data, maar een communicatie-instrument. Tijd loopt bijvoorbeeld voor ons gevoel van links naar rechts, en als daarin iets oploopt, is dat ‘goed’, en als het afloopt, is dat ‘slecht’. Dus als je een bepaalde trend in de tijd duidelijk wil maken, doe dat dan met een lijn of kolommen.
In alledrie de tips speelt de boodschap een belangrijke rol. Boodschappen samen vormen een verhaal. Als Dykstra dat type verhalen bedoelt, ben ik het met hem eens over de richting waarin de verbetering gezocht moet worden.
Konsequent
Gister schreef ik over het belang van een consequente hantering van bijvoorbeeld indelings- en structureringsprincipes bij de nog wat minder uitgekristalliseerde media. Het woord consekwent zat nog in mijn hoofd toen ik kort daarna ZAM onder ogen kreeg.
In de lead van een artikel op p. 42 staat een typo: ‘dat ik word aanzien als een…’. Kan gebeuren. Maar in de tekst blijkt bijna precies hetzelfde stukje voor te komen. Aangezien staat daar goed, maar nu is de typ-duivel in word gesloten: ‘dat ik wordt aangezien voor’. Hahaha!
Het doet me denken aan een artikel dat ik laatst las (maar al bij het oud papier heb gegooid) waar de schrijver of redacteur duidelijk had zitten worstelen met het woord luchtwegverwijder, medicijn tegen astma, bij sporters in dit geval. Jawel hoor, er stond een paar keer luchtwegverwijderaar, één keer luchtwegverwijdaar, en, hoera, aan het eind stond het een keer goed. Luchtwegverwijderaar geeft trouwens meer dan 2.000 hits bij Google. Hihihi!
Moraal van dit verhaal: als je fouten wilt maken, doe het dan konsekwent (en schrijf dat woord ook consequent!). En zo niet: hartelijk lachen!
Van methode naar praktijk
Vorig semester gaf ik in Leiden een college over debatteren aan ouderejaars studenten Nederlands. Ik deed daar wekelijks verslag van op dit weblog. Vandaag ben ik begonnen met een andere serie colleges, aan tweedejaars: methoden van taalbeheersingsonderzoek. Dat onderwerp leent zich minder voor een op de praktijk gericht verslag.
Toch ga ik dat weer proberen, of liever gezegd: mijn plan is om elke week één krentje uit de pap te halen dat relevant is voor schrijvende en/of presenterende professionals. Want ook al ligt de nadruk op de wetenschappelijk, vooral methodologische kant, toch zou het zo moeten zijn (vind ik – en ik niet alleen) dat taalbeheersingsonderzoek relevant moet zijn voor de praktijk. Dat is niet altijd zo, of liever gezegd: ik ervaar vaak een kloof tussen wat ik vanuit de praktijk graag zou willen weten en wat de wetenschappelijke literatuur voor antwoorden geeft. Het lijkt er zelfs op dat hoe degelijker en verantwoorder het onderzoek in wetenschappelijk opzicht is, des te minder heb ik eraan. En omgekeerd: het meest relevante onderzoek voor de praktijk is methodologisch vaak helemaal niet zo goed.
Vandaag kwam dat meteen al aan de orde, want we bespraken een verslag van praktijkonderzoek naar schrijfvaardigheidsonderwijs, dat ik enkele jaren geleden deed met studenten aan de lerarenopleiding en waar we over publiceerden in Levende Talen tijdschrift. Praktijkonderzoek, waar methodologisch nogal wat tegen in te brengen valt, maar wat wel recht uit het hart van mijn studenten kwam en wat ook ik nog steeds belangwekkend vind, minstens als aanzet tot discussie en vervolgonderzoek. Daarom is het belangrijk dat er voor dat soort onderzoek ruimte is, dus dat niet alles wat er aan onderzoek gepubliceerd kan worden moet voldoen aan de allerstrengste wetenschappelijke normen. Dan zou de ivoren toren helemaal hoog worden namelijk.
Ons artikel bevat aanbevelingen voor de praktijk, maar dat betreft de onderwijspraktijk. Wat kunnen schrijvers in organisaties eraan hebben? Net als voor leerlingen in het middelbaar onderwijs geldt voor hen dat schrijven een complexe, veeleisende bezigheid is die je vooral met veel oefenen onder de knie krijgt. Oefenen wil niet alleen zeggen: ‘doen’. Het wil ook zeggen: er feedback op krijgen, daarop reflecteren en het resultaat daarvan in de volgende schrijfopdracht toepassen. Die feedback zou zowel op het product als op het proces moeten zijn.
Maarja, dat heb ik al heel vaak gezegd… Volgende week gaat het artikel dat we op college bespreken over de plek van overgangszinnen in een Powerpointpresentatie: voor of na de ‘klik’ naar de volgende slide? Daar heb ik op dit weblog nog nooit wat over gezegd. Dus volgende week echt iets nieuws, en het komt nog uit een pas verschenen artikel ook!
Veel leiden lijdt tot lijden. Ofzoiets.
De ‘d’s en t’s’ zijn een struikelblok in onze spelling. Of eigenlijk zijn alleen de doubletten dat. Doubletten zjin de paren van bestaande woorden waarvan de een eindigt op een t en de ander op een d, terwijl ze hetzelfde klinken. Een voorbeeld is gebeurd/gebeurt. Daar moet je over nadenken en de spellingschecker kan je er niet bij helpen. Voor krijgd en gezegt hoef je geen regels te kennen om te weten dat ze fout zijn. Als je niet vanzelf ‘oeps’ denkt (want het woordbeeld klopt niet), dan haalt de spellingschecker ze er wel voor je uit.
Nu is het van die doubletten een bekend verschijnsel dat de meest gemaakte spelfout in de richting van de meest frequente vorm is. Gebeurd komt vaker voor dan gebeurt, en dus schrijven mensen vaker gebeurd waar het gebeurt moet zijn dan andersom.
Is het daarom dat ik eerder deze week betrapt werd op lijden waar het leiden moest zijn? Dat is ook een doublet, maar van een andere soort. En ik ben in mijn leven al veel met lijden bezig geweest. Dat klinkt dramatisch, maar dat valt wel mee: ik ben gepromoveerd op onderzoek naar de lijdende vorm, en in mijn pas verschenen boek Afzien voor beginners definieer ik afzien als ‘zelf verkozen lijden van enige duur’. Lijden is voor mij dus een heel gewoon en frequent woord. Schreef ik daarom in een persbericht over het boek dat iets tot meer afzien lijdt?
Ik ben kennelijk nog niet vaak genoeg in Leiden geweest om al dat lijden te compenseren!
De piramide van ‘Afzien voor beginners’
Vandaag verschijnt mijn boek Afzien voor beginners. In de flyer daarvan staat dat ik met de vorm van het boek knipoog naar principes die ik ken uit het zakelijk schrijven. Wat wil dat zeggen?
In de eerste plaats heb ik voor de structuur van het boek gekozen voor een piramide. Enerzijds is dat natuurlijk niet zo gek voor iemand die een groot deel van haar brood verdient met schrijvende professionals trainen in het gebruiken van die lezer- en klantgerichte structuur. Anderzijds is het toch opmerkelijk, want de meeste reisboeken hebben een chronologische of geografische structuur. De structuur is daarmee volgens mij één van de unieke eigenschappen van Afzien voor beginners.
De logische vorm van de structuur is deze:
(De cijfers 1 t/m 4 geven ‘deelredenen’ aan en de lege lijntjes op het onderste niveau geven aan dat daar nog een niveau onder zit – ik verklap hier niet alles.)
In het boek ligt de nadruk op de linkerhelft van de piramide. Mijn vijf overwegingen vormen vijf hoofdstukken, soms ook nog met wel twee niveaus van onderbouwing eronder. De overwegingen die voor anderen kunnen gelden, heb ik in de vorm van ‘vraagtekens’ tussen de hoofdstukken in gezet. Dat zijn korte stukjes, als tekstvak in de tekst verwerkt – veel korter dan de hoofdstukken.
Dus de structuur voor wat betreft de volgorde in het boek is zo:
De logica is dus piramidaal, maar de volgorde is niet strikt zoals door de logica gedicteerd – dat hoeft ook niet van het piramideprincipe; je structureert eerst naar inhoud en logica en bepaalt daarna de volgorde.
Dat geldt ook voor de plek van de hoofdboodschap. In Afzien voor beginners staat die eind, in een hoofdstuk ‘conclusie en aanbevelingen’. Ik geef weliswaar in de inleiding al wel een hint dat er een overkoepelende boodschap in zit (‘Ik trek daar een conclusie uit die deels persoonlijk is en deels een aanbeveling voor gebalanceerd afzien.’), maar ik heb ervoor gekozen om de spanning erin te houden en de lezers aan te zetten tot meedenken. Dat is wel gelukt, vertelden proeflezers mij. ‘Leuk, een denkboek’ zei er eentje.
De hoofdboodschap aan het eind maakt het boek bovendien meer essay dan advies, en dat accent klopt.
Binnen de hoofdstukken staat de hoofdboodschap wel prominent vooraan in de vorm van de hoofdstuktitel (boodschaptitels) en ook per paragraaf geef ik vooraan al veel inhoud weg. Niet altijd alles, want ook binnen de hoofdstukken mag wel iets van essayistische spanning blijven. Soms volg ik binnen het hoofdstuk of paragraaf overigens wel een ‘gewone’ chronologische of geografische structuur.
De hoofdstuktitels zijn syntheses van het hoofdstuk, en ik heb in het schrijfproces maar weer eens ervaren hoe zeer de strengheid van het piramideprincipe helpt om goed na te denken. Ik kan het me nu bijna niet meer voorstellen, maar het synthetiseren van de paragrafen die nu hoofdstuk 1 vormen, heeft heel wat tijd en moeite gekost, en ook het moeilijkste vierde hoofdstuk is van boodschap en perspectief veranderd doordat ik anders ging denken over de inhoud. Ik heb zo van het schrijven ook inhoudelijk nog veel geleerd.
Tot zover het piramideprincipe. Waar ik ook mee speel, zijn twee vormkenmerken die je meer ziet in zakelijke teksten dan in literaire: bullet-opsommingen en tekstvakken. De bullet-opsommingen zijn echt een knipoog, en ze passen bij een strakke structuur waar ik van houd. De tekstvakken fungeren samen met de foto’s als illustraties: je kunt ze overslaan en/of los van de hoofdtekst lezen.
Met de hoofdstukken, paragrafen, sub-paragrafen, bullet-opsommingen en tekstvakken is de structuur goed zichtbaar en is er bijna geen pagina met alleen maar ononderbroken tekst. In die zin ga ik met mijn tijd mee: grote lappen tekst is voor moderne lezers steeds lastiger. Het de lezer ter wille zijn is iets wat ik ook vooral voor zakelijke teksten heb geleerd.
* * *
Ik ben benieuwd wat de lezersreacties zullen zijn, naar inhoud maar ook naar vorm. Ik heb zelf met het schrijf- en uitgeefproces weer nuttige ervaringen opgedaan die ik in mijn trainingen en adviezen kan verwerken. Over het allerbelangrijkste schreef ik al eerder: goed schrijfwerk heeft veel denkwerk nodig, en dat laat zich niet altijd dwingen in de beperkte tijd. Het schrijven aan Afzien voor beginners heeft langer geduurd dan ik had verwacht. Of liever gezegd: het denkwerk heeft langer geduurd. Daar is het boek wel beter van geworden.
Meer weten of het boek bestellen? www.afzienvoorbeginners.nl Van harte aanbevolen!
En nou moet het wéér anders….
Ik had laatst een wat frustrerende ervaring die me inzicht gaf in hoe lastig schrijven in een organisatie kan zijn. Ik bedoel: ik hoor daarover veel verhalen, maar aangezien ik zelf al jaren een eenvrouwszaak ben, heb ik er weinig recente ervaring mee.
In een groepje waar ik met andere kleine zelfstandigen samenwerk, zegde ik toe een klein tekstje te schrijven met uitleg over een procedure. Zo gezegd, zo gedaan. Toen ik de anderen de tekst rondmailde, kreeg ik vooral reacties over de inhoud van de procedure. Ineens zagen de anderen dat het veel simpeler kon (ja, zo werkt het wel eens, iets zwart-op-wit zien). Dus ik de tekst aanpassen op basis van de nieuwe procedure. Rondgemaild. Toen klopte er volgens elk van de anderen iets anders net niet: vier wijzigingen. Met nog een paar extra van mij erbovenop om er tekstueel iets fatsoenlijks van te maken. Geprint, ter vergadering ingebracht. En toen moest het wéér anders, op een manier waardoor ik er geen fatsoenlijke tekst meer van kon maken… Ik voelde me zelfs enigszins aangetast in mijn professionaliteit: hallo, ik kan toch wel schríjven?! En jullie blijven maar doorgaan met commentaar leveren!
Ik heb het toen maar helemaal naar mijn eigen hand gezet; weg inspraak en democratie: de laatste versie geschreven, geprint, gekopieerd en verspreid. Geen commentaar op gehad.
Wat is het probleem, dus hoe kan ik dit generaliseren naar wat talloze schrijvende professionals overkomt?
- Er moet al geschreven worden nog voordat men uitgedacht is. Of liever gezegd: door het schrijven gaat het denkwerk pas echt goed van start. Daar is niets mis mee, zo lang de schrijver maar niet denkt met de eerste tekst meteen het eindproduct afgeleverd te hebben. Ik herkende bij mezelf de fout waar ik het al zo vaak in trainingen over gehad heb: gehechtheid aan mijn eerste product. Dat was een lekker tekstje, het liep prima, de procedure stond er glashelder in, enzovoort. Maar, zo had ik moeten beseffen, het was nog geen (bijna) te publiceren tekst, nee, het was het begin van een denk- en samenwerkingsproces. En zo zijn er in organisaties talloze schrijvers die gefrustreerd terugkomen van de bespreking van hun eerste versie van het rapport met hun baas. Die bedenkt ter plekke dat het allemaal nog anders ligt, en dat moet er allemaal ook nog in verwerkt worden. Soms lijkt het wel nóóit goed!
- Er willen te veel mensen hun zegje doen over de tekst. We is nou eigenlijk de baas? Mag de schrijver zeggen: ik doe het zo, en niet anders, want zo is het goed genoeg? Of bepaalt de baas dat? Of alle betrokkenen samen? Dat laatste is niet zo’n goed idee, hoe aardig het misschien ook is. Iedereen steeds maar opnieuw commentaar laten geven is voor een schrijver een grote inspanning. Bovendien wordt de tekst er vaak slechter van. Want iedereen wil zijn/haar zegje gehonoreerd zijn, en als je het ene aanpast vanwege commentaar van Pietje, heeft dat invloed op de passage waar Jantje wat over zei, dus moet je de nieuwe versie aan zowel Pietje als Jantje voorleggen. Die willen zich erin herkennen en soms zelfs per se nog een opmerking bij plaatsen… uiteindelijk blijf je zitten met iets waar de betrokkenen zich in herkennen, maar waar de lezer niet bepaald blij mee is. Mijn procedurebeschrijvinkje dijde bijvoorbeeld aanzienlijk uit.
De oplossing van beide problemen ligt niet in het schrijven zelf, maar in het maken van goede afspraken. Dat doen vind ik wel de verantwoordelijkheid van de schrijver. Hoe lastig het kan zijn, heb ik zelf net ervaren. Terugkijkend had ik duidelijker moeten zijn over dat ik wel inhoudelijk, maar geen tekstueel commentaar zou verwerken, en ik had misschien beter de eerste ronde commentaar per e-mail kunnen overslaan zodat het denkwerk op de vergadering had plaatsgevonden. Daarna had ik kunnen beloven: okee, ik verwerk het, en dat is het dan.
Voordeel van hoe het nu ging is dat het wel ging met veel openheid voor ieders inbreng. Dat kan ook een functie hebben. Het maakt het schrijfleven misschien niet makkelijker, maar dat is niet het enige wat telt.
Schrijfplek vernieuwd
Even iets heel anders – leuk genoeg om op dit blog te melden! Sinds eind vorige week zit ik namelijk erg lekker te schrijven en te werken. Vrijdag heeft namelijk meubelmaker Wout Bosman uit Delft mijn nieuwe kantoormeubelen afgeleverd. Het zijn twee grote dingen: een computerwerkplek en een werk- en schrijftafel. Op de eerste foto zie je allebei, met voor de tafel en achter de computerwerkplek; op de tweede foto zie je de ‘gekke’ vorm van de computerwerkplek:
Naast de printer is nog een stukje leeg. Daar komt een scanner – tot nu toe moest ik steeds naar de zolder, waar de scanner op een andere pc staat aangesloten, want er was geen plek voor in de oude opstelling.
Hiermee komt een einde aan een project dat lang geduurd heeft. Ik ben in de zomer van 2008 begonnen met zoeken naar nieuw meubilair. Ik zat nog met heel oude en simpele meubelen: een bureautje waar ik mijn middelbare-school-huiswerk nog achter heb gemaakt, zo laag dat ik ik er eigenlijk niet meer fatsoenlijk achter kon zitten, vandaar dat ik voor met de hand schrijven uitweek naar de eettafel in de woonkamer. En een computer’driehoek’ die ik in 1999 zelf had gemaakt met een collega, en die precies paste in een hoek van mijn vorige huis. Maar die inmiddels doorzakte – en al helemaal niet meer precies paste. Ik redde me wel, zeker ook omdat mijn kantoor niet representatief hoeft te zijn: ik ontvang er vrijwel nooit mensen. Maar toch.
Dit nieuwe meubilair past wel helemaal precies, zelfs om de verwarmingsbuizen heen en dan strak aansluitend op de muur – wat nog niet zo vanzelf spreekt, want in ons oude huis is geen enkele muur of hoek recht. Kijk maar hoe precies het past:
In die zomer van 2008 kwam ik er niet uit. Het zou voor een kleine eenmanszaak dan ook een fikse investering worden. Kant-en-klaar was goedkoop maar net niet de goede maat of niet mooi of misschien wel mooi maar dan heel duur; laten maken ook wel erg begrotelijk en als ik wat googlede vond ik vooral erg artistieke meubelmakers, en dat hoefde niet… en toen kreeg ik het druk met andere dingen (typische zomer-klus, zoiets), en verdween het naar de achtergrond. Maar de brochures met kantoormeubels lagen hier nog, en ik bleef er wel aan denken.
Eind 2009 heb ik uit mijn ouderlijk huis een aantal zaken geërfd, waaronder een prachtige teakhouten secretaire die mijn ouders in de jaren vijftig of misschien begin jaren zestig hebben gekocht:
Ik was daar blij mee: veel mooier dan de oude Billy die er stond, en ook nog eens praktischer. Maar toen kon de rest ineens niet meer achterblijven, want dat zag er echt niet meer uit. Dus in januari was het tijd om eens even door te pakken met die nieuwe kantoorinrichting!
In Wout vond ik een meubelmaker die precies kon maken wat ik wilde zonder dat het veel te duur werd. Want het hoefde voor mij geen fancy design of grote kunstzinnigheid te worden. Passend, functioneel – en gewoon netjes en mooi. Eerst dacht ik nog: ik laat alleen de computerplek maken, vanwege die gekke vorm. Maar een bijpassende tafel is wel zo mooi natuurlijk! Dat bleek prima betaalbaar, en het was in een paar weken klaar.
En dus heb ik nu een heringericht kantoor. En dat is toch lekkerder schrijven!
Teflon
Leuke term in de post van een verwant blog van gisteren: teflon als woord dat uitdrukt dat sommige Powerpointtitels (bijvoorbeeld) niet blijven ‘plakken’. Ga ik gebruiken – ik zei tot nu toe altijd dat ik van titels vol met buzz-woorden en jargon glazig ging kijken, maar teflon is een leuk alternatief.
Teflon. Dat is dus het soort zinnen dat samengesteld lijken te zijn uit een vrij willekeurige combinatie van woorden uit deze lijst. Overigens kan ook de overheid er wat van. Een ontzettend teflon-woord dat ik de laatste tijd veel tegenkom is functiehuis, dus wat dacht je van de titel: ‘Een generiek functiehuis, 9 kritische succesfactoren’ (bron).
En terzijde: het is ook een leuk voorbeeld van hoe fraai een metafoor kan zijn zonder helemaal te kloppen. Immers, bij de ‘echte’ teflon is het de plan waar iets niet aan blijft plakken, maar deze woorden/zinnen blijven niet aan de ‘pan’ (je hersenen, begrip, geheugen) plakken, dus eigenlijk omgekeerd. Maar dat geeft niet: de metafoor doet zijn werk. Er is nooit een volledige match tussen metafoor en zijn brondomein (zoals dat met een vakterm heet). De kunst van het vinden van een goede metafoor (van harte aanbevolen bij zakelijk schrijven) is dat de metafoor voldoende spreekt, niet dat hij ‘klopt’. De tefal-metafoor is wat mij betreft zeer geslaagd.
Moraal van dit verhaal: teflon vermijden; goede metaforen gebruiken!




