Een tussendoortje: ik kom bij een aantal opdrachtgevers met heel fraaie uitzichten. Zoals dit bijvoorbeeld:
Ja, dat is de zee daar in de verte. Dit is in het gebouw van het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag.

Een tussendoortje: ik kom bij een aantal opdrachtgevers met heel fraaie uitzichten. Zoals dit bijvoorbeeld:
Ja, dat is de zee daar in de verte. Dit is in het gebouw van het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag.
Hieperdepiep – hoera! Dit weblog bestaat tien jaar! En tien dagen zelfs al: de eerste post was op 21 juli 2008. Het is me toen even ontschoten en bovendien was het een zaterdag. Maar vandaag vier ik dus 10 jaar en 10 dagen!
In die tien jaar heeft het weblog veel voor me betekend. De belangrijkste functies zijn:
Wat tien jaar weblog schrijven vraagt is natuurlijk grote toewijding, vooral in dat uitdenkwerk uit punt 4. Het kost ook tijd, maar het schrijfwerk gaat meestal wel op dooie momenten tussendoor en het geeft energie. Al met al vind ik die investering zeer de moeite waard! Ik blijf nog wel even doorgaan dus.
Uit een overlijdensadvertentie in de NRC van gister begreep ik dat eerder deze maand de grondlegger van mijn vakgebied is overleden: Wim Drop, oud-hoogleraar Taalbeheersing in Utrecht, de eerste van zijn soort in Nederland. Ik vind er verder niet veel over: Neerlandistiek.nl weet duidelijk niet meer dan ik. Ook nog geen mooi In Memoriam, en ik ben zelf ook niet de persoon om dat te schrijven, want ik heb hem niet persoonlijk gekend: hij was al met emeritaat toen ik in 1991 als docent en later promovendus in Utrecht begon. Zijn geest waarde daar nog wel rond.
Ook ken ik zijn werk. Nouja, zelfs dat gold al als ouderwets toen ik me in de taalbeheersing ging verdiepen. Drop richtte zich vooral op het verbeteren van de taalbeheersing van middelbare scholieren, en toen ik studeerde, was het onderwijs ‘uit’. In plaats daarvan ging het om beleids- en voorlichtingsteksten. Ik heb pas later geleerd ‘Drop & De Vries’ (1974) te waarderen. Dat boek is dé klassieker van de Nederlandse taalbeheersing. Het zette voor schrijven de topische vragen op de kaart, en alle schrijfmethodes zijn daaraan schatplichtig.
Bovendien ben ik pas later ook het belang van taalbeheersing voor het onderwijs gaan waarderen – nog steeds is dat niet zo hip, nog steeds is er vanuit de wetenschap weinig aandacht voor. Terwijl er aan bijvoorbeeld het schrijf- en leesvaardigheidsonderwijs een boel beter zou kunnen. In dat opzicht zou ik bijna denken: was zo iemand als Drop er nog maar…
Afgelopen zondag eindigde het WK voetbal en daarmee kwam er ook een einde aan de levensduur van een infographic die we tijdens het hele toernooi voor het grijpen hadden liggen:
Dit is een dubbele pagina uit de NRC van 16 juni – het is mijn eigen, amateuristische foto, ik vind ‘m niet online.
Elke kolom representeert een land: alle WK-deelnemers. Elke speler in de selectie is een bolletje, en de grootte van het bolletje komt overeen met de marktwaarde van de speler. De bolletjes staan geordend naar veldopstelling: van onder naar boven keepers, verdedigers, middenvelders en aanvallers. Onderaan staat het totaal van de waarde van de selectie. Eraan toegevoegd zijn nog enkele details, zoals de positie op wereldranglijst, aantal WK-deelnames van het land, wie er in de Nederlandse eredivisie speelt en wie de aanvoerder is.
Vier weken lang hebben we gekeken hoe het zat met de waardeverhouding van de tegenstanders. De finale bijvoorbeeld werd gespeeld tussen meer dan één miljard (de waarde van de Franse selectie samen: 1080 miljoen, het meest van allemaal) en 341 miljoen. Ook naar de individuen hebben we zitten kijken, ons er bijvoorbeeld over verbaasd hoe klein de bolletjes waren van de bekende Kroatische namen (Man-zoekt-ietsj en Raakt-ie-ietsj bijvoorbeeld, Mandzukic en Rakitic). Af en toe zaten we bijna verwachtingsvol te kijken naar het groeien van een bolletje: het kan niet anders of van sommige spelers is de marktwaarde tijdens het toernooi gestegen. Maar het is papier, dus dat kan niet.
Een infographic waar je je vier weken lang mee kan vermaken en die een schat aan informatie in zich herbergt, zowel in detail als over een grote lijn (want meer dan een miljard, voor een voetbalselectie, dat zegt ook iets over de wereld). Ik vond hem fantastisch – een van de beste infographics uit een krant ooit.
Jammer dat het toernooi afgelopen is. De infographic bewaar ik.
Even voor de gein – zo heel vaak sta ik niet presenterend of workshop-gevend op de foto, maar onlangs waren er wel twee gelegenheden voor: ik gaf bij Bike4Travel een workshop over trainen voor een fietsvakantie, daarvan is deze foto, waarop ik net begin aan het maken van een tekening die trainingszones verbeeldt:
Een paar weken later gaf ik op diezelfde plek een presentatie over fietsen in Nieuw-Zeeland:
Het ging beide keren dus niet over schrijven, al ging het de tweede keer wel heel even over al die bordjes in Nieuw-Zeeland (zie de serie op dit blog daarover). Maar presenteren blijft presenteren – ik vond het in dat opzicht niet heel anders dan wanneer het wél over schrijven gaat.
Naar mijn gewone werk heb ik trouwens meestal geen t-shirt aan met een afbeelding van Nieuw-Zeeland (je ziet de punt van het Noordereiland boven mijn horloge)! En bij mijn ‘gewone’ opdrachtgevers hangen er ook geen voorvorken in de trainingsruimte!
Ik las gister met interesse de verklaring van de UCI waarin die bekendmaakt dat de dopingzaak rond Froome wordt gesloten. Als wielerliefhebber vind ik het inhoudelijk interessant (en zorgelijk), maar tijdens het lezen ging het bij mij qua schrijven en piramideprincipe ook ernstig jeuken – ik kon mijn leeservaring meteen ’s middags in een training gebruiken om te illustreren dat een beschrijving van het proces iets anders is dan argumenteren.
Want dat is wat het stuk doet: het beschrijft het proces dat de schrijvende partij (de UCI) doorlopen heeft om tot de conclusie te komen dat ‘Mr Froome’s sample results do not constitute an Adverse Analytical Finding’. Belangrijkste punt dat de UCI lijkt te willen maken is dat het echt nodig was dat deze zaak zo lang gesleept heeft.
Maar als ik lees dat Froome wordt vrijgesproken, wil ik maar één ding weten: waarom? Het enige in de verklaring dat daarover iets prijsgeeft is dat er ‘experts’ zijn geconsulteerd.
Tsja. Dat heet autoriteitsdrogreden. En nog van het slechte soort ook, want er staat niks over wat die experts dan gezegd zouden hebben.
Nou zit er achter deze verklaring natuurlijk een heel gevoelig steekspel, op z’n minst tussen UCI, Froome’s ploeg Sky (rijk en machtig) en de Tour-organisator ASO. Mogelijk is de verklaring bewust niet inhoudelijk, bewust een rookgordijn. Goed voor de geloofwaardigheid van de wielersport is dat niet.
Maar de verwarring tussen proces en argumentatie komt vaker voor. Sterker nog: eigenlijk is de standaard manier van redeneren in wetenschappelijke betogen die van het beschrijven van het proces: ik heb die-en-die stappen gezet en DUS mag ik concluderen dat… Dat is iets anders dan een conclusie beargumenteren.
In de wetenschap zijn redenen om het proces te beschrijven (al valt me ook in die teksten wel eens op dat er op de inhoudelijke argumentatie wel wat is aan te merken, maar dat terzijde). Maar in de praktijk zitten lezers veel meer met een waarom-vraag dan met de vraag ‘en hoe ben je daartoe gekomen?’
Die vraag, dus die naar het proces, is een vraag gericht op de schrijver: hé, schrijver, wat heb jij gedaan? Lezers zijn daarin over het algemeen niet zo in geïnteresseerd, het gaat hen niet om de schrijver maar om hun eigen belang. Bovendien: als het leken zijn, kunnen ze het proces (de methodologie) niet eens op waarde schatten.
Lezers willen al dan niet overtuigd worden, en daarvoor moet je argumenteren. Hun waarom-vraag beantwoorden dus. Niet met drogredenen, maar deugdelijk.
Anders overtuig je ze niet. Zoals ik nu niet overtuigd ben van Froome’s onschuld.
In het huidige nummer van Tekstblad staat een interview met Kees Maat dat in mijn beroepsgroep stof doet opwaaien. De kern ervan staat meteen al op de voorpagina: Maat, ooit de oprichter van de gerenommeerde afdeling Schriftelijke Bedrijfscommunicatie van Vergouwen Overduin, roept op: ‘Schrijftrainer, investeer in jezelf’. Hij vindt dat schrijftrainers dat onvoldoende doen. De kernpunten uit zijn betoog daarover:
Ik herken hiervan twee punten niet en eentje heel goed.
Voor degenen die mijn achtergrond kennen zal het geen verbazing zijn dat ik bij punt 3 alleen maar zéér instemmend kan reageren, zeker door het voorbeeld dat Maat geeft. Ik kijk in het werk van collega’s (boeken, sites/blogs en trainingen) altijd naar de manier waarop de lijdende vorm behandeld wordt, en als daar simpelweg staat ‘niet doen, actief maken’ is dat voor mij een signaal om meteen achterdochtig te worden over de vakkennis en het inzicht, écht inzicht, in schrijven en teksten van die vakgenoot.
Ik kan er nog iets anders tegenover zetten waarbij ik het werk van Maat gebruik. Die stond ooit aan de wieg van de succesvolle methode Leren Communiceren. De eerste editie daarvan is uit 1980 en toen introduceerde het boek de ‘vaste structuren’. Ik kijk nu ook altijd of een methode die vaste structuren gebruikt of meer of iets anders zegt over structuur. Nog steeds alleen maar Leren Communiceren (1980)? Kom op, zeg, bij een dokter die al 38 jaar hetzelfde aanraadt zou ik ook niet aankloppen.
Dus ja, ik herken zeker dat er heel veel onprofessionele teksttrainers en -adviseurs rondlopen. Ik heb zelfs ook wel eens een vrij hoog iemand in de schrijftrainingswereld zich erop horen voorstaan dat het bijhouden van zijn vak (lezen van Tekstblad, Onze Taal) niet nodig was…
Ik vind dus ook niet, wat Maat wel zegt, dat het vak van schrijftrainer in de geprofessionaliseerde fase zit. Ook al niet om nog iets anders: de zeer geringe transfer van training naar praktijk, maar dat terzijde. Je hoeft sowieso aan geen enkele norm te voldoen om jezelf schrijftrainer te noemen, en er is geen enkele eis van bijvoorbeeld evidence-based werken. Je kunt van alles roepen, en juist dat verkoopt, lijkt het soms wel.
Maar dan de andere twee punten. Ik was dit keer ook niet op het VIOT-congres, ik zat in Nieuw-Zeeland. Sinds 1993 ben ik echter wel elke drie jaar geweest. Ik vind het altijd wel aardig en goed voor de contacten, maar inhoudelijk nuttig? Mwah. Kijk bijvoorbeeld naar wat ik er hier over schreef toen ik bij het vorige congres was geweest. Dat waren leuke inzichtjes, maar de investering van het vrij hoge inschrijfgeld, de reis naar Leuven, de overnachting én de dagen niet betaald kunnen werken was hoog. Je moet dat vooral ook leuk vinden.
Want in mijn ogen gebeurt er juist helemaal niet zo veel relevant onderzoek. Althans niet voor mijn soort werk. Ik lees het wetenschappelijke tijdschrift en ik houd nog wat andere dingetjes bij, maar dat levert heel weinig op voor mijn dagelijkse praktijk.
Om een voorbeeld te geven: er zit op dit moment veel onderzoekstijd en -aandacht in een groot project over begrijpelijke taal. Voor het soort teksten en schrijvers waar ik mee werk is begrijpelijkheid echter van ondergeschikt belang. Natuurlijk speelt het een rol: een adviesrapport of beslisdocument moet begrijpelijk zijn. Maar het is nog lang niet genoeg om je klant of de bestuurder te krijgen waar je hem hebben wilt. Ik weet van geen recent onderzoek naar de relatie tussen tekst en beslissing, iets waar ik graag meer over zou weten. Om maar iets te noemen – ik heb nog veel meer door de wetenschap onbeantwoorde grote vragen.
Volgens mij is het probleem op het gebied van professionalisering veel meer dat er juist zo weinig relevants is. Ik heb al jaren moeite met het vinden van geschikte, interessante bijscholing op mijn vakgebied. Wel ernaast, in gebieden als coaching, didactiek, creativiteit en organisatieontwikkeling en -verandering. Ook puur praktisch: mijn eigen schrijfvaardigheid op peil houden en uitbreiden.
Maar vakinhoudelijk? Ik zou het net weten. Ik ben er wel mee bezig, praat er wel over met collega’s, altijd geïnteresseerd of zij nog iets nuttigs en/of leuks hebben gedaan op cursus- of opleidingsgebied, of iets interessants hebben gelezen. Het leeft wel degelijk.
Het eerste punt herken ik al helemaal niet. Ten opzichte van tekstschrijven is schrijftraining goed betaald. Ik verdien een mooi inkomen met daarnaast veel tijd voor niet-declarabele zaken. Ik heb het idee dat dat als zelfstandige juist makkelijker is dan in loondienst, want ik bepaal zelf hoe veel tijd en geld ik daarin wil investeren – voor mij geen dwingend percentage declarabele uren.
Ik vind mezelf ontwikkelen bovendien belangrijk. Want voor mij is het verdienen van genoeg geld al lang niet meer de grootste uitdaging van het zelfstandigenbestaan. Veel meer is dat: hoe houd ik het leuk en interessant? Natuurlijk, ik kan niet alles doen. Afgelopen vrijdag was er mogelijk een interessante themadag bij het afscheid van Leo Lentz, maar in mijn agenda stond eerder al een training bij een opdrachtgever. Zo gaan die dingen.
In hun leerbehoefte en ontwikkelbereidheid verschillen mijn vakgenoten. Maar ik voel me door Maat dus wel een beetje op een (grote?) hoop gegooid. En dat is dan ook wat de stof doet opwaaien, want bijvoorbeeld ook tekstschrijvers die actief zijn bij Tekstnet herkennen zich niet (voorbeeld).
Als Maat z’n boodschap als wake-up call heeft bedoeld, was het aan het verkeerde adres. Want juist de mensen die wél ontwikkelen, lezen Tekstblad.
In de Volkskrant van eergisteren stond een nogal alarmerend bericht over de achteruitgang van het Nederlands bij studenten die Engelstalig hoger onderwijs volgen. De ‘hoofdpersoon’ Laura heeft in haar studie alleen in het Engels geschreven, en nu ze dat weer in het Nederlands moet doen, heeft ze er grote moeite mee. Andere studenten zeggen dat te herkennen.
De aangehaalde experts relativeren het probleem meteen: het is hooguit een tijdelijke achterstand, geen ernstige schade aan het Nederlands.Mag ik daar nog een paar andere relativeringen aan toevoegen?
Begrijp me goed: ik houd hier geen pleidooi voor Engelstalig hoger onderwijs. Het punt dat Marc van Oostendorp in het artikel maakt, over dat het zonde is om studenten een achterstand te bezorgen in de taal waarmee ze naar alle waarschijnlijkheid gaan werken, vind ik wel degelijk relevant.
Vorige week zaterdag (de 19e) was de grootste kop op de voorpagina van de Rotterdam-bijlage van de NRC:
Redt de Benthuizerstraat
Misschien is het Rotterdams – het dialect hier heeft de neiging tot wat extra t’s hier en daar (ik loopt), maar dat zou dan in die bijlage het enige Rotterdams ooit zijn zo’n beetje. Dus ik denk dat het een gewone spelfout is. Eentje die heel veel voorkomt – in het redigeerwerk dat ik doe, ben ik hem de afgelopen maanden zeker vijf keer tegengekomen.
De gebiedende wijs met een -t aan het eind is heel zeldzaam, en dan ook nog eens met u erbij: ‘loopt u maar allemaal mee’ , maar dan is het geen echte gebiedende wijs meer. De vorm met een t, zoals in ‘komt allen’, is archaïsch.
Dus: de gebiedende wijs is zonder extra -t achter de stam van het werkwoord. Dat kun je zo in je hoofd prenten, maar makkelijker is dat je het kunt horen als je er een ander werkwoord voor invult:
Help de Benthuizerstraat
Bekijk de Benthuizerstraat
Loop eens door de Benthuizerstraat
Enzovoort.
Waar die t-neiging vandaan komt? In het algemeen gaan spelfouten bij doubletten vooral de meest frequente kant op. Dus als redt vaker voorkomt dan red (niet te googlen omdat red ook nog rood betekent en dus heel veel voorkomt op het web), verschijnt er vaak een onterechte -t. Red ziet er dan mogelijk wat bloot uit.
Bloot, maar wel goed.
In een van de blogposts in de serie over bordjes Down Under schreef ik dat ik door de veelheid aan bordjes een cruciale over het hoofd had gezien. Dat is niet alleen daar zo – vorige week had ik er in Nederland, vlakbij huis, eentje gemist, ook doordat het er in totaal te veel waren. Deze week ben ik nagegaan hoe het precies zat.
Het betreft mijn fietsroute naar station Schiedam Centrum. Het laatste stuk daarvan is opgebroken en er zijn allerlei omleidingsroutes. Aan de rechterkant van de weg staan daar maar liefst vier borden achter elkaar voor:

Die borden trekken mijn aandacht, mijn blik, dus naar rechts. Vlak voordat je echt niet meer verder kan, staat er rechts voor ook nog een ander bord. Dat had ik allemaal wel gezien, niet allemaal gelezen, dat kan helemaal niet in de tijd die het kost om eraan voorbij te fietsen er staan ook nog eens auto’s voor geparkeerd.
Maar dat links het voor mij cruciale bord stond, namelijk dat voor fietsers, dat had ik gemist, dat had ik gewoon niet eens zien staan, omdat ik rechts bezig was met kijken en lezen:
Ik wist dus de eerste keer niet hoe ik bij het station moest komen. Enigszins gestresst vroeg ik iemand die aan het werk was hoe dat moest, en die zei dat het luid en duidelijk op de borden stond.
Ja, het staat er wel. Maar dat wil nog niet zeggen dat de communicatie succesvol plaatsgevonden heeft…