Interessante post op het blog van tekstschrijver Marcel Uljee. ABN Amro beweert samen met klanten de voorwaarden voor spaarrekeningen te hebben herschreven (zie hier). Maar Uljee concludeert: het resultaat is teleurstellend. Moraal: laat het schrijfwerk over aan een professional, laat klanten meelezen. Mee eens. Mij zou het wel benieuwen hoe ABN Amro dat ‘samen met de klanten herschrijven’ heeft aangepakt.
Categorie archieven: schrijftips
In hoeverre is schrijven te leren?
Het blijft een regelmatig terugkerende discussie: in hoeverre kun je schrijven leren? Heeft een opleiding zin, of is het een kwestie van talent en oefenen? Trouw deed gisteren een duit in het zakje, naar aanleiding van de start van een nieuwe ‘creative writing’ opleiding, een volledige bachelor op een hogeschool. Het gaat dan om literair schrijven. De vraag ligt dan iets anders dan bij zakelijk schrijven, maar bij allebei geldt dat een opleiding geen garantie is voor succes, maar dat je het aandeel van creativiteit en inspiratie nou ook weer niet moet overschatten: het is ook gewoon een ambacht. Oefenen is super-belangrijk – en daar krijg je natuurlijk in zo’n bachelor veel gelegenheid toe.
Voeg labels toe aan de inhoudsopgave (‘advies:’)
Op basis van de voorlopige uitkomsten van het piramideprincipe-onderzoekscollege, waarover ik gister ook al iets schreef, ga ik zelf in elk geval één ding anders doen en aanraden in de toekomst: in de inhoudsopgave niet alleen de boodschappen zetten, maar die ook benoemen, de hoofdboodschap met het woord ‘advies’ en de onderbouwing met labels als ‘argument’ of ‘maatregel’.
Wat?
Bij het opvolgen van het piramideprincipe bevat de inhoudsopgave alleen boodschaptitels. Die lezen samen als mini-samenvatting van het rapport. Het kan er bijvoorbeeld zo uitzien:
Inleiding: Alleen zwangere vrouwen die behoren tot een risicogroep dienen gevaccineerd te worden.
1. Er is sprake van beperkte risico’s voor zwangere vrouwen.
2. De bevindingen die lijken te pleiten voor vaccinatie van álle zwangere vrouwen hebben geen rekening gehouden met mogelijke vertekeningen in het materiaal.
3. In Nederland bleef gecompliceerd beloop bij infectie (…) beperkt.
4. Bij vertaling van buitenlandse gegevens zou in Nederland een gecompliceerd beloopt (…) slechts een klein aantal zwangere vrouwen treffen.
5. Vaccinatie van álle zwangere vrouwen heeft slechts een beperkte gezondheidswinst.
Het voorstel is om daar dit van te maken, zeker voor lezers die geen ervaring hebben met piramidale rapporten:
Advies: Alleen zwangere vrouwen die behoren tot een risicogroep dienen gevaccineerd te worden.
Argument 1. Er is sprake van beperkte risico’s voor zwangere vrouwen.
Argument 2. De bevindingen die lijken te pleiten voor vaccinatie van álle zwangere vrouwen hebben geen rekening gehouden met mogelijke vertekeningen in het materiaal.
Argument 3: (enzovoort)
Bij een actiegericht rapport zou er telkens ‘maatregel’ voor kunnen staan, of ‘stap’ of iets dergelijks. De woorden vet maken voegt wellicht ook nog wel wat toe.
Waarom?
Uit onderzoek van één groepje studenten (Jan en Fleur) is gebleken dat de meeste proefpersonen niet zagen hoe zeer de inhoudsopgave van een piramidaal rapport hen al hielp. Als taak kregen deze proefpersonen het snel lezen van een rapport om vervolgens een samenvatting op hoofdlijnen van het advies te kunnen geven. Eigenlijk kon dat simpelweg door het voorlezen van de inhoudsopgave, maar dat zag vrijwel niemand. De proefpersonen zochten in de inhoudsopgave naar woorden als ‘conclusie’, ‘samenvatting’, ‘aanbevelingen’ of ‘advies’, maar die staan niet in een piramidaal rapport. Dat gaf verwarring. Eén van de proefpersonen vond het rapport daarom maar ‘ongestructureerd’. Met het toevoegen van labels verminderde de verwarring en verbeterde de uitvoering van de leestaak, al waren er dan proefpersonen die achterdochtig werden van het gemak: was dat echt alles al, die inhoudsopgave?
Ook al is het vanwege de beperktheid van het onderzoek onmogelijk te generaliseren, toch laten deze observaties zien dat een piramidaal rapport zo ‘anders’ is dat dat verwarrend kan zijn. In ieder geval is het te simplistisch om te beweren dat de inhoudsopgave ‘als vanzelf’ ook als mini-samenvatting fungeert. Voor lezers ligt dat helemaal niet voor de hand. Het toevoegen van labels als ‘advies’ en ‘argument’ kan hen helpen.
Overigens kan er een effect geweest zijn van de formulering van hoofdboodschap en inhoudsopgave in het experiment, want bij een ander onderzoek, met een ander rapport, zagen lezers wel dat de hoofdboodschap al in de inhoudsopgave stond. Nader onderzoek zou nodig zijn om dat te verhelderen – zo gaat dat natuurlijk altijd bij onderzoek, dat het ene antwoord de volgende vraag oproept.
Maar ach, tot die tijd maar het zekere voor het onzekere nemen, zou ik zeggen. De aanpassing is voor een schrijver makkelijk te maken, en kent (voor zover ik nu kan overzien) geen enkel nadeel. Doen, dus.
Open deuren intrappen? Over het formuleren van de hoofdboodschap
Het formuleren van een hoofdboodschap is best lastig. Risico is namelijk enerzijds dat het nogal een open deur wordt (‘Verbeter X’) en anderzijds dat je, in piramide-termen, niet synthetiseert maar samenvat, oftewel: dat de hoofdboodschap per ongeluk ‘afzakt’ naar het niveau van de rode draad (bij Minto de key line): ‘je moet drie dingen doen’ (dan sluipt er ook nog een moeten in, terwijl er niks moet, althans, dat is niet de positie van adviseur tegenover opdrachtgever). Lastig-lastig.
Afgelopen week bleek in de trainingen die ik gaf dat het ineens veel makkelijker wordt om een hoofdboodschap te formuleren als je de positionering van het hele verhaal helder hebt. Het gaat dan vooral om de aanleiding tot de adviesvraag en die vraag zelve. Als je die echt scherp hebt, rolt een goede hoofdboodschap er makkelijker uit, als antwoord op die vraag.
Als je alleen maar kijkt naar de rode draad, dan staan daar bijvoorbeeld drie te nemen maatregelen op. Samen betekenen die niet veel meer dan ‘Verbeter X’. Maar uit de aanleiding en de vraag blijkt dat het niet om een paar vrijblijvende maatregelen gaat, maar om drie pijnlijke acties die noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van het bedrijf. En zo wordt de hoofdboodschap dan ‘Om te overleven in de drastisch veranderde markt, is het nodig de bedrijfsvoering diepgaand te veranderen’.
Niet alleen wordt de hoofdboodschap zo een stuk minder een open deur, ook kleurt die de hele rest van het verhaal. De hoofdboodschap maakt de sense of urgency helder – en dat kan alleen daar, moet ook daar.
Niet toevallig begint de hoofdboodschap nu met ‘om te…’. Die formule leidt tot best practice hoofdboodschappen. ‘Om te…’ grijpt terug op de vraag, en die weer op de aanleiding. De hoofdboodschap vervult zo zijn schakelfuntie tussen enerzijds die context en anderzijds de rest van het verhaal. Zo richt je uiteindelijk de data en de resultaten op de belangen van de opdrachtgever – want daartussen schakelt de hoofdboodschap dus.
Een ander voorbeeld was een presentatie waarin de vraag was ‘wat kunnen we doen om X te verbeteren?’, met als antwoord eigenlijk ‘drie dingen’. Dat is dus een hoofdboodschaploze tekst: wat er als hoofdboodschap staat, is eigenlijk een samenvatting van de rode draad, geen eigen boodschap, geen synthese. Die bleek ook niet zo makkelijk te geven, althans, het bleek niet makkelijk om tot iets anders te komen dan ‘verbeter X’, maar dat is geen antwoord op de adviesvraag, maar een herhaling ervan. Daarachter zat een ander probleem: het rapport betrof een regelmatig terugkerend onderzoek, zonder eigen aanleiding, zoiets als een kwartaalrapportage. De adviesvraag is dan dus ook geen echte: ‘wat kunnen we op basis van dit onderzoek adviseren?’
Oplossing van dit probleem ligt buiten de tekst: ga praten met de opdrachtgever van het kwartaalonderzoek c.q. het beoogde publiek van de presentatie, om te zien hoe je werkelijk kunt helpen. Pas met goed begrip van die achtergrond is de context scherp te krijgen, en dat is nodig om een goede, interessante hoofdboodschap te formuleren.
Worstelen met het formuleren van een hoofdboodschap is dus niet zozeer een formuleringskwestie (nouja, misschien een beetje: hoe formuleer je sturend maar niet dwingend?), maar een signaal van een probleem met het schakelen tussen aanleiding en vraag enerzijds, en onderbouwing/het verhaal anderzijds. En dat is soms dus helemaal geen schrijfprobleem, maar iets wat al in de hele aanpak van het onderzoek zit besloten. Als dat niet meer op te lossen is (kan gebeuren), ach, trap dan maar een open deur in. Da’s nog altijd beter dan niks.
Best schrijvende ambtenaar verkozen
Er is een jaarlijkse wedstrijd voor de ambtenaar die het beste schrijft. De winnaar van 2010 is sinds vorige week bekend: Piet de Nijs van de gemeente Breda. Zie http://www.deoverheidschrijftstukkenbeter.nl/
Ik erger me wél
Uit recent onderzoek blijkt dat mensen zich steeds minder ergeren aan d/t-fouten, zo staat te lezen in Onze Taal en in De Volkskrant. Nou, ik erger me er wél aan, en ik kan ook uitleggen waarom: omdat ik ze stom vind. Een groot deel van onze spelling is niet logisch en alleen maar een kwestie van het toevallig weten, het goede woordbeeld te pakken hebben. Maar nou net de d/t-regels, die zijn zo logisch als wat, die zijn dus hartstikke leerbaar. Je hoeft er maar een heel klein beetje voor te kunnen ontleden, of zelfs dat niet eens: een vorm van ‘lopen’ invullen doet het meestal ook al.
Dat je niet weet hoe je przewalskipaard schrijft of vicieuze (van die cirkel), daar kan ik mee leven. Nog veel beter kan ik leven met variatie op het gebied van de rare kronkels in de spellingsregels. Ik zal het accent op appèl blijven zetten ook al mag dat niet meer, ik weet zelf niet eens of het nou re-integratie of reïntegratie is en het zal me wordt wezen; ik erger me niet aan pannenkoek. Maar dat betekent en betekend verwarren, of zelfs hij krijgd en wat dat betrefd schrijfven… nee!
Maar ik begrijp: ik vecht tegen een bierkaai.
Verkeerde-spatie-wedstrijd
Altijd leuk: kies de slechtst geschreven samenstelling (‘samen stelling’) van 2010: http://www.spatiegebruik.nl/despatievan2010.html
Tevens ook
Grappige mededeling in de trein van zondagavond, bij het naderen van Rotterdam Centraal vanuit Zeeland. Nadat de conducteur via de omroep-installatie had verteld dat dat het geval was en waar we allemaal op konden overstappen zei hij:
Tevens bevindt u zich in de intercity richting Amsterdam Centraal, die nog zal stoppen te…
Mijn reisgenoot en ik keken elkaar geamuseerd aan, met dezelfde gedachte: in welke andere trein bevinden we ons dan ook nog?
Ik denk dat tevens betrekking heeft op de taalhandeling. Ik leg het uit. Je kunt de woorden van de conducteur parafraseren door ‘ik deel u mee dat…’ voor de zinnen te denken. Dat maakt de handeling expliciet die de conducteur verricht met zijn uiting: een mededeling doen. Nadat hij een aantal mededelingen had gedaan, kwam de laatste: ’tevens deel ik u mee dat…’ Die tevens is per ongeluk op de verkeerde plek terechtgekomen.
Bovendien vind ik hem herkenbaar. Het schrijftalige tevens komt niet zo makkelijk uit mijn pen, maar ook wel. In alle belangrijke teksten zoek ik aan het eind op ook om te beoordelen of dat wel ergens op slaat. Bij een flink aantal is dat niet het geval en is het net zo’n loze ook als de tevens uit de zin van de conducteur. Ik denk dat die ook zich vooral afspeelt in mijn gedachten: ‘wat ik ook nog wil zeggen, is…’. Dat is dan mijn ook, een schrijvers-ook. Weg ermee!
Proef op de som: als ik de actuele pagina van mijn eigen weblog open, tel ik daar 41 ook‘s. Ik heb ze niet allemaal bekeken, maar ik zag er wel degelijk één die weg had gemoeten:
Vandaar ook dat de onderzoeken beperkt zijn van opzet en allemaal verschillend.
(post van 11 november).
Ik kan me zelfs nog vagelijk herinneren dat ik daarbij heb gedacht: dat wil ik ook nog even kwijt. En die ook staat er dus…
Witregel
Van de week drukproeven bekeken van een column – zat er ineens een witregel tussen twee van de vijf alinea’s. Huh, had ik dat zo geschreven? Even in m’n origineel kijken: nee. Nagevraagd: ja, die zat erin om de kolom ‘netter vol te maken’. Zonder de witregel zou inderdaad onderaan de column een leeg stukje overblijven.
Maarre… een witregel is geen vulmiddel, een witregel is een element met een betekenis. Een subtiele betekenis, maar toch. Waar een alineagrens (harde return) wil zeggen ‘hier begint een nieuw onderwerp’, zegt een witregel dat ook, maar dan stelliger. Het is nog net geen ‘and now for something completely different‘, maar het is wel echt even iets anders, een breuk met het voorafgaande.
Schrijvers en vormgevers hebben wel eens vaker een verschil van mening over een tekst. ‘Mooi’ en ‘leesbaar’ zijn niet altijd hetzelfde, of, anders gezegd: esthetica en functionaliteit zijn niet altijd even goede vrienden. Meestal gelukkig wel – en mocht het niet zo zijn, dan pleit ik natuurlijk voor de leesbaarheid.
Hints
Vandaag een overpeinzing over de complexiteit van schrijven, die de afgelopen dagen uitkristalliseerde uit wat leeservaringen en gesprekken over taal en schrijven.
In de wetenschap is het inmiddels tamelijk geaccepteerd dat het bij taal en communicatie niet zozeer gaat om de betekenis of informatie die we ‘overdragen’ aan elkaar, maar om de strekking van een uiting. Een schrijver of spreker doet een uiting, met daarin ‘ingebakken’ de bedoeling dat de luisteraar of lezer de strekking eruit afleidt.
Informeren
Het duidelijkste voorbeeld hiervan zijn de zogenaamde indirecte uitingen, zoals ‘het tocht hier’. De gesprekspartner leidt de strekking af: hij doet de deur dicht – communicatie geslaagd. En dat terwijl de uiting informatief geformuleerd was en het woord deur er niet eens in voorkwam! De hint was duidelijk genoeg. In andere communicatievormen ligt het allemaal wat subtieler, maar komt het in principe op hetzelfde neer: de uiting, de geschreven of gesproken woorden, geeft eigenlijk alleen maar een hint. De bedoeling is dat de ander die hint interpreteert en daarmee de bedoeling van de schrijver afleidt. Ook als het oppervlakkig gezien alleen maar gaat om informeren.
Een schijnbaar puur informatieve zin als ‘de aarde draait om de zon’ is nog steeds bedoeld om geïnterpreteerd te worden. De schrijver hint dat het hem de moeite waard lijkt dat de lezer dit weetje aan zijn kennis toevoegt. Hij geeft daarmee dus ook het signaal af dat hij veronderstelt dat de lezer dit nog niet weet. De strekking van de uiting is daarmee dus óók: ‘beste lezer, ik denk dat jij dit brokje informatie nog niet hebt, dus geef ik het jou’. Daarom zou ‘de aarde draait om de zon’, zonder dat er andere interpretaties mogelijk zijn, vreemd zijn en wellicht wrevel opwekken: ‘huh, dat weet ik toch al lang, wat denkt de schrijver wel niet, dat ik achterlijk en ofzo?’ Daaruit kan ook een andere conclusie voortvloeien: ‘deze tekst is kennelijk niet voor mij bestemd’.
Een goede schrijver weet dit soort interpretaties en lezerconclusies te sturen in de gewenste richting. Bij schrijven heet dat wel dat je een representatie maakt van wat jouw tekst in het hoofd van de lezer teweegbrengt. En daar kan je dan dus mee spelen.
In gesprek met de lezer
Ik ben net een boek aan het lezen waarin de auteur ongeveer halverwege pagina’s lang boeken opsomt die ook over zijn thema gaan, met veel grote namen daarin. Gaandeweg zat ik te denken: ‘nou moe, die wil ook graag laten zien hoe veel hij gelezen heeft en dat hij zich in goed gezelschap bevindt’. Als dat zo is, is het verder aan mij om daar wat van te vinden. Als het niet zo is, als de schrijver een andere bedoeling had, had hij het anders op moeten schrijven, of corrigeren.
Tenzij ik niet tot de beoogde lezers behoor, want het zou natuurlijk kunnen zijn dat de schrijver zich richt tot lezers die al die werken van die grote schrijvers óók kent. Dan geeft zo’n opsomming het effect van vertrouwdheid en misschien ook wel van erkenning van elkaars belezenheid, met als strekking iets als: ‘beste lezer, jij en ik weten van elkaar dat we ons in goed gezelschap bevinden’. Jargon heeft ook zo’n soort functie: ‘wij zijn hier met vakgenoten onder elkaar’. Zodoende definieert de schrijver via zijn tekst ook de lezer.
Aan de tekst kun je dan dus zien met wie de schrijver in gesprek is – of denkt te zijn. In een ander boek dat ik deze week las, kreeg ik daar maar geen grip op, en bleef voor mij onduidelijk wie nou eigenlijk de beoogde lezer was. De gegeven informatie liep daarvoor te veel uiteen. Ik ben bang dat die schrijver eigenlijk helemaal geen lezer voor ogen heeft gehad en zich nooit een representatie heeft gemaakt, maar simpelweg is ‘leeggelopen’. De enige rode draad is dan: ‘dit is wat ik kwijt wilde’. Mijn conclusie: ‘ik ben als lezer niet bij deze schrijver in beeld’.
Het hints-principe zit ook achter het zo vaak gehanteerde ‘show, don’t tell’ als norm voor goed verhalend schrijven. Als je de lezer vertelt dat iets heel gaaf was, moet hij dat maar van je aannemen – en dat communiceer je dan ook mee. Als je de lezer met een treffende beschrijving laat zien (voelen is het eigenlijk) hoe gaaf het was, zit de gaafheid ingebakken in de strekking en is dat voor de lezer dus geloofwaardiger (en aangenamer).
Moraal van dit verhaal
Niets wat je schrijft is neutraal of vrijblijvend. Het is ook nooit alleen maar informatie, want het is óók een hint. Elke keuze die je als schrijver maakt, heeft dus consequenties. De keuze voor een bepaald moeilijk woord kan de ene lezer het gevoel geven dat jij als schrijver weet waar je het over hebt en uit hetzelfde hout gesneden bent als hij, maar de ander dat jij een hautaine moeilijkdoener bent. Extra uitleg toevoegen geeft de ene lezer de kans om iets te leren en jaagt een andere lezer weg.
Gelukkig zijn deze mechanismen vrij subtiel en zijn lezers best bereid het een en ander van een schrijver te pikken. Je hebt bovendien kans om iets te corrigeren en je kunt ook strekkingen expliciet maken. Als een adviseur schrijft ‘De installatie voldoet niet aan de norm’, wat is dan de strekking? Is het de bedoeling dat de lezer concludeert dat hij de installatie moet vervangen? Maak dat dan maar expliciet, en formuleer anders expliciet dat de lezer de oplossing zelf mag bedenken. Anders is het risico dat de hint ook wordt begrepen als ‘oh, en nu mag ik het zeker verder zelf uitzoeken’. Dat moet je als adviseur volgens mij niet willen…
