Leuke practice-what-you-preach-blogpost, deze leestip van @tekstblad: een blog over het nut van tussenkopjes. En als je lezenderweg denkt: huh? Lees dan vooral door tot aan het einde!
Categorie archieven: schrijftips
Piramidelinks
Zo af en toe google ik op piramideprincipe om te kijken of er nog eens iets nieuws onder de zon is. Ik kwam net twee leuke dingen tegen die ik nog niet kende:
- Bij de MSLGROUP hoort het piramideprincipe bij de 40 communicatiemomenten die je niet mag missen: http://40communicatiemomenten.tumblr.com/post/61762175637/12-het-piramide-principe
- Op Plazilla staat een aardige uitleg van het principe. (En dat klinkt misschien als iets heel gewoons, maar er staan ook een boel slechte uitleggen op het internet. En in boeken. En overal. Laatst hoorde ik bijvoorbeeld nog iemand verkondigen dat het zou gaan om de opbouw situatie-complicatie-vraag-antwoord/hoofdboodschap. Tsja, dan mis je de essentie, en je hoofdboodschap komt zelfs achteraan te staan!)
‘Niet populistisch schrijven’ om moeilijk denkwerk te omzeilen
Er zijn twee manieren om met het piramideprincipe en aanverwanten (zoals mijn methode voor klantgericht schrijven, zie Adviseren met perspectief) om te gaan: als verzameling tekstkenmerken zoals ‘hoofdboodschap voorop’ en boodschaptitels (inhoudelijke koppen), of als manier om logisch en klantgericht te denken. Je zou dat kunnen zien als de oppervlakkige en de diepe hantering ervan. De oppervlakkige manier is wat vaak blijft hangen als mensen het principe leren kennen; ervaren gebruikers en experts waarderen het juist vanwege de manier waarop het ‘pushes your thinking’.
Ook ik ben zo’n expert – je hoeft het piramideprincipe wat mij betreft niet aan te leren als het je alleen gaat om die tekstkenmerken. Zo gevoelig zijn zakelijke lezers helemaal niet voor tekstkwaliteit, en bovendien is uit mijn Groningse onderzoek gebleken dat de afwijkende opbouw sommige lezers juist verwart. Nee, je gebruikt het om beter te denken. de ‘so what’ staat daarin centraal: ‘wat betekenen de data/bevindingen/resultaten in het licht van het probleem/de vraag/de belangen van mijn klant/lezer, opdat ik hem zo goed mogelijk help?’ Tot die uitspraak (hoofdboodschap) komen, en hem vervolgens goed onderbouwen, dát is de kracht van het piramideprincipe. Natuurlijk, dan helpt het om de tekstkenmerken daarbij aan te laten sluiten. Maar in die volgorde van prioriteit.
Inmiddels begin ik me te realiseren hoe moeilijk het is om in trainingen toe te komen aan dat denkwerk. Het gaat juist heel vaak over de tekstkenmerken, en ik vind mezelf wel eens terug in (te) lange discussies over de wenselijkheid van boodschaptitels. Zo’n discussie kan nuttig zijn, maar niet als hij afleidt van waar het om gaat: klantgericht denken – en dan daarbij passend schrijven. Ik krijg zelfs de indruk dat het praten over tekstkenmerken wel wordt ingezet door mijn deelnemers om niet aan die bak te hoeven.
Een voorbeeld: bij één van de organisaties waar ik al langer voor werk, gaat het vaak over ‘populistisch schrijven’. Dat is hoe de schrijvende medewerkers daar boodschaptitels noemen – en dat willen ze niet. Terecht natuurlijk. Maar het berust op een misverstand. Ik heb dat zelf aangesticht, door ze te vergelijken met krantenkoppen. Toen is er een keer een rapport de deur uit gegaan met nogal ronkende, tendentieuze koppen – zeg maar eerder Telegraaf dan Financieel Dagblad. Niemand gelukkig, zelfs de klant niet. Dat rapport duikt steeds weer op, als voorbeeld waarom ‘mijn’ manier van klantgericht schrijven ongewenst is: dat is populistisch schrijven, en ‘dat gaan we hier echt niet doen’.
Nee, natuurlijk niet. Ik kan makkelijk uitleggen wat wél de bedoeling is, en we doen ook wel eens een oefening waarbij de deelnemers bij hetzelfde berichtje een ronkende kop maken, en eentje die netjes recht doet aan de inhoud – dus ook weer Telegraaf versus FD. Dat laat zien dat boodschaptitels heus neutraal en ‘netjes’ kunnen zijn. Desalniettemin blijft het ‘populistisch schrijven’-bezwaar de kop opsteken, inmiddels voor mij tot vervelens toe.
En als ik dan eens door die discussie heen prik, dan blijkt de werkelijke moeite die mijn deelnemers hebben. Ze vinden het gewoon hartstikke moeilijk, klantgericht schrijven. Kijk, als ze dat toe durven te geven, dán kan ik beginnen met helpen bij waar het werkelijk om gaat….
Artist’s Way in organisaties
Volgers van mij c.q. dit weblog weten dat ikzelf zeer veel baat gehad heb bij de Artist’s Way, de door Julia Cameron ontwikkelde methode van 12 weken om je creativiteit te bevorderen. Ik deed dat programma in 2007 bij Josephine Vrijdaghs, maar eigenlijk doe ik het nog steeds: ik schrijf zo’n vier keer per week morning pages, ik zorg voor een wekelijkse artist’s date, ik let op synchroniciteit in mijn leven, en ik bespreek mijn creatieve ontwikkeling nog steeds regelmatig in de vorm van intervisie met Renée, m’n maatje uit die cursus bij Josephine.
Dat heeft me veel opgebracht. Ik schrijf vrijer en makkelijker, iets waar ik voor mijn werk veel aan heb – en ooit verslag van deed in één van mijn Tekstblad-columns. Ook buiten het schrijven heb ik mijn interne criticus beter in de smiezen en kan ik hem dus ook makkelijker negeren. Nog vorige week was ik zo verbaasd over mezelf – we deden toen met mijn netwerkclub, de Vrouwelijke Ondernemers Overschie, een avond over stembevrijding en ojee, wat is dat eng, in je eentje zingen, en ik stond nog zo dat het rondje steeds bij mij begon ook! Maar dat stemmetje dat zegt dat het eng is en dat ik voor schut sta en dat ik niet zo raar moet doen en dat ik het vast fout doe – daar luisterde ik gewoon niet naar, en is zingen alleen maar leuk en lekker! En zo is er meer dankzij de Artist’s Way – ik ben volgens mij ook gewoon eerlijker tegenover mezelf geworden, doordat ik in mijn morning pages echt alles durf op te schrijven en dus onder ogen te zien tegenwoordig.
Ik denk al jaren dat er in organisaties latent behoefte is aan iets Artist’s Way-achtigs. Het meest directe nut zie ik nog in het vergroten van innovatief vermogen: daar is creativiteit voor nodig immers. Maar het gaat volgens mij ook om een grotere autonomie voor professionals, als tegendruk tegen de steeds grotere druk op omzet, targets, rendementen, scoren, prestaties, enzovoort. Alleen: die behoefte is niet zomaar groot genoeg om professionals er twaalf weken lang flink wat tijd aan te laten besteden – het kostte mij toen wel tot een dag per week. Dat is de moeite waard geweest, maar verkopen doe je zoiets niet makkelijk, zeker niet als het zoiets vaags oplevert als ‘meer creativiteit’.
Wat kan er dan wel? Daarover hoop ik binnenkort van gedachten te wisselen met een groepje leden van een LinkedIn-groep over de Artist’s Way. In de voorbereiding daarop bestelde ik The Artist’s Way at Work. Dat is kennelijk een poging van Cameron en anderen om de methode naar het bedrijfsleven te vertalen. Die is niet helemaal succesvol: de bijbehorende website slaapt al jaren, zo te zien. Het boek is een soort slap aftreksel van het basisboek: geen artist’s date, wel morning pages, de oefeningen wat ingekort, en hier en daar wat lippendienst aan werk/organisaties. Wat mij aan het boek niet zo aan aanspreekt, is dat de ondertitel ‘riding the dragon’ is. Daarmee wordt het terugvinden van je creatieve kracht vergeleken. Die metafoor, ontleend aan het taoïsme, daarmee zie ik me in elk geval niet aankomen bij opdrachtgevers – nou, jongens, we gaan hier eens even op een draak rijden! Misschien werkt of werkte dat in Amerika beter?
Je zou volgens mij net zo goed het originele boek kunnen gebruiken en wat dingen weglaten, en zelf de vertaalslag maken naar de praktijk van organisaties. Over die vertaalslag, voor Nederlandse organisaties, daarover hoop ik dus de komende tijd in gesprek te komen. Ik ben benieuwd wat dat gaat opleveren.
Over vermijdende schrijfregels
Leuke blogpost van Kiezel Communicatie: over dat het niet opschiet als een schrijfadvies alleen maar zegt wat je níet moet doen. Dat is iets waar ik me ook wel eens over heb uitgelaten. Sterker nog: mijn scriptie (1991) ging er al over dat de lijdende vorm vaak al een alternatief is voor een schrijver die ‘ik’ zeggen (of iets dergelijks) wil vermijden. Dan moet die dus ook nog de lijdende vorm vermijden, tsja, dat vraagt wel heel veel schrijfcreativiteit. Als dat al niet tot writer’s block leidt, worden de formuleringen er meestal niet beter op. Een schrijver is meer geholpen met wat er wél kan.
Neemt niet weg dat ‘De bereiding van de paella vindt plaats in een partytent’ dan wel ‘de paella wordt in een partytent bereid’ zinnen zijn met een andere strekking en gebruiksmogelijkheden dan het bepleite ‘Carola bereidt de paella in een partytent’ – want in die laatste zin staat ineens Carola centraal, en wat moeten we daarmee, als de bereider van die paella er eigenlijk niet toe doet? Zo helemaal los, zonder context, is eigenlijk geen enkele zin goed te herschrijven of te beoordelen. Algemene schrijfregels bestaan dan ook niet. En absolute moetens en magniets al helemaal niet!
Smart, kort en slordig
Het is mij de laatste tijd al een paar keer overkomen: dat ik een zakelijke mailtje krijg van iemand en denk: ‘huh, wat is dit kort en slordig?!’ Meer kort-af dan anders, wat soms zelfs wat onbeleefd overkomt; amper interpunctie, geen alinea-indeling, ontbrekende hoofdletters, hier en daar een spelfout. En net als ik denk: ‘daar gaat iets niet goed, wat is er met hem/haar aan de hand’, valt mijn oog op het zinnetje helemaal onderaan: ‘Verstuurd vanaf mijn smartphone’ (in zijn vele varianten, verschillend per merk). Aha.
Dat slordige en korte, dat ken ik natuurlijk van media als chat, MSN (bestaat dat nog?), SMS en forums. Maar in zakelijke e-mail gelden (of golden?) toch nog andere normen: dat was nog net wat verzorgder, en ook meer ‘echte tekst’ in plaats van die typische nieuwe-mediavariant. Het was meer een iets lossere brief: hele zinnen, alinea’s, interpunctie, en gewone schrijftaalwoorden in plaats van smileys of afkortingen als ff en idd.
Maar daar verandert dus wat. Het kwam gister ter sprake in een training die ik gaf en mijn deelnemers herkenden het. Ik moet zeggen: ik vind het even slikken, en ik heb het liever wat verzorgder. Maarja, ik schrijf zelf dan ook alleen maar op minstens laptopformaat, en besef dat dat ouderwets is. En ach, dit soort dingen: ze gaan zo, het went ook wel weer.
Twee conclusies: (1) chattaal (de vroegere SMS-taal) rukt op, of liever gezegd: de chattaalnormen rukken op, en (2) om goed te kunnen schrijven, heb je een groot scherm en toetsenbord nodig.
Op naar de woordgedichten
AFgelopen zaterdag heb ik een cursusdag gevolgd over schrijven en imaginatie in coaching en aanverwanten. Bij de docente, Christine de Vries, heb ik eerder creatief dagboekschrijven gevolgd. Dat ging meer over je eigen schrijven; zaterdag meer over de toepassing op werk met anderen – al snijdt dat mes altijd aan twee kanten. Dat herinner ik me ook van de cursussen die ik jaren geleden bij de School voor Imaginatie volgde.
Sterker nog: een voorwaarde voor het gebruik van een bepaalde techniek of voor het aansnijden van thematiek in je werk met mensen is dat je er zelf ook mee aan de slag gaat. Dat werd me zaterdag maar weer eens duidelijk en dat inspireerde me ook. Kijk dus niet gek op, beste lezer van dit weblog, als hier de komende tijd eens een woordgedicht opduikt ofzoiets. Want woordgedichten maken, dat lijkt me een bruikbare techniek voor in mijn werk. Als je klantgericht moet leren schrijven, maak dan eens een woordgedicht op K-L-A-N-T bijvoorbeeld.
Aanvulzinnen, die kunnen ook. WIEB (‘wat ik eigenlijk bedoel is…’) is zelfs een bekende uit het zakelijk schrijven. Die gebruik ik wel, om bijvoorbeeld iemand de hoofdboodschap van een eigen stuk te laten formuleren. Maar, zo realiseerde ik me zaterdag, ik doe dat vooral pratend, en dat is mogelijk een valkuil: praten over is iets anders schrijven. Ik vind vaak dat er in mijn ‘kleine groepjes’ (supervisie over eigen teksten) te veel gepraat wordt (waar ik zelf ook aan meedoe). Het gaat toch over schrijven? Nou dan! Dit is een manier om aan het schrijven te gaan.
En er kan meer. Ik vind mezelf met enige regelmaat terug in groepen die ja-maren: ja, de principes van klantgericht schrijven zijn mooi, máár… in mijn specifieke situatie/bij deze klant/bij dit type werk/voor dit genre werken ze niet. Nou, vul eens aan: ‘ik zie klantgericht schrijven wel zitten….’ en ‘wat mij tegenhoudt het toe te passen in mijn schrijfwerk….’
Wat is daar nou imaginatie aan? Nou, je hoopt natuurlijk op die manier een andere, in elk geval persoonlijkere laag aan te spreken: wat er bij reflectieve schrijftechnieken boven komt, uit dezelfde bron als innerlijke beelden (althans, dat kán). Verder weet ik het eigenlijk ook niet zo precies. Zaterdag gingen we ook aan de slag met beelden, met tekenen dus, en op basis daarvan schrijven. Dat leidde bij mij tot een dialoog tussen mijzelf en een ansjovis op een pizzapunt. Ik merk dat wel vaker, en altijd tot mijn verrassing: laat me even ‘los’ gaan en ik schrijf iets absurdistisch. Leuk, en dit leverde nog wat op voor mezelf ook.
Ik kijk dus terug op een geslaagde dag – en nu ermee aan de slag! Enige minpunt vind ik, net zoals vier jaar geleden, de eenzijdige samenstelling van de groep: allemaal vrouwen, de meerderheid 40+, veel aan de alternatieve kant van de hulpverlening (voetreflexzone, kunstzinnige therapie, spiritualiteit). Wat jammer dat niet meer mannen dit soort mogelijkheden benutten – of mensen (m/v) uit de hardere zakenwereld. Want die werelden zijn echt veel te strikt gescheiden, en dat is jammer: daardoor is de ene wereld te hard en de andere te zacht.
Nou, nu is het dus aan mij: iets uit die wereld van zaterdag meenemen naar m’n adviesbureaus en m’n consultants. Woordgedichten schrijven met adviseurs, ik ben hartstikke benieuwd!
Expliciete boodschap doet ’t!
Ik ben een geweldig boek aan het lezen over de Kondike goudkoorts, vanwege reisplannen in die richting: Klondike Fever. Eén detail erin viel me op (p. 105/106): dat er zo veel goud te vinden was in het dal van de Klondike rivier in de Canadese provincie Yukon, dat stond al in een publicatie (‘pamphlet’) met de titel:
Information respecting the Yukon district.
Nou, daar kreeg natuurlijk niemand goudkoorts van! Die publicatie bleef helemaal onopgemerkt. De koorts, die brak pas uit toen kranten koppen gingen maken als:
GOLD! GOLD! GOLD! GOLD!
68 Rich Men on the Steamer Portland
STACKS OF YELLOW METAL!
Die eerste, saaie titel, zo heten de meeste rapporten: onderzoek X, rapport Y. Nou zou ik niet direct zeggen dat je op de GOLD! GOLD! GOLD! -toer moet met je zakelijke teksten, maar iets ervan kan echt wel: een boodschap zegt zo veel meer! Zeker als je er een beeld mee oproept: stapels geel metaal!
Denkers zijn geen vlotte schrijvers
Vandaag met de Leidse studenten een mini-onderzoekje gedaan; is er een relatie tussen leerstijl en schrijfaanpak? Eerste conclusie: misschien wel een beetje, ja. Ik leg het uit.
Voor leerstijl vulden de studenten een test in die indeelt in de vier leerstijlen van Kolb: Denker, Dromer, Doener en Beslisser. Voor schrijfaanpak gebruikten we een test die ook indeelt in vieren: vier types schrijver: gestructureerd, vlot, onbewust en precies. Die test heb ik ooit eens gekregen; hij komt uit een boek dat ik nu zelf eindelijk eens heb gevonden (het is uit de handel en zo af en toe keek ik eens of ik het tweedehands kon vinden, als het goed is, komt het er nu aan), en hij staat ook online. Ik gebruik hem vaker in trainingen, als opstapje om te praten over schrijfproces en -aanpak – veel meer pretentie dan dat heb ik er niet mee, maar daar werkt hij prima voor.
Voor beide vierdelingen geldt dat de types en stijlen sterke en zwakke punten hebben. Voor leren en schrijven geldt dat er meerdere wegen zijn naar Rome. Uit het artikel dat de studenten voor vandaag lazen, van de Vlaamse onderzoekers rond Van Waes, bleek bijvoorbeeld dat schrijvers bij het leren van een nieuw genre verschillende wegen bewandelen, maar dat er geen verschil was in de kwaliteit van het product. Want dat onderzochten zij: de relatie tussen leerstijl en aanpak van het aanleren van en oefenen met een nieuw tekstgenre.
Maar is er dus ook een relatie tussen leerstijl en schrijfaanpak? Want leren schrijven en schrijven-als-zodanig, dat zijn toch nog andere dingen, maar ik kan me goed voorstellen dat er wel een relatie tussen is, want het gaat in beide gevallen om complexe taken met zowel denk- als doewerk. Zijn de voorkeursaanpakken dan wellicht ook vergelijkbaar?
Welnu, uit dit onderzoek onder een kleine groep respondenten die niet representatief zijn voor de bevolking als geheel (want allemaal studenten bij één tweedejaars vak bij Taalbeheersing Nederlands in Leiden) bleken twee dingen:
- De leerstijl ‘denker’ is sterk oververtegenwoordigd: maar liefst 21 van de 27 studenten hebben deze leerstijl! De dromer, doener en beslisser komen dus amper voor: twee per leerstijl. Daarover is dus verder niets te zeggen. En zo veel denkers, dat kan geen toeval zijn! Ik heb net even gegoogled, maar ik vind eigenlijk niks over de relatie tussen leerstijl en studiekeuze.
- Bij al die denkers is het onbewuste schrijverstype oververtegenwoordigd, met elf van de 21, en het vlotte type is juist helemaal afwezig. De gestructureerde en precieze schrijvers zijn gelijk, en daartussenin: met vijf elk.
Misschien zegt dit helemaal niets, zeker niet de grote hoeveelheid onbewuste schrijvers onder de denkers – een piek in de data die we slecht konden verklaren. Is het niet juist tegenstrijdig – je zou toch denken dat de reflectieve types niet grillig en flexibel schrijven? Aan de andere kant: het gebrek aan vlotte schrijvers onder de denkers, daar konden we dan weer wel wat mee: vlotte schrijvers duiken erin en gaan gauw aan de slag met tekst produceren, en dat past waarschijnlijk meer bij een actieve leerstijl (de beslissers en de doeners). In elk geval herken ik dat wel: ik ben een beslisser en een vlotte schrijver. En ik had één soortgenoot onder de studenten!
En je kunt je natuurlijk sowieso afvragen wat het waard is. Allebei de benaderingen stoppen mensen in vier hokjes, ongeacht andere subtiliteiten, wat ze er zelf van vinden, of van de situatie: waarschijnlijk wordt zowel leren als schrijven óók heel sterk door de situatie bepaald. Ook vorig jaar twijfelden we al aan de veelzeggendheid van Kolbs leerstijlen.
De waarde van zulke tests en vragenlijsten, en ook van dit mini-experimentje, zit hem er wat mij betreft in dat het het inzicht op kan leveren dat elke type voor- en nadelen heeft, en dat het zaak is om die optimaal te benutten respectievelijk te compenseren. Met andere woorden: die indelingen in typen zijn okee voor zover ze iemand helpen zichzelf en anderen te begrijpen en te accepteren, en te bepalen aan welke scherpe kantjes hij of zij wil werken. Eens kijken de komende tijd of ik meer zicht kan krijgen op de relevantie van leerstijlen voor schrijven!
Het piramideprincipe-onderzoek gaat internationaal!
Sinds kort is een korte samenvatting van ons piramideprincipe-onderzoek te lezen in het Engels, op een Australische website: http://claritycollege.co/ironically-writers-need-to-educate-readers-about-what-reader-focused-means/ Met de mensen van Clarity College werk ik af en toe samen, die doen prima werk. En leuk dat ze dit opgepikt hebben!
