↓
 

Louise Cornelis

Tekst & Communicatie

  • Home |
  • Lezergericht schrijven |
  • Over Louise Cornelis |
  • Contact |
  • Weblog Tekst & Communicatie

Categorie archieven: schrijftips

Bericht navigatie

← Oudere berichten
Nieuwere berichten →

Academisch schrijven moet je goed leren

Louise Cornelis Geplaatst op 17 november 2020 door LHcornelis16 november 2020 2

Op twitter stond vorige week een discussie die voor mij interessant was vanwege twee ‘lijntjes’: het vak Tekstgenres dat ik op het ogenblik geef en mijn proefschrift. Het ging namelijk over de vraag waarom de lijdende vorm zo frequent is in academische teksten – wie leert dat studenten toch?

De discussie begon met precies die vraag, die Ionica Smeets zo stelde:

Wie leert studenten toch dat academisch schrijven betekent dat je de passieve vorm gebruikt?

Uit de antwoorden haal ik deze rode draden:

  • Studenten leren niet zozeer aan passieven te gebruiken, ze leren af informeel en persoonlijk te schrijven. Te toegankelijk schrijven is geen ‘echte’ wetenschap. In het bijzonder geldt dat voor het gebruik van de eerste persoon (ik, wij), waarop een taboe rust.
  • Het is gewoontevorming – iedereen doet het zo, dus hoort het zo. Dat speelt zeker een rol. In het boek dat we bij Tekstgenres gebruiken staat dat register, dus de voor een genre typerende formuleringen, functioneel te verklaren zijn, niet conventioneel. Nietes. Formuleringen zijn wel degelijk conventioneel te verklaren. Waarom zo veel passieven in een wetenschappelijke tekst? Omdat het zo hoort, omdat anderen het ook doen.
  • Passieven zijn soms wel degelijk functioneel – er is geen reden ze in de ban te doen. Ben ik het ook helemaal mee eens. In het bijzonder geldt dat zomaar actief maken geen oplossing is – dan is het ineens een tekst over een onderzoeker die allemaal dingen doet. De persoon van de onderzoeker moet niet centraal staan. Dus een passief hier en daar kan zeker, maar functionele van niet-functionele passieven scheiden is een hele klus.

Wat dan wel? In de eerste plaats: voor mij is de eerste persoon niet taboe, en ik vind het schokkend hoe veel van de discussie-deelnemers de ervaring hebben dat de kwalificaties als ’toegankelijk’, ‘journalistiek’, ‘colloquial’ en ‘leesbaar’ negatieve oordelen over hun tekst waren. Dat zou van mijn wel anders mogen.

Ten tweede: in elk geval zou studenten genre-bewustzijn bijgebracht moeten worden. Enerzijds om het academische genre te gaan beheersen, anderzijds opdat ze de academische conventies niet meenemen naar andere genres. Dat is nu zo’n beetje mijn dagelijkse werk: adviseurs aanleren dat dienstverlenend schrijven iets anders is dan academisch schrijven, en dat een adviesrapport er dus anders uitziet dan een wetenschappelijke tekst.

Ten derde: leer studenten hoe het wel moet. Als je wilt dat studenten onpersoonlijk schrijven – want daar zit ook heus wel wat in – zou je ze moeten aanleren om dat goed te doen, in plaats van alleen maar zeggen wat er níet mag, zoals: ik en informele woorden gebruiken. 

En hoe is dat dan? Nou, door dat persoonlijke perspectief echt helemaal weg te werken. Probleem van het passief is namelijk dat dat slechts een halve stap is naar onpersoonlijk schrijven, en precies dat halve kan hinderlijk zijn.

Als je niet mag schrijven ‘ik heb hieruit geconcludeerd dat…’, dan kun je ervan maken ‘hieruit kan worden geconcludeerd dat…’ Maar dan ben je als concludeerder nog steeds op de achtergrond aanwezig – onzichtbaar en vaag, en met als signaal aan de lezer dat die zich er niet mee mag identificeren (daarover gaat bovengenoemde ‘Cornelis 1997’).

Juist dat, dus de handelende persoon wel oproepen maar niet beschikbaar maken als identificatiefiguur, gaat hinderen en bezorgt het passief z’n slechte naam.

Werk die handelende persoon dan liever helemaal weg. Helemáál onpersoonlijk is ‘de conclusie hieruit luidt…’ ofzoiets. Of bijvoorbeeld in plaats van ‘Hieronder wordt beschreven hoe…’ ‘Hieronder komt aan de orde hoe…’ Dat heten zakelijke alternatieven voor de lijdende vorm. Wie daar meer over wil weten: Formuleren, hoofdstuk 4.

Ik heb een heleboel van dat soort alternatieven standaard paraat. Want ik heb het ooit geleerd. En dat moet dus – dat is goed schrijfonderwijs. Niet alleen zeggen wat er niet mag, maar aanleren en voordoen hoe het wel moet.

 

Geplaatst in schrijftips | 2 reacties

Coronawoorden

Louise Cornelis Geplaatst op 16 november 2020 door LHcornelis16 november 2020  

Drie losse observaties over woordgebruik in tijden van corona:

  • Ik had het zelf al waargenomen en sinds kort gaat het er ook over onder Neerlandici: dat het uitmaakt of je corona of covid zegt en dat Nederland daarin afwijkt van andere landen. Dat je beide woorden op twee verschillende manieren uit kan spreken, met korte of lange o’s, dat was me nog niet opgevallen. Ik zeg lange o’s, en vrijwel alleen maar corona, maar ik heb ook wel covid of zelfs covid-19 gezegd en geschreven als ik precies wilde zijn: dat ging over de ziekte, niet over het virus.
  • Er lijkt nog geen algemene consensus te zijn over hoe je dat ding noemt dat je in openbare binnenruimtes moet dragen. Ik weet niet beter of het heet van oudsher mondkapje en dat hoor je ook het meest, maar in Vlaanderen heet het (ook?) mondmasker, onder invloed van het Engels hoor en lees ik hier ook wel gezichtsmasker en zelfs heb ik wel dingen gezien als mond-neusmasker dan wel -kapje. Probleem is natuurlijk dat we geen overkoepelend woord hebben voor mond+neus. Daardoor is mondkapje een onderschatting van wat het dient te bedekken, maar gezichtsmasker een overschatting. Het gesteggel tussen kapje en masker is ook interessant. Masker is voor mij meer iets voor de sier dan voor de functionaliteit, maar de huidige mondkapjes doen dan veelal wel degelijk ook iets masker-achtigs. 
  • Ik heb het er al eerder over gehad: de opmars van het woord kwetsbaar. Die zet zich voort. De afgelopen tijd het bik het, in corona- en andere contexten, aangetroffen met onder andere de volgende betekenissen: oud (met een willekeurige leeftijdsgrens ergens tussen de 50 en de 80), geestelijk of lichamelijk gehandicapt, chronisch ziek, tijdelijk ziek (beide van elke aard), te zwaar (in termen van BMI), arm, werkloos, zeer flexibel werkzaam, allochtoon, verslaafd, eenzaam en gewelddadig (‘kwetsbare gezinnen’). Ik blijf het problematisch vinden. Het verhult: kwetsbaar klinkt als een individuele zwakte, maar het gaat om grote maatschappelijke problemen. Het suggereert dat er ook onkwetsbaren zijn – wat sowieso niet zo is, want leven is per definitie kwetsbaar, maar bovendien is dat maar een heel klein groepje zo. Het gooit van alles op één hoop: de ene vorm van kwetsbaar is de andere niet, de ene 50- of 60-plusser is de andere niet. En er is met het woord ook nog iets anders aan de hand: het is ook een deel van zijn betekenis kwijt. Je kon je ooit kwetsbaar opstellen. Daar gaat het echter niet meer over.
Geplaatst in Opvallend, schrijftips | Geef een reactie

Gesprekspijn

Louise Cornelis Geplaatst op 10 november 2020 door LHcornelis10 november 2020  

Vanmiddag gaat het college Tekstgenres over gesprekken, ‘interpersonal spoken registers’. Ik herlas daarnet het hoofdstuk daarover in het boek. Ik kon het me niet herinneren van van de zomer, toen ik de collegestof voor het eerst doornam, maar nu had ik bij het lezen af en toe een knoop in mijn maag. Van alle genres is juist deze zo anders nu, door corona. Een achteloos zinnetje als (p. 89):

In terms of the setting, these participants (…) usually share the same physical space (apart from special cases, like with a telephone conversation)’ .

Ik heb natuurlijk nog steeds een boel gesprekken waarin ik de physical space deel met m’n gesprekspartner, maar dat is toch heel vaak dezelfde – bovenproportioneel. Ik bedoel: in het totale aandeel van mijn gesprekken zijn die met het andere lid van mijn huishouden relatief oververtegenwoordigd, omdat zowel hij als ik veel meer thuis zijn, en omdat ik veel minder andere gesprekken voer dan normaal. Van die andere gesprekken is dan ook nog eens een groot deel zo’n ‘special case’, vooral videobellend. Mijn conversatieleven ziet er nu heel anders uit dan normaal. Dat wrijft zo’n zinnetje er even in – want ik mis het, die gesprekken in de same physical space. Vrienden zie ik zo nog wel, maar werken doe ik zo niet meer.

Het strakst werd de knoop in mijn maag toen ik naar de opdrachten keek. Die voor de studenten betreft de conversatie in een soapserie (vergelijken met natuurlijke gesprekken), maar de opdracht erna in het boek (p. 109) betreft het analyseren van een ‘service encounter’, zoals:

…checking out a book at the library, or setting your bill at a restaurant.

‘Het is goed dat ze die opdracht niet moeten doen,’ dacht ik vanochtend, ‘want die kan nu nauwelijks.’ Het is frappant dat we net in (hopelijk? waarschijnlijk?) de meest beperkte fase van de tweede golf, met de verzwaringen van vorige week, aan dit onderwerp toe zijn.

Wel is het zo dat ik denk dat er een heleboel onderzoekers zich verkneukelen op de speciale communicatie-omstandigheden van nu. Er ontstaan immers nieuwe genres, zoals het online overleg, met specifieke registerkenmerken als ‘je staat nog op mute’,  ‘ik zie jou wel, zie je mij?’ en ‘ik hoor je wel maar ik zie je niet’. Maar ook heb ik me moeten aanwennen (en het gaat nog niet altijd goed) om mijn vragen omgekeerd te stellen. Dus bijvoorbeeld als ik de agenda van een training voorstel, dan was ik geneigd te vragen ‘okee?’ en dan de groep rond te kijken om het knikken te zien. Maar als ik mijn scherm deel, kan ik dat vaak niet zien (hangt van de applicatie af), soms staan de camera’s uit, en sowieso is de non-verbale respons nogal beperkt. Dus stel ik nu mijn vragen negatief, met ‘zwijgen is toestemmen’: ‘voor wie is dit niet okee?’ En dan moet ik een onnatuurlijk lange stilte laten vallen zodat de deelnemers eventueel hun microfoon van mute kunnen halen. Allebei is ‘gek’ ten opzichte van vroeger, c.q. normaal – en ten opzichte van het boek dus.

Zo ontstaan er dus nieuwe genres, met hun registers (kenmerkend taalgebruik) en gewoontes. Eerder al had ik het hier al een paar keer (laatste) over het geschreven genre van het corona-protocol – gelukkig over z’n piek.

Interessant voor wat betreft genres vond ik ook het onderscheid tussen de persconferenties en het persmoment van 27 oktober. Een persmoment zou ‘lichter’ zijn en geen nieuws bevatten, maar dat was alleen van de kant van de zender zo bepaald. Bij een deel van het publiek kwam de inhoud wel degelijk hard aan. Vooral de tussen-neus-en-lippen-opmerking van minister De Jonge over dat de maatregelen van de gedeeltelijke lockdown nog tot half december zouden duren, viel bikkelhard, bijvoorbeeld bij de horeca.

Over welk genre van toepassing is, dus wat de ‘spelregels’ zijn, ‘onderhandel’ je als het ware samen. Je kunt niet eenzijdig bepalen dat iets ‘licht’ is en ‘geen nieuws’. Communicatie komt van twee kanten.

Geplaatst in Gesprek & debat, schrijftips | Geef een reactie

Onbewust? Nee: flexibel

Louise Cornelis Geplaatst op 9 november 2020 door LHcornelis5 november 2020  

Vorige week heb ik voor het eerst sinds lang (paar jaar) in een training expliciet aandacht besteed aan schrijfproces (voorbereiden-doorschrijven-redigeren) en schrijfaanpak: de individuele sterke en zwakke kanten in dat proces. Ik gebruikte daar weer de onvolprezen ‘Vragenlijst schrijverstype’ voor uit In gesprek met de lezer. Daar keek ik dus weer eens naar met frisse ogen, en toen viel me op dat drie van de vier schrijverstypen een positief klinkende naam hebben: vlot, precies en gestructureerd. Het vierde type heet ‘onbewust’ en dat vond ik ineens negatief klinken en ook niet zo kloppend: je kunt niet onbewust schrijven immers. Ik heb het daarom veranderd in ‘flexibel’.

Het schrijverstype in kwestie is als geen ander in staat de rommeligheid van het schrijfproces te hanteren. Schrijven is namelijk wel een beetje te plannen, maar niet heel strak: je springt tussen de drie fasen heen en weer (‘recursief’). Flexibiliteit is bovendien fijn als er laat in het proces nieuwe informatie opduikt die je nog moet verwerken – en zo gaat het heel vaak, zeker in organisaties. Als het flexibele schrijverstype doorschiet, wordt het schrijfproces chaotisch – en de tekst vaak ook rommelig. In dat geval heeft de flexibele schrijver baat bij een wat meer planmatige aanpak, waar het structureren van de tekst een eigen plek in heeft, en waarin voldoende tijd is voor het redactionele werk aan het eind.

Enige wat daarin verloren is gegaan, is dat de letters van die namen hiervoor VSOP waren, wat grappig was. Nu is het VSFP. Dat slaat niet meer op cognac, maar ik vind het wel passender.

Geplaatst in schrijftips | Geef een reactie

Soms zijn verkortingen prima

Louise Cornelis Geplaatst op 3 november 2020 door LHcornelis3 november 2020  

Vandaag had ik bij het college Tekstgenres (draadje) het gevoel van een omgekeerde wereld, zo van: wie leert hier nu het meest, de studenten of ik? Het ging namelijk over sociale media, en net als toen het anderhalf jaar geleden over WhatsApp ging, ben ik heel wat wijzer geworden van wat de studenten zeiden en opschreven.

Ze moesten als opdracht voor vandaag enkele van hun apps voor interpersoonlijke communicatie analyseren. Dat gaat in het vak steeds twee kanten op die we met elkaar in verband brengen: enerzijds de situationele analyse (zoals bijvoorbeeld: wie zijn de communicatiepartners, hoe verhouden ze zich tot elkaar, waar gaat het over en wat is het doel?) en anderzijds de talige kenmerken. De studenten hadden een fikse verzameling apps aangedragen, waarvan ze er tijdens het college vier nader hebben geanalyseerd: Discord, Whatsapp, Snapchat en Instagram.

Eén dingetje wat de studenten zeiden herinnerde ik me van het vorige vak, maar was ik weer vergeten: dat een punt achter berichten voor hen, jongeren, iets anders betekent dan voor mij c.q. ons ouderen. In principe staat die punt er namelijk niet, en wél kan er daarom op duiden dat de schrijver kort-af of geïrriteerd is.

Ik ben het even nagegaan in een paar van mijn eigen ontvangen berichtjes en in die van mijn man, en inderdaad zitten er veel tussen zonder punt. Die mét punt zijn niet kort-af overigens, maar goed, het zijn ook veel ouderen met wie wij communiceren. En die zetten een punt gewoon omdat een zin nou eenmaal eindigt met een punt. Het kost mij moeite om niet te stoppen met een punt, maar ik ga het toch eens proberen – kwestie van met m’n tijd meegaan.

Verder heb ik via de studenten één sociale-media-app leren kennen waar ik nog nooit van had gehoord: Discord. Van Snapchat had ik wel gehoord, maar ik ken het niet, dat is behoorlijk leeftijdsgebonden volgens mij. Instagram ken ik dan weer wel, maar toch verrasten een paar voorbeelden me door de grote informaliteit. Politici presenteren zich op Insta duidelijk anders dan elders. Met Whatsapp ben ik het meest vertrouwd.

Eén van de dingen die mij opvielen in de voorbeelden van de studenten was dat er nogal verschil is in het voorkomen van verkortingen: woorden als ff, wsl, gwn. Er is een tijd geweest, zo weet ik nog en staat ook in het boek, dat je bij – toen nog – SMS’en op een  niet-smarte telefoon min-of-meer werd gedwongen verkortingen te gebruiken: de maximale berichtlengte was beperkt en op het kleine schermpje en met kleine, numerieke toetsjes was schrijven een heel gepiel. Met de opkomst van de smartphone verdwenen die beperkingen en schoof de schrijfwijze in de berichten op richting standaard-schrijftaal.

Het boek stopt daar. De techniek is sindsdien alleen maar voortgeschreden, met functies als automatische woordaanvulling, correctie en hoofdletters. Desalniettemin zag ik in de voorbeelden van de studenten een boel verkortingen en aanverwante schendingen van de officiële schrijftaalnormen voorbijkomen. We praatten daar wat over, en ik zou er nu aan toe willen voegen: inmiddels zijn het niet zozeer technische beperkingen die verkortingen afdwingen, nu wordt het gebruik ervan meer communicatief bepaald.

Dat zit zo. Jongeren gebruiken verkortingen als stijlkenmerk en in informele en vluchtige communicatie. In meer formele en permanente communicatie kiezen ze meer voor de officiële woordvormen. Hun schrijven is dan sowieso verzorgder.

Mij lijkt het maken van een communicatief onderscheid vooruitgang: een teken van de volwassenwording van dit type apps.

 

Geplaatst in schrijftips | Geef een reactie

FC Dordrecht in de Champions League?

Louise Cornelis Geplaatst op 30 oktober 2020 door LHcornelis28 oktober 2020  

Afgelopen dinsdag waren er verschillende voetbalwedstrijden tegelijk en op een gegeven moment was van het scoreverloop het volgende te zien op de site van de NOS:

Mijn man liet het me zien, zo van: wist jij dat FC Dordrecht ook in de Champions League speelt? Want zo ziet het eruit. Je zou er ook een ‘wie hoort er niet in het rijtje thuis?’-vraag van kunnen maken.

Het voorbeeld laat zien hoe zeer onze hersenen geneigd zijn samenhang en patronen te zien. En dat heeft alles met structuur te maken! Daardoor kunnen we structureren, maar moeten we het als schrijvers ook doen, want anders zien onze lezers misschien heel andere patronen dan wat hun schrijvers bedoeld hebben.

 

Geplaatst in Opvallend, schrijftips | Geef een reactie

Coronavervolgjes

Louise Cornelis Geplaatst op 28 oktober 2020 door LHcornelis28 oktober 2020 1

Even twee coronagerelateerde dingen die recentelijk opvielen en die voortborduren op andere posts:

Ten eerste: ik had het hier laatst over botsende metaforen, welnu, ik was gister meteen na de eerste zinnen van Rutte in het ‘persmoment’ even de kluts kwijt daardoor. Hij begon zo:

We hebben twee weken geleden een grote hamer uit de gereedschapskist gehaald. Twee weken daarna zouden we de thermometer erin steken om te kijken hoe het gaat,

Wáár moet die thermometer dan in? In die hamer? In de gereedschapskist? Hoe dan? Ik ben dusdanig visueel ingesteld dat ik dat zoeken met dat ding voor me zie. Naast botsende metaforen komt het probleem ook door het vage verwijzen van erin.

Ten tweede: ik had het hier eerder over de depersonificatie van besmette mensen en sowieso het veel te abstract maken van het probleem (alsof het alleen maar gaat om getallen en grafieken – gister in het persmoment ook weer). Welnu, het omgekeerde is ook het geval, ook al vaker gesignaleerd: de personificatie van het virus. Het virus dat we moeten verslaan, dat om zich heen grijpt, dat onder ons is – enzovoort. De Volkskrant maakte het maandag wel erg bont, zo zag ik in een tweet van vakgenoot @GertHardeman:

Het virus reageert traag op nieuw beleid

Die kop vind ik echt over de grens: onethisch, in een tijd waarin het draait om ons eigen gedrag.

 

Geplaatst in Opvallend, schrijftips | 1 reactie

Adviseren over twitteren

Louise Cornelis Geplaatst op 27 oktober 2020 door LHcornelis27 oktober 2020  

Op het college van vandaag (draad) stond het genre ’tweets’ centraal – dit en het volgende college gaat het over nieuwe sociale media – als ik ‘nieuw’ gebruik, verraad ik mezelf als oud: ik kan me nog de tijd vóór de sociale media herinneren, de generatie van de studenten niet. Al is er nog steeds een boel in beweging. We praatten daar even over voordat het college echt begon. Het boek is uit gaat er bijvoorbeeld nog van uit dat je e-mail kunt gebruiken als communicatiemiddel met vrienden. Ik doe dat inderdaad nog wel met een paar; de studenten niet. 

De studenten hadden allemaal de tweets van een BN’er geanalyseerd. Ze mochten vrij kiezen, en maar liefst drie van de tien hadden gekozen voor Tim Hofman, @debroervanroos. Verder waren er cabaretiers en presentatoren bij, en een rapper. Wat we hebben geprobeerd, is om het taalgebruik met elkaar te vergelijken en op basis daarvan een advies te geven.

Dus zo van: vergelijk Tim Hofman met een cabaretier en áls Hofman dan grappiger over wil komen, dan zou hij … kunnen doen. Daar kwam wel iets uit: van @PannekoekPeter kan hij leren om meer hashtags te gebruiken, sowieso, en vooral die met een twist: Peter Pannekoek gebruikte in de tijd dat #ikdoenietmeermee trending was die hastag, en maakte er ook een keer  #ikdoenietmeerplee van.

Vaker kwam naar voren dat de BN’ers verschillen in de mate waarin ze hun Twitter gebruiken puur voor of vanuit zichzelf dan wel meer interactief, in de vorm van reacties, commentaren, retweets e.d. De balans lijkt daarin – zo uit de losse pols – in het midden te liggen: met hoofdzakelijk retweeten laat je weinig van jezelf zien, met dat nauwelijks niet doen laat je een kans liggen. Dat concludeerden we mede op basis van de populariteit van Tim Hofman, die die balans op het oog goed weet te treffen.

De balans tussen ik en anderen was me ook al opgevallen in de proef-analyse die ik vanochtend snel had gedaan en die ik als voorbeeld heb gebruikt: ik had @mauricedehond en @marionkoopmans met elkaar gecontrasteerd, respectievelijk criticus van en juist erkend deskundige in het corona-debat. Ik volg Maurice de Hond niet, en keek op van de stijl van zijn tweets, in eerste instantie vooral van de heftige metaforen: Ruttes ‘handen stuk wassen’ noemt hij een magische toverformule, een eventuele korte en volledige lockdown een genadeschot voor patiënt Nederland.

Nounou, dacht ik, geen wonder dat je controversieel bent en niet serieus genomen wordt door de gevestigde orde. Dat soort beelden zul je bij Koopmans niet aantreffen.

En zo is er meer. De Hond gebruikt veel meer absolute termen (niet, nooit, noch… noch, kritiekloos, klaarblijkelijk), daar waar Koopmans woorden vaker onzekerheid uitdrukken en soms zelfs vaag zijn: onduidelijk, waarschijnlijk, een aantal zaken; hoeveelheden kunnen variëren. 

Maar de twee verschillen dus ook in zichzelf centraal stellen versus iets met anderen doen. Koopmans retweet veel meer en heeft het in haar eigen tweets over het werk van anderen – en dus zie je daar regelmatig ze opduiken. Als De Hond al links naar andere bronnen opneemt, is het naar zijn eigen blog, en ik en mijn zijn dan ook nogal frequent.

Over en weer zou ik zeggen: dat kan wel wat opschuiven. Koopmans zou het wat persoonlijker kunnen maken, en De Hond mag anderen wel eens wat meer podium bieden. Dat zou mogelijk een klein beetje helpen bij het bereiken van elkaars zo gepolariseerde publieken.

Als ze dat willen natuurlijk. Koopmans lijkt maar ten dele in gesprek met het algemene publiek, en voor het andere deel met vakgenoten. Ze tweet bijvoorbeeld veel in het Engels, en met een boel jargon. “Lineage importation and regional lineage diversity declined after lockdown, elimination was size-dependent” citeert ze ergens – nou, dat is voor mij als welwillende leek onbegrijpelijk. Lineage?

Maar van Maurice de Hond dacht ik begrepen te hebben dat het hem stoort dat hij niet serieus genomen wordt door de wetenschappers en beleidsmakers. Die zou ik daarom willen adviseren: matig je metaforen, doe eens wat meer in het Engels, verwijs eens wat meer (positief!) naar anderen, formuleer met wat meer onzekerheid.

Dat zou dan  – deels – resulteren in veranderingen in telbare dingen: meer persoonlijke voornaamwoorden van de derde persoon, minder van de eerste. Minder absolute termen, meer onzekerheidsaanduiders. Daar gaat het bij registeranalyse c.q. in het vak om!

 

Aanvulling, een uur later: ik had dit net geschreven en toen plofte de krant op de mat. Toevallig (nouja, niet dus) staat daarin een fors artikel over het OMT en zijn critici (online staat het er al een dag, zie ik), met onder andere Maurice de Hond en Marion Koopmans, én het gaat over de rol van Twitter. Koopmans besteedt daar een uur per dag aan; een collega-OMT-lid Jan Kluytmans is ermee gestopt omdat het ‘geen enkele constructieve bijdrage’ levert. Inderdaad is er bij De Hond sprake van wat frustratie over wat hij bereikt met zijn kritiek. Van Koopmans staat er ook nog het citaat ‘Ik zou niet durven zeggen dat ik weet hoe het zit’ – inderdaad, dat blijkt uit het taalgebruik in haar tweets!

Geplaatst in schrijftips | Geef een reactie

Afknappen op een inhoudsopgave

Louise Cornelis Geplaatst op 16 oktober 2020 door LHcornelis16 oktober 2020  

Een tijdje terug, te lang geleden om te onthouden wie het was, zei een trainingsdeelnemer tegen me dat hij had leren schrijven dankzij The Little, Brown Handbook. Ik werd nieuwsgierig, dus ik heb het gekocht toen ik het onlangs tweedehands tegen een schappelijke prijs tegenkwam. Maar helaas: ik deel het enthousiasme niet.

Het positieve wat ik erover kan zeggen is dat er heel veel in staat. Je kunt daar inderdaad veel aan hebben. Vooral, wat mij betreft, als naslagwerk voor taalregels, stijlprincipes en de conventies van opmaak en bronvermelding en dergelijke. Samen is dat meer dan de helft van het boek. Daarmee wekt het boek de indruk, zoals veel schrijfhandboeken helaas doen, dat schrijven vooral een kwestie is van regeltjes toepassen. 450 pagina’s regels toepassen, ga er maar aan staan… Maar goed, het is als naslagwerk dus wel een goudmijn – vergelijkbaar met hoe ik de Schrijfwijzer gebruik als ik even twijfel over zinnen, leestekens of de naam van een stijlkwestie.

450 pagina’s is ongeveer de helft ja, het boek telt maar liefst 914 pagina’s – het is klein noch bruin. Zo kom ik meteen bij de eerste teleurstelling: een wit boek van 914 pagina’s dat zichzelf little en brown noemt, daarvan verwacht ik humor. Ik kan de titel niet anders begrijpen dan als een dikke knipoog. Maar het is de enige knipoog die ik tegenkwam – de 914 pagina’s zijn bloedserieus. De titel staat nergens uitgelegd.

Nou goed, daar kan ik me nog wel overheen zetten: ik kan woordenlijst.org ook ‘het groene boekje’ noemen terwijl het geen boekje is en ook niet groen – sommige namen zingen zich los van het oorspronkelijke werk. Die Schrijfwijzer van net, die wordt ook wel Renkema genoemd bijvoorbeeld. Terwijl Jan Renkema meer is dan dat boek.

Maar heel kort na de titel knap ik af op de inhoudsopgave. Daar gaat op dik drie pagina’s meteen wel heel veel mis:

  • Het boek bevat 52 hoofdstukken en die staan allemaal op hetzelfde niveau – als een heel lange opsomming van 52 elementen. Wat een stortvloed! Schrijven is dus een kwestie van 450 pagina’s regels en 52 ‘dingen’? Als ik ga lezen, zie ik dat er wel degelijk delen in zitten, zoals wat ik hierboven schreef: groepjes hoofdstukken gaan over taalregels dan wel over spellingsprincipes e.d. Maar dat is niet zichtbaar. Ook in het boek niet. Ik heb wat zitten bladeren of de opmaak misschien een idee gaf, maar dat is niet zo. De manier waarop hoofdstukken qua lay-out beginnen, varieert, maar ik geloof niet dat dat een relatie heeft met de delen of dat er andere logica in zit. Dan is het wat mij betreft storende willekeur. Het gaat om dingen als: wel of geen steunkleur gebruikt, wel of niet meteen onder de titel met de tekst beginnen, die tekst wel of niet tot onderaan de pagina door laten lopen, het hoofdstuk wel of niet vooraf laten gaan door een scheidingspagina met de titel, waardoor die er dus soms twee keer staat.
  • Onder elke hoofdstuktitel staan opnieuw de namen van de twee auteurs. Er staat dus op dik drie pagina’s maar liefst 52 keer H. Ramsey Fowler/Jane E. Aaron. Misschien heeft dat met rechten ofzoiets te maken, maar ik vind het raar: het is – bij mijn weten – ongebruikelijk. Je doet zoiets alleen als de auteurs verschillen. Steeds jezelf herhalen komt op mij zelfs ijdel over. Het is fijn ’to see your name in print’ immers, dus dan maar 52 keer? Het blijkt ook nog eens niet te kloppen: toen ik bladerde, trof ik één hoofdstuk (49, p. 815) aan waar onder de hoofdstuktitel staat ‘By Sylvan Barnet’. Hoe zou dat zijn voor die Sylvan, dat zijn naam níet in de inhoudsopgave staat? (En wat mij dan ook fascineert: wie heeft daar overheen gekeken bij het maken van het boek?)
  • Ook zichtbaar op die pagina 815, en op meer plekken: de inhoudsopgave komt niet overeen met hoe het in het boek staat. Dat hoofdstuk heet in de inhoudsopgave ‘Literature’ en op p. 815 ‘Reading and Writing about Literature’. Bovendien heeft het in de inhoudsopgave wel en in het boek niet zichtbaar een nummer (49).
  • De termen in de inhoudsopgave zijn te generiek. Dat is al te zien in het vorige punt: literatuur in een boek over wetenschappelijk schrijven is ambigue, het zou ook kunnen gaan over hoe je bronnen verwerkt of hoe je boeken leest. Zo was ik benieuwd naar het hoofdstuk dat volgens de inhoudsopgave variety heet (26), omdat ik verwachtte (hoopte?) dat dat zou gaan over afwijkende teksten – dus over dat het ook anders mag dan volgens al die regeltjes. Maar nee, op p. 459 heet het ‘Achieving variety’ en blijkt het dus te gaan over hoe je afwisseling kunt aanbrengen in je schrijven. Dat is dus opnieuw een discrepantie tussen inhoudsopgave en verderop, en dan telkens in de inhoudsopgave naar de vage, generieke kant.

Naar waar het in het boek over structureren gaat, moest ik zoeken – aan de inhoudsopgave is ook dat niet te zien. Het zijn een paar pagina’s (rond 50). Vast niet toevallig.

Ik heb hier al vaker geschreven dat ik vind dat een schrijfhandboek moet practicen wat het preacht: goed schrijven. Ik knap er dus op af als de structuur zo’n zootje is – als ik er als structuurbehoeftige lezer zo door op het verkeerde been door wordt gezet. Al is de inhoud nog zo rijk.

 

 

Geplaatst in Leestips, schrijftips | Geef een reactie

Fiets concretiseert metaforen

Louise Cornelis Geplaatst op 15 oktober 2020 door LHcornelis12 oktober 2020  

Hij ligt al een tijd op mijn bureau: ‘Fietskoers 2025‘, een tekst van de Gemeente Rotterdam. Ik vind het niet alleen als tekst interessant, maar ook vanwege het onderwerp: ik fiets nogal eens in Rotterdam, ik ben dus ook belanghebbende. De tekst is in het algemeen nogal abstract en ronkend en ik vind de inhoud moeilijk te rijmen met mijn dagelijkse ervaringen, maar wie weet, het is nog vijf jaar.

Wat mij vooral opvalt, zijn enkele metaforen die me weliswaar doen grinniken, maar me ook glazig doen kijken.Het gaat er steeds om dat het concrete fiets gecombineerd wordt met metaforen uit het consultantsjargon. Daardoor ontstaat iets waarvan het effect me doet denken aan dat van botsende metaforen; hier botst de metafoor op iets concreets. Drie voorbeelden:

  • Meteen in de ondertitel: ‘De fiets als hefboom in de Rotterdamse mobiliteitstransitie’. Het beeld werkt op mijn lachspieren: een fiets als hefboom? Ik probeer het voor me te zien: hoe je met een fiets een mobiliteitstransitie op kunt tillen. Maar als ik ben uitgegrinnikt, snap ik eigenlijk niet wat er staat. Hefboom/lever ken ik uit het consultantsjargon, maar ook dan heb ik er vaak moeite mee.
  • Hoofdstuk 3 heet ‘Versnellers voor de fiets’. Ook dat is hilarisch natuurlijk – ik denk aan opgevoerde e-bikes en altijd wind mee. Maar nee, het gaat om radicale keuzes, basisvoorwaarden en transitieversnellers voor de fiets, zoals: ruimte maken voor snelle en langzame fietsers. O, ook langzame fietsers worden versneld?! Oja, en ook nog mobiliteitshubs en deelmobiliteiten – bent u er nog, Rotterdamse fietser? Enne – wat is eigenlijk het verschil tussen een hefboom en een versneller?
  • Iets verderop in dat hoofdstuk gaat het om ‘Bouwstenen voor fietsparkeren’. Dat lijkt me nuttig, ja, van die blokken met klemmen eraan. Maar dat moet ik me er niet bij voorstellen natuurlijk. Tussen wat zinnige, concrete voorstellen tot het bouwen van fietsenstallingen, pardon, fietsparkeeroplossingen, gaat het ook om ‘een aanbod van deelmobiliteit op twee wielen’.

Nou is net dat laatste punt het eerste wat mij als zichtbaar resultaat van de plannen wél is opgevallen: aan de achterkant van het station is de fietsparkeervoorziening onlangs fors uitgebreid, door een groot extra stuk dubbellaags te maken. Er is daar een tekort aan fietsparkeerplaatsen aangevuld, begrijp ik uit de tekst. Ik verheug me al op de eerstvolgende keer dat ik daar mijn mobiliteit op twee wielen (zoals op de foto hieronder) parkeer!

Oude-nieuwe fiets

Geplaatst in schrijftips | Geef een reactie

Bericht navigatie

← Oudere berichten
Nieuwere berichten →

Recente berichten

  • Het is niet zeker dat deze korte tip werkt
  • Intelligentie voor atleten?
  • Zware studiedag over schrijven met AI
  • Zweedse koks in Antwerpen
  • Met een pro-drop naar de sportschool

Categorieën

  • Geen rubriek (10)
  • Gesprek & debat (30)
  • Gezocht (9)
  • Leestips (326)
  • Opvallend (563)
  • Piramideprincipe-onderzoek (98)
  • Presentatietips (154)
  • schrijftips (905)
  • Uncategorized (47)
  • Veranderen (39)
  • verschenen (206)
  • Zomercolumns fietsvrouw (6)

Archieven

  • februari 2026
  • januari 2026
  • december 2025
  • november 2025
  • oktober 2025
  • september 2025
  • augustus 2025
  • juli 2025
  • juni 2025
  • mei 2025
  • april 2025
  • maart 2025
  • februari 2025
  • januari 2025
  • december 2024
  • november 2024
  • oktober 2024
  • september 2024
  • augustus 2024
  • juli 2024
  • juni 2024
  • mei 2024
  • april 2024
  • maart 2024
  • februari 2024
  • januari 2024
  • december 2023
  • november 2023
  • oktober 2023
  • september 2023
  • augustus 2023
  • juli 2023
  • juni 2023
  • mei 2023
  • april 2023
  • maart 2023
  • februari 2023
  • januari 2023
  • december 2022
  • november 2022
  • oktober 2022
  • september 2022
  • augustus 2022
  • juli 2022
  • juni 2022
  • mei 2022
  • april 2022
  • maart 2022
  • februari 2022
  • januari 2022
  • december 2021
  • november 2021
  • oktober 2021
  • september 2021
  • augustus 2021
  • juli 2021
  • juni 2021
  • mei 2021
  • april 2021
  • maart 2021
  • februari 2021
  • januari 2021
  • december 2020
  • november 2020
  • oktober 2020
  • september 2020
  • augustus 2020
  • juli 2020
  • juni 2020
  • mei 2020
  • april 2020
  • maart 2020
  • februari 2020
  • januari 2020
  • december 2019
  • november 2019
  • oktober 2019
  • september 2019
  • augustus 2019
  • juli 2019
  • juni 2019
  • mei 2019
  • april 2019
  • maart 2019
  • februari 2019
  • januari 2019
  • december 2018
  • november 2018
  • oktober 2018
  • september 2018
  • augustus 2018
  • juli 2018
  • juni 2018
  • mei 2018
  • april 2018
  • maart 2018
  • januari 2018
  • december 2017
  • november 2017
  • oktober 2017
  • september 2017
  • augustus 2017
  • juli 2017
  • juni 2017
  • mei 2017
  • april 2017
  • maart 2017
  • februari 2017
  • januari 2017
  • december 2016
  • november 2016
  • oktober 2016
  • september 2016
  • augustus 2016
  • juli 2016
  • juni 2016
  • mei 2016
  • april 2016
  • maart 2016
  • februari 2016
  • januari 2016
  • december 2015
  • november 2015
  • oktober 2015
  • september 2015
  • augustus 2015
  • juli 2015
  • juni 2015
  • mei 2015
  • april 2015
  • maart 2015
  • februari 2015
  • januari 2015
  • december 2014
  • november 2014
  • oktober 2014
  • september 2014
  • augustus 2014
  • juli 2014
  • juni 2014
  • mei 2014
  • april 2014
  • maart 2014
  • februari 2014
  • januari 2014
  • december 2013
  • november 2013
  • oktober 2013
  • september 2013
  • augustus 2013
  • juli 2013
  • juni 2013
  • mei 2013
  • april 2013
  • maart 2013
  • februari 2013
  • januari 2013
  • december 2012
  • november 2012
  • oktober 2012
  • september 2012
  • augustus 2012
  • juli 2012
  • juni 2012
  • mei 2012
  • april 2012
  • maart 2012
  • februari 2012
  • januari 2012
  • december 2011
  • november 2011
  • oktober 2011
  • september 2011
  • augustus 2011
  • juli 2011
  • juni 2011
  • mei 2011
  • april 2011
  • maart 2011
  • februari 2011
  • januari 2011
  • december 2010
  • november 2010
  • oktober 2010
  • september 2010
  • augustus 2010
  • juli 2010
  • juni 2010
  • mei 2010
  • april 2010
  • maart 2010
  • februari 2010
  • januari 2010
  • december 2009
  • november 2009
  • oktober 2009
  • september 2009
  • augustus 2009
  • juli 2009
  • juni 2009
  • mei 2009
  • april 2009
  • maart 2009
  • februari 2009
  • januari 2009
  • december 2008
  • november 2008
  • oktober 2008
  • september 2008
  • augustus 2008
  • juli 2008

©2026 - Louise Cornelis
↑