↓
 

Louise Cornelis

Tekst & Communicatie

  • Home |
  • Lezergericht schrijven |
  • Over Louise Cornelis |
  • Contact |
  • Weblog Tekst & Communicatie

Categorie archieven: Leestips

Interessante boeken, artikelen en websites.

Bericht navigatie

← Oudere berichten
Nieuwere berichten →

Bijzonder vraagteken achter krantenkop

Louise Cornelis Geplaatst op 28 april 2022 door LHcornelis28 april 2022  

Als ik het idee van de hoofdboodschap uitleg, maak ik vaak een vergelijking met krantenkoppen. Net als de hoofdboodschap beantwoordt een kop de vraag van een lezer (‘wat is er gebeurd?’), overkoepelt de inhoud van het artikel en is de formulering ervan dusdanig kernachtig dat een lezer ‘m in één keer kan vatten.

Wat ik daarmee ook illustreer, is het verschil tussen een boodschap en een vraag. Sommige leerders van het piramideprincipe hebben namelijk de neiging om de hoofdboodschap als vraag te formuleren. Ik vertel dan dat dat hetzelfde zou zijn als een krantenkop als ‘Wat is er vandaag gebeurd’ of iets specifieker, bijvoorbeeld, aansluitend bij iets in het actuele nieuws: ‘Hoe bewaakt Rusland zijn marinehaven?’ Niet voor niets is een vraagteken in een krantenkop taboe – al wordt daar ook wel eens mee gespeeld.

Tegen deze achtergrond vond ik het frappant om een veelbetekenend vraagteken achter een krantenkop tegen te komen in een boek dat ik onlangs las. Dat ik onlangs ademloos heb uitgelezen, moet ik zeggen, want ik vond het geweldig: Een Duitse Zomer, van Rolf Bos, over de gijzeling en dood van de Israelische equipe tijdens de Olympische Spelen van 1972 – mijn vroegste jeugdherinnering aan wereldnieuws, vandaar dat ik het boek graag wilde lezen toen ik zag dat het in de NRC-recensie vijf bollen kreeg. Het boek maakte mijn hoge verwachting helemaal waar.

Dat over de krantenkoppen is een klein maar saillant detail, op p. 229/230. In de bevrijdingsactie ging een heleboel mis, waaronder dat er te vroeg aan de media werd gemeld dat die was gelukt en dat de gijzelaars dus vrij waren. Dat nieuws kwam net voor de deadline van de ochtendkranten en dus kopten een boel kranten ‘Gijzelaars zijn vrij’, of, in The Jerusalem Post: ‘All Israeli hostages have been freed’.

Alle kranten? Nee, het Limbugs Dagblad had een ‘sceptische nachtredacteur’ en die zette er een vraagteken achter, ‘normaal een eindredactionele doodzonde’: ‘Gijzelaars bevrijd?’ 

Die redacteur had iets goed aangevoeld. Iets later moesten een heleboel kranten in hun volgende editie iets heel anders melden: ‘Massacre at the Games’, ‘Extra Ausgabe: alle Geiseln getötet’. Dan volgt er een prachtig beeld:

In lijn 4 van de S-Bahn van München zitten in de ochtend van 6 september mensen tegenover elkaar met verschillende edities van de ochtendbladen voor hun neus. ‘Alle Geiseln gerettet’, lees je aan de ene kant van de wagon; ‘Alle Geiseln tot,’ staat er aan de andere kant.

Mogelijk was dit niet, of niet alleen, overmacht: de West-Duitse overheid verspreidde ‘al dan niet bewust’ mist – lang niet alles is duidelijk geworden over die fatale nacht.

Het is maar een detail uit het boek, dat ik eruit haal omdat het raakt aan mijn werk. Het is lang niet het enige detail dat op mij grote indruk maakte. Heb je interesse in wereld- en/of sportgeschiedenis? Lezen, dat boek!

 

Geplaatst in Leestips, Opvallend, schrijftips | Geef een reactie

Als je echt om taal geeft, ben je niet pedant

Louise Cornelis Geplaatst op 18 maart 2022 door LHcornelis18 maart 2022  

En nóg een leuk boek, al is het voorlopig het laatste: ik ben door de stapel heen, het was  een rijke leestijd! Het gaat om Accidence will happen. The non-pedantic guide to English van Oliver Kamm. In die titel zit een dubbele grap: het is accidents, niet accidence, en accidence is ook nog eens taalkundig jargon: verbuiging. 

Waar het boek over gaat is dat veel mensen zich te druk maken om de regeltjes van de taal, en daar heel erg pedant in kunnen zijn: iemand fijntjes wijzen op een spelfout, rammelende interpunctie, grammaticaal probleem of stijlbloempje. Terwijl de strekking duidelijk is en heel vaak de desbetreffende regel bepaald niet zwart-wit. Nederlandse voorbeelden zijn de d’s en de t’s, hun als onderwerp (‘hun hebben dat gezegd’), groter als, de meisje, me moeder, en in zakelijk schrijven onder andere de lijdende vorm en andere moeten’s en mag-niet’s. Ik herinner me nog dat ik jaren geleden een ingezonden brief had in Onze Taal waarop in het nummer erna een reactie stond: in mijn laatste zin had ik een grammaticale blunder begaan. Met de neus op de feiten gedrukt dacht ik: oja, nu je het zegt… 

Oliver Kamm laat zien dat taal lééft en zich niet door een set regels in toom laat houden, dat goed Engels (of Nederlands) is wat mensen spreken, niet wat erover in boekjes staat, dat er variatie is tussen sprekers, dat je als moedertaalspreker de grammatica perfect beheerst, dat afwijken van de norm niet betekent dat de taal ten onder gaat, dat de taalkunde een verschil maakt tussen descriptie en prescriptie (en dat laatste niet doet – er is noch voor het Engels, noch voor het Nederlands, een regelgevende instantie), dat de selectie regeltjes waar het altijd over gaat nogal beperkt is (voorbeeld), dat afwijken van de norm vaak communicatief functioneel is, dat wat als ‘goed’ gezien wordt, een kwestie is van conventie.

Die conventies kennen is nuttig als je communiceert met een publiek dat die conventies belangrijk vindt, of meer in het algemeen: met een breed publiek. Denk maar aan de rol van de regio: onderling kun je best dialect spreken, maar daarbuiten is het handiger om je aan algemene conventies te houden. Dialect en andere variaties zijn niet stom of raar of fout of armoedig of weet-ik-veel-wat, ze zijn alleen anders.

Het is me allemaal uit het hart gegrepen en dan ook nog eens overtuigend opgeschreven. Hier en daar leer ik ook nog wat nieuws, vooral doordat ik meer thuis ben in het normen-debat over het Nederlands dan over het Engels. Voor het Engels is het bijvoorbeeld makkelijker om stellig te zijn over dat de taal niet bedreigd wordt: de positie van die taal in de wereld is reusachtig. Die paragraaf klinkt dus anders dan het equivalent over het Nederlands, waarover mensen bezorgd zijn juist vanwege die positie van het Engels.

Een leuk klein weetje vond ik het inzicht in het Engelse equivalent van onze d’s en t’s: het verschil tussen it’s en its: eigenlijk is it’s de logische spelling van its, want andere bezitsvormen krijgen ook ‘s erachter (the King’s men).

Er is dus niks logisch aan its schrijven, je moet het gewoon weten. Zo willekeurig is het vaak, wat sommige pedanteriken ook beweren. Vaak worden ‘fouten’ immers gezien als teken van domheid, als shibboleth. Als je wél weet hoe het moet, hoor je lekker bij de goeien. Met inzicht in taal heeft dat allemaal weinig te maken. Pedanteriken beweren soms echt ontzettend domme dingen over taal (voorbeeld).

Met hun dogma’s vervreemden ze bovendien andere taalgebruikers van de intuïties over hun moedertaal. Voordat ik dit weblog begon, verscheen van mij een artikel in Tekstblad (jaargang 8, 2005, nummer 3) over hoe knetterhard jongeren op een forum oordelen over groter als. In een zin met zo’n oordeel maken de pedanteriken zelf soms meerdere andere spelllings- en grammaticale fouten, maar dat maakt niet uit: als je maar niet groter als zegt, want dan ben je ‘super dom’. De angst zulke ‘domme’ fouten te maken belemmert anderen in hun expressie. (Er ligt daar ook nog een grote rol voor het onderwijs natuurlijk.)

Een belangrijke boodschap, dus, van Kamm. In de eerste 100 pagina’s van het boek zet hij de argumentatie uiteen. Dat is leuk om te lezen, het is hooguit wat lang. Na de inleiding (8 pagina’s) had ik de kern al wel te pakken – maar goed, met die andere pagina’s heb ik me prima vermaakt. Het tweede deel van het boek (175 pagina’s) behandelt al die dingetjes waar pedanteriken zich druk over maken en waar taalgebruikers over kunnen twijfelen. Het behandelt die problemen met alle nuance die je mag verwachten op basis van het eerste deel.

Ik vind het een hartstikke leuk boek. Ik heb alleen geen idee of de pedanteriken waar Kamm tegen ageert het zullen lezen. Zo’n rationeel debat is het immers niet. Desalniettemn: ik hoop dat zijn boodschap doordringt.

 

 

Geplaatst in Leestips, schrijftips | Geef een reactie

Smaakt anno 2022 naar meer

Louise Cornelis Geplaatst op 8 maart 2022 door LHcornelis8 maart 2022  

Ik ga nog even door over leuke boekjes. (En ja, dat voelt voor mij soms ook wat triviaal tussen al het oorlogsnieuws, maar ik houd mezelf maar voor dat het sinds in dit blog in 2008 begon al vaker oorlog is geweest en dat ik daar toen ook niet minder om heb geschreven).

Het volgende heet Ben ik in beeld? Online overleggen, vergaderen en presenteren zonder gedoe. Het is van Gijs Weenink en Richard Engelfriet en het verscheen al in mei 2020. Dat lijkt me relevant: het was nog maar het begin van de coronacrisis. Er was toen ongetwijfeld nood aan zo’n boekje, en mooi dat het er dus ook al zo gauw was, en nog heel toegankelijk ook: € 12,50, 100 kleine, luchtige pagina’s met cartoons. Ik wist toen niet van het bestaan, anders had ik het toen meteen gekocht.

Nu, bijna twee jaar later en veel ervarener, vind ik het meer leuk en herkenbaar om te lezen dan dat het me praktisch nog verder helpt. Daarvoor is het net wat te globaal – wat ook niet anders kan in zo’n boekje. Er staat bijvoorbeeld (op p. 65): ‘Online zijn er natuurlijk veel tools om interactie te bevorderen’. Oja, denk ik dan, welke dan? Of nouja, ik ken er natuurlijk wel, maar welke zijn écht goed en hoe zet je die dan in?

En met de ervaring van de afgelopen tijd: hoe voorkom je een te veel aan interactie? Want dat is me een paar keer als buitengewoon storend opgevallen: hoe in een grote groep de chat gebruikt wordt als ‘vrij schieten’.

Nu dus, twee jaar later, wil ik verdieping en ik wil meer en ik wil misschien ook wel een update, want inmiddels wordt er in veel organisaties behoorlijk gesteggeld over online versus hybride versus terug naar de werkplek. Er is in twee jaar veel gebeurd immers, vooral: veel bijgeleerd.

Desalniettemin is het nog steeds een leuk boek. Ik vind de opzet geslaagd: het zijn twaalf hoofdstukken die elk een stelling bevatten. In het hoofdstuk komen dan eerst de voorstanders van de stelling aan het woord, daarna de tegenstanders, en dan volgt nog een stukje ‘praktijk’. Ik herken daarin de achtergrond van Weenink: debatteren. Tijdens het lezen vond ik het steeds leuk om mijn eigen standpunt te bepalen, bijvoorbeeld over ‘Deelnemers aan een online vergadering dragen gepoetste schoenen’ (stelling 3) en ‘We gaan nooit meer terug naar vroeger’ (stelling 12).

Ben ik in beeld? smaakt dus naar meer en een update. Ik ga Weenink en Engelfriet in de gaten houden!

Geplaatst in Leestips | Geef een reactie

Ze maken zelf een goed punt

Louise Cornelis Geplaatst op 7 maart 2022 door LHcornelis4 maart 2022  

Bij mijn weten was er tot voor kort maar heel weinig praktisch gepubliceerd over hoe je het beste feedback kunt geven op teksten. Ik was dus blij verheugd om te zien dat er een heel boek aan is gewijd: Maak er geen punt van! van Monica Koster en Meike Korpershoek.

Ik  vind het inderdaad een aanwinst. Het is in de eerste plaats een nuttig boek, dat alle ins en outs van feedback geven op schrijfwerk belicht en systematisch op een rijtje zet, met handige stappenplannen, verwerkingsvragen die het begin kunnen zijn van collegiaal overleg, en tabellen die soms bijna beslisschema’s lijken. Elk onderdeel wordt grondig uitgediept en voorzien van veel en zorgvuldig uitgewerkte voorbeelden.

Het boek maakt dus wel een punt van goed feedback geven, en dat loont. Ik heb een tijdje zitten studeren bijvoorbeeld op een tabel (p. 60) die een relatie legt tussen de aard van de feedback, de kwaliteit van de tekst, en het soort tekstkenmerken waar je feedback op geeft: hogere orde (communicatieve functie: inhoud, structuur, stijl) of lagere orde (spelling, grammatica, interpunctie). De feedback kan faciliterend zijn en dan uitnodigen tot herschrijven, of directief: aangeven wat er hoe beter moet. Ik snapte ‘m helemaal en ik denk dat ik het zo ook doe, maar dan tot nu toe altijd intuïtief. Fijn om te zien en te leren dus ook dat daar een systeem achter zit. Als ik het nog eens iemand moet uitleggen, kan dat zo.

In de tweede plaats is het een leuk boek door de vele, uitgebreide en diverse voorbeelden. Het bevat zo ‘echte’ teksten geschreven door leerlingen van primair en voortgezet onderwijs, MBO en HBO. Ik ben tekst- en schrijfliefhebber genoeg om te genieten van zo’n breed scala aan teksten. Zo staat er bijvoorbeeld (op. 62) een superstrak piramidaal gestructureerde tekst: hoofdboodschap ‘wij willen een dagje naar de Efteling’ voorop, gevolgd door een opsomming van vier argumenten…. geschreven door een leerling uit groep 8!

Ik zou het heel leuk vinden als het boek nog zou worden uitgebreid of opgevolgd door ook de universiteit en de beroepspraktijk erbij te betrekken. Universiteit kan volgens mij heel makkelijk, daar is feedback op schrijven geven niet wezenlijk anders dan op het HBO. En ook in de praktijk is veel hetzelfde, alleen komt er daar bij dat een externe trainer de norm niet bepaalt. Althans, zo zie ik het: hoe een bedrijf wil schrijven, dus wat een goede tekst is, bepaalt het bedrijf, niet ik. Dat geldt dan vooral voor die hogere-orde-aspecten. Een spelfout blijft een spelfout natuurlijk.

Wat me op het laatste brengt wat ik over het boek wil zeggen: het biedt nogal wat handreikingen om, bijvoorbeeld ook bij peer feedback, de aandacht wat weg te trekken van de lagere-orde-zaken. Ook dat las ik met plezier. Natuurlijk moeten leerlingen goed leren spellen enzo, maar voor veel te veel schrijvers staat ‘goed schrijven’ gelijk aan het beheersen van die lagere-orde-zaken: foutloos spellen, correct formuleren. Schrijven is zo veel meer dan dat. Het is goed als feedback juist datgene benut waar het een grote kans toe is: als schrijver iets terughoren van je lezers.

 

Geplaatst in Leestips | Geef een reactie

Inspirerende ideeën voor niet al te kritische schrijvers

Louise Cornelis Geplaatst op 3 maart 2022 door LHcornelis3 maart 2022  

De In Onze Taal (nr. 1 van 2022, p. 34) werd het boek Teksten die wél worden gelezen. 20 schrijfadviezen voor een betere zakelijke tekst aangekondigd als ‘anders’: waar veel schrijfhulpboeken voor zakelijke teksten op elkaar lijken (inderdaad), legt dit boek het accent meer op het verleiden van de lezer. Ik was meteen nieuwsgierig en bestelde het boek.

Het klopt wat in Onze Taal staat: het boek bevat de standaardhoofdstukken met voorspelbare adviezen over de lijdende vorm, zinslengte en woordkeus, maar doet daarnaast een heleboel dingen die ik (bijna) nooit ergens anders heb gezien. Meteen in het eerste hoofdstuk was ik bijvoorbeeld blij verrast te zien staan dat een samenvatting vaak een pleister is voor een slecht gestructureerde tekst, en dus onnodig, met als extra risico’s dat een samenvatting vaak te lang wordt en/of geen goede afspiegeling van de hele tekst. Ha, dat roep ik ook zo vaak, maar het staat bijna nergens!

Ik leerde tijdens het lezen ook nog wat. Het interessantste vond ik hoofdstuk 15, met het advies ‘Gebruik approaches om je lezer de tekst binnen te trekken’. Nadat mijn jeuk over het woord approaches was weggetrokken, bleek het een leuk hoofdstuk te zijn waarin de uitnodiging voor een ledenvergadering van een sportclub op 10 verschillende manieren begint, bijvoorbeeld met een vergelijking, een drieslag, een woordspeling of iets uit de actualiteit. Dat is leuk en creatief, en handig om die tien zo op een rijtje te hebben staan.

Ik heb wel ook nog een paar kritische noten te kraken. Ik zou het boek niet aan ‘mijn’ schrijvende professionals aanraden, om twee hoofdredenen:

  • Ik vind het boek praktisch niet zo bruikbaar, vanwege twee problemen ermee:
    • Het bereik is te breed. Het gaat over allerlei genres door elkaar, van direct mail via 1-op-1-mails naar ‘zware’ adviesrapporten. Mijn adviesrapportenschrijvers hebben een groot deel dus niet nodig. Waarmee het boek zijn eigen titel ondermijnt, en ook enkele van de eigen adviezen, zoals over het doseren van de informatie met het oog op de lezer (advies 12).
    • De twintig adviezen zijn niet nader geordend, en al helemaal niet op een manier die aansluit bij de schrijfpraktijk. Twintig is al veel, en je moet ze toepassen op uiteenlopende momenten in het schrijfproces (waar het overigens nauwelijks over gaat). Hoe ga je daar nou in de praktijk mee om? .
  • Bij een kritisch publiek kom je niet overal mee weg. Twee voorbeelden, allebei over het – ook weer interessante en originele – advies ‘Gebruik het Toulmin-model om de logica in je teksten te verbeteren’ te geven (advies 3).
    • Als je Stephen Toulmin ‘de grondlegger van de argumentatieleer’ noemt (p.33) – oei, dat zit er duizenden jaren naast. En dat weten best veel mensen, is mijn ervaring: ik kom er regelmatig tegen die wel wat klassieke retorica hebben geleerd. 
    • De voorbeeldtekstjes die op het Toulmin-model gebaseerd zijn, zijn voor ‘mijn’ adviseurs niet goed genoeg. Ze bevatten de door Toulmin aangeraden concessie (misschien en waarschijnlijk enzo in de stelling) en voorbehoud (tenzij…). Dan krijg je dus adviesteksten als:

We krijgen waarschijnlijk meer marktaandeel als we meer investeren in duurzaamheid (…) tenzij onze concurrenten dat in dezelfde mate doen (..).

Ja, denk ik dan: dus (‘so what’)? Moeten dat investeren zou wel of niet doen? Het is de taak van een goede adviseur om dat uit te zoeken. 

Zo is dit vooral een leuk boekje voor niet al te kritische of veeleisende zakelijke schrijvers die er wat in willen grasduinen op zoek naar losse inspirerende ideeën. Daar is het zeer geschikt voor.

 

Geplaatst in Leestips, schrijftips | Geef een reactie

Concentratieblokjes

Louise Cornelis Geplaatst op 11 februari 2022 door LHcornelis4 februari 2022  

Met al dat thuiswerken in combinatie met coronastress kreeg ik eind vorig jaar last van concentratiegebrek. Wat ik ook op de computer aan het doen was, en dat was zo’n beetje m’n hele werk natuurlijk, de sociale media, nieuwssites en e-mail bleven trekken. Al dat geschakel tussen mijn bezigheden vrat energie en ik had vaak een ontevreden gevoel over wat ik deed met mijn tijd, want al die afleiders bevredigen meestal helemaal niet. Niks nieuws onder de zon natuurlijk: ik ben bepaald niet de enige van wie de aandacht maar al te makkelijk versnippert (zie bijvoorbeeld ook deze zeer herkenbare blogpost op Tekstnet).

Ik zat er wel mee, want ik wilde er iets in veranderen maar ik realiseerde me maar al te goed dat dat puur op wilskracht doen, gedoemd is te mislukken: ‘ik mag niet op Twitter kijken’ maakt de aantrekkingskracht alleen maar groter en geeft alleen maar meer stress. Helemaal van Twitter af was het ook niet, want ik houd mezelf al de hele pandemie mede op de been door het volgen van deskundige en kritische mensen op dat medium. Enzovoort. Dus hoe verder?

Rond de jaarwisseling las ik het nieuwe boek van Brad Stulberg: The practice of groundedness.  Eerder besprak ik hier de boeken die hij samen met Steve Magness schreef, maar dit keer is-ie de enige auteur. Hij is overigens ook een van de waardevolle Twitteraars – ik moet nog heel vaak denken hoe hij al in maart 2020 waarschuwde om de pandemie niet aan te gaan als een sprint, maar als een marathon. Maar dat terzijde.

Ik heb The practice of groundedness weer met plezier gelezen. Ik zou er een boel over kunnen schrijven maar dat gaat buiten het bereik van dit blog. In elk geval is wat ik beschrijf, dus de zuiginngskracht van de digitale afleiders, een belangrijke oorzaak voor het door zo veel mensen ervaren gebrek aan die ‘groundedness’. Er gaat een heel hoofdstuk over. Dat heet ‘Be present so you can own your attention and energy’. 

In dat hoofdstuk stond een tip voor geconcentreerd werken die ik sinds januari met succes toepas (beetje toeval, hoor, die timing, geen goed voornemen). Het is eigenlijk supersimpel, maar ik had het zelf niet bedacht: zet een kookwekker voor een bepaald aantal minuten en werk gedurende die tijd aan één ding. Als het alarm afloopt, ‘mag’ je weer even losgaan op de afleiders. 

Voor mij werkt het heel goed. Ik begon met een half uur, zit nu op 45 minuten. Ik hoef dan dus tussentijds niet zelf te bepalen of ik op een zwak moment inderdaad naar Twitter, mail, Strava of nieuws zal kijken – nee, nu niet, maar mag straks wel. Heel gauw. Echt álles daarvan kan wel maximaal 45 minuten wachten.

Voor mij werkt het zo: geconcentreerd redigeren (bijvoorbeeld) in blokjes van 45 minuten. Met het aftel-alarm aan of met een ‘oude’ en dus korte CD als achtergrondmuziek. En dan weer een rondje langs van alles, even lopen (ook heel belangrijk) en weer door. Ik houd ‘m erin!

 

Geplaatst in Leestips, schrijftips | Geef een reactie

Twee inspirerende artikel in één nummer van TvT

Louise Cornelis Geplaatst op 7 februari 2022 door LHcornelis3 februari 2022  

Van het wetenschappelijke tijdschrift op mijn vakgebied, Tijdschrift voor Taalbeheersing, gaan eerlijk gezegd wel eens jaargangen voorbij zonder dat ik er één artikel echt van lees – meer dan de abstract, bedoel ik. En dan ineens verschijnt er een nummer zoals het derde van volume 43 (jaargang 2021). Dat bestaat uit slechts twee artikelen, maar die heb ik allebei van A tot Z gelezen en ik heb over één ervan zelfs even contact gehad met een auteur. Het abonnement is dan ineens weer de moeite waard!

Het eerste artikel (van Evi Dalmaijer, Maarten van Leeuwen en Elise van de Putte) gaat over de relatie tussen taalgebruik en welzijn, nouja, een heel specifieke vorm van welzijn: de onderzoekers hebben gekeken naar teksten die geschreven werden door jongeren met chronisch vermoeidheidssyndroon, in het kader van hun behandeling. Bij hun taalgebruik ging het vooral om de mate waarin ze zelf verantwoordelijkheid namen voor hun handelingen. Zeg je ik voor iets wat je gaat doen of al gedaan hebt, of gebruik je – bijvoorbeeld – een lijdende vorm of je? Dus dit (voorbeelden uit het artikel):

Voor mijn gevoel moeten er echt bergen verzet worden voordat ik weer gezond ben.

Voor mijn gevoel moet ik echt bergen verzetten voordat ik weer gezond ben.

Je bent je er op het moment dat je daaraan denkt niet zo van bewust

Vooral ook vanwege die relatie met de lijdende vorm vind ik dit een interessante invalshoek voor onderzoek. Ik heb zelf ook al wel eens gespeculeerd over de relatie tussen het gebruik van passieven en je psychische gesteldheid. Wel heb ik met één van de auteurs nog even een stevig nootje gekraakt over hun analyse van een passief, maar dat ga ik hier niet helemaal uit de doeken doen, dat is echt taalkundig geneuzel en het doet niet af aan de conclusie.

Want die luidt dat er een verschil te zien is in het gebruik van ‘onpersoonlijke’ formuleringen in de loop van de behandeling, en dan vooral bij de groep die daadwerkelijk herstelt. Die groep formuleert vanaf het begin al net wat anders – over of dat betekenisvol is, kunnen de onderzoekers alleen maar speculeren. Maar er is dus inderdaad een relatie tussen herstel en de mate waarin de persoon in de taal zichzelf handelingen toeschrijft.

Fascinerend. De uitkomst verbaast me niet, maar ik vind het wel fraai onderzocht, dus mooi zichtbaar gemaakt – dat is in ons vakgebied nog best wel moeilijk. Ik heb sinds het lezen van het artikel ook al een paar keer opvallende onpersoonlijke zinnen gehoord uit de mond van mensen met ‘problemen’ – daartoe inspireerde het.

Het tweede artikel (zes auteurs, Astrid van Winden als eerste) gaat over kenmerken van alinea’s in teksten van havo-leerlingen. Het is een vervolg op een artikel dat ik hier ook heb aangehaald, en er volgt nog iets – leuk, al die aandacht voor structuur. In dit huidige artikel gaat het erover hoe goed alinea’s van leerlingen zijn, dus de mate waarin ze voldoen aan de normen waar het vorige artikel over ging.

Die normen liggen best wel hoog. Ik keek bijvoorbeeld op van de eisen waarin alinea’s moeten voldoen, volgens de Expertgroep Doorlopende Leerlijnen. In de onderbouw moeten ze bijvoorbeeld verbindingswoorden goed gebruiken en inhoudelijk verband tussen zinnen kunnen leggen. In de bovenbouw moet de gedachtegang logisch en consequent zijn.

‘Tsjonge’, dacht ik, ‘dat zijn de dingen waar ik met ‘mijn’ schrijvende professionals ook nog steeds aan werk’. Okee, die schrijven complexere teksten dan e-mails en betogen, maar toch. Is het niet wat al te veel gevraagd van havo-leerlingen?

Het gaat inderdaad niet zo goed, als je kijkt naar de teksten van de leerlingen. Het enige wat wél echt goed gaat, is dat de teksten überhaupt alinea’s bevatten (en zelfs dat spreekt bij ‘mijn’ schrijvers niet altijd voor zich). Verder rammelen de alinea’s aan alle kanten. In 5havo gaat het wel beter dan in de 2e, maar dat geldt niet voor alle normen.

Het vervolgartikel zal daarom ingaan op de didactiek van het leren schrijven van goede alinea’s. Ben ik hartstikke benieuwd naar! Voor mijn schrijvende professionals kan ik daar vast ook nog wat van opsteken.

 

Geplaatst in Leestips, schrijftips | Geef een reactie

Memorabel presenteren

Louise Cornelis Geplaatst op 6 augustus 2021 door LHcornelis3 augustus 2021  

Gratis te downloaden!

Wat ga ik onthouden van het proefschrift van Martijn Wackers, Making messages memorable. The influence of rhetorical techniques on information retention (LOT, 2021)? Dat formuleer ik expres zo, want het boek gaat over het onthouden van informatie, alleen niet uit teksten, maar uit presentaties. Welnu, drie dingen:

1. Sprekers laten een grote diversiteit zien aan middelen die ze inzetten om ervoor te zorgen dat hun publiek onthoudt wat ze zeggen. Die diversiteit zit ‘m in de verschillende contexten en genres (Wackers analyseerde wetenschappelijke praatjes, politieke speeches en TED-talks), maar ook daarbinnen en zelfs binnen technieken: de ene samenvatting is de andere niet. Sprekers doen in elk geval niet braaf wat handboeken voorschrijven – maar dat verbaast me niks, want dat doen schrijvers ook niet.

2. Drie van de technieken die in Wackers’ onderzoek min-of-meer bleken te werken, zou ik adviseurs ook aanraden als ze iets willen doen om ervoor te zorgen dat hun publiek de informatie beter onthoudt (ook al viel de adviespresentatie als genre niet binnen het onderzoek):

  • De informatieve samenvatting – zou ik ‘samenvatting met hoofdboodschappen’ noemen. Die werkt beter dan de indicatieve samenvatting: alleen maar de onderwerpen aangeven. Je kunt die informatieve samenvatting zelfs beperken tot de belangrijkste punten – representatief is niet nodig. (Ik geef hier trouwens ook helemaal geen representatieve samenvatting van het boek, maar een retorische: gericht op het doel van dit weblog en mijn doelgroep van de presenterende adviseur).
  • Aankondigen van de conclusie. Geen groot effect, maar het is er wel. Beetje lastig is het bij Wackers gaat om een conclusie aan het eind (‘ik rond af’), maar ik kan me wel voorstellen dat ook aan het begin iets zeggen als ‘de belangrijkste boodschap is…’ kan helpen. In tekst werkt dat net zo: dat het goed is om te expliciteren wat de hoofdboodschap is. Met de formulering kun je wel variëren.
  • De cirkel: aan het eind terugkomen op wat je aan het begin hebt gezegd, zo van: ‘Zoals ik in de inleiding al zei, zien we dat…’ Dat werkt maar beperkt als geheugen-bevorderaar, maar het publiek vindt het fijn: de presentatie is dan voor hun gevoel inderdaad rond.

Deze technieken bleken het in – beperkte – experimenten goed te doen in informatieve presentaties máár hun effect bleek groter als de betrokkenheid van het publiek lager was. Voor mij wil dat zeggen dat je als adviseur mogelijk ook wel zonder kunt. Ik citeer uit de  Nederlandse samenvatting (p. 292):

Luisteraars die de inhoud van de presentatie waarderen en betrokken zijn bij het onderwerp hebben mogelijk minder behoefte aan structuurmarkeerders en signaalformuleringen die de aandacht op het slot vestigen.

3. Er zijn cultuur- en historische verschillen in wat er zoal geadviseerd wordt. Dat is niet echt iets praktisch voor presenterende adviseurs, maar ik vind het wel een leuk nieuw inzicht. Als de klassieke Grieken het hadden over geheugentechnieken, was dat vooral gericht op de spreker, dus hoe die zijn eigen draad kon vasthouden. Tegenwoordig gaat het over wat het publiek onthoudt, en dat is een onderwerp waarvoor de belangstelling toeneemt. De Angelsaksische adviesliteratuur is daarin speelser, creatiever dan de Nederlandse. Althans, zo interpreteer ik maar wat Wackers zegt rond pagina 128/129: dat de Engelstalige vakboeken het meer hebben over humor, anekdotes en een levendige en beeldende stijl als technieken om het onthouden te stimuleren. Dat is een andere categorie technieken dan die van mijn vorige punt. Die vallen onder ‘organisatie’ van de presentatie, terwijl deze Engelse favorieten vallen onder ‘elaboratie’: technieken die het publiek stimuleren om de informatie actief te verwerken.

Een derde categorie technieken, de visuele middelen, komt er (helaas) bekaaid van af, net zoals de structuur als zodanig. Beide keuzes verantwoordt Wackers overigens wel, en dat is prima – je kunt als onderzoeker niet alles doen. Ik vond dit al veel. Het boek is interessanter door de breedte (een boel technieken, in handboeken én praktijk én experimenten) dan door de diepte. Toekomstig onderzoek kan meer die diepte in; Wackers is een pionier. (Ik realiseerde me tijdens het lezen dat het jaren geleden is dat ik me in een proefschrift heb verdiept. Heb ik wat gemist, of is het echt zo lang geleden dat er iets relevants verscheen?)

Vervolgonderzoek zou wat mij betreft vooral wat minder schools mogen zijn. Daarmee bedoel ik dat in de huidige experimenten de onderzoeker bepaalt wat de norm is, dus wat het publiek zich moet herinneren. Dat wordt bevraagd alsof het een proefwerk is. Volwassen publiek maakt echter zelf wel uit wat ze (willen) onthouden. Dat is lastig voor een onderzoeker, voor onderzoekers – want zoals dit onderzoek is er in mijn vakgebied wel meer.

Alsof de taalbeheerser weet hoe het moet, weet wat ‘goed’ en ‘slecht’ luisteren en onthouden is. Dat is niet zo. Heb ik Making messages memorable slecht gelezen door eruit te halen wat mij interesseert? Dacht het niet!

 

Geplaatst in Leestips, Presentatietips | Geef een reactie

Zomerblogpost

Louise Cornelis Geplaatst op 2 augustus 2021 door LHcornelis2 augustus 2021  

Het is zomer, dan is mijn werk rustig, en dan doe ik meer andere dingen. Dit jaar bijvoorbeeld veel sport kijken: EK voetbal, Tour de France en Olympische Spelen. Afgelopen vrijdag kwamen dat en mijn vak ineens op interessante wijze samen: op neerlandistiek.nl ging het over totaalwielrennen. Leuk stuk, het gaat over de woordbetekenis, maar de wielren-inhoudelijke kant gaat ook best diep.

Iets anders wat ik doe, is lekker naar buiten. Het is weliswaar geen uitgesproken strandweer, maar afgelopen vrijdag wandelde ik wel over het badstrand van Vlissingen. Daar trof ik dit bord aan, weer een mooie voor mijn collectie:

Die rood-gele vlag hadden we al zien hangen, en eigenlijk dacht ik dat dat ’twijfelachtig zwemmen’ betekende. Ik vind het onlogisch dat rood ‘zwemverbod’ betekent en geel ‘gevaarlijk zwemmen’, dat dan rood + geel ‘bewaakte baderszone’ is. Dus? Is het dan veilig? Voor veilig zwemmen zou ik iets met groen verwachten. Maar dat is dus alleen maar als er EHBO is. Of is het juridisch te problematisch om iets ‘veilig’ te verklaren?

Dat ook een oranje vlag een verbod inhoudt, vind ik onlogisch, en ook de volgende twee vind ik niet bepaald intuïtief. Maar de laatste vind ik ronduit hilarisch. Een rode vlag betekent een verbod, een gele vlag betekent gevaar, en een blauwe vlag betekent… een blauwe vlag!

 

Geplaatst in Leestips, Opvallend | Geef een reactie

43 drogredenen met uitleg, voorbeelden, verweer en cartoon

Louise Cornelis Geplaatst op 29 juni 2021 door LHcornelis28 juni 2021  

Van Paula Steenwinkel kreeg ik onlangs haar boek Drogredenen – herkennen en weerleggen toegestuurd; we kennen elkaar, hebben samengewerkt wel eens, en op Twitter hebben we het wel eens over drogredenen gehad. (Zo zeer zelfs dat ik het tot het dankwoord geschopt hebt – graag gedaan.) In het briefje bij het boek schrijft Paula dat ik ‘natuurlijk’ alles al wel weet. Nou, dat is helemaal niet zo, en bovendien was mijn leeservaring er volgens mij vaker een van mede-Twitteraar en -burger dan van vakgenoot.

Dat ik nog lang niet alles wist, zit hem erin dat ik verbaasd opkeek van de grote hoeveelheid verschillende drogredenen: 43, afgaand op de hoofdstukjes. Ik kende ze lang niet allemaal, zeker niet bij naam en precieze categorisering, wat nogal subtiel is soms: de red herring is te onderscheiden van whataboutism en de casaliteitsdrogereden van de post hoc ergo propter hoc. 

Ik hoest ook niet zomaar de weerlegging op. Was het maar waar, dan zat ik minder vaak met m’n mond vol tanden. Ik weet niet of ik dat door dit boek beter ga doen, daar kom ik straks op terug.

Het is sowieso een nuttig boek. Aandacht voor drogreden is nodig, altijd, en helemaal in tijden van fact free journalistiek en politiek, welig tierende complottheorieën en ontsporende discussies op de sociale media.

Het is daarnaast vooral ook een leuk boek. Elke drogreden is voorzien van een toepasselijke cartoon van Fokke & Sukke – wat wil je nog meer? Nou, hartstikke veel en herkenbare voorbeelden. Actueel: veel over corona en vaccinatie dus. Ze zijn voor een deel afkomstig van bekenden, zoals Trumps ‘if we didn’t do testing, we’d have no cases’ (een ad ignorantiam, p.100). Baudet is de andere usual suspect, en verder passeren een boel BN’ers de revue, zoals Henk Westbroek, Jan Pronk, Jort Kelder, Rosanne Hertzberger en Ernst Jansz.

Heel vaak echter zijn de voorbeelden dagelijkse tweets van anonieme twitteraars die lijken op wat ook aan de lopende band in mijn timeline opduikt. Hellende vlakken bijvoorbeeld, zoals deze naar aanleiding van het schrappen van de aanduiding M of V op identiteitskaarten:

Het begint met het geslacht. Daarna verdwijnt de naam. Vervolgens de foto. Wat rest is een nummer…

Van dat soort redeneringen ga ik wel eens zuchten als ik m’n Twitter doorneem. En wat moet je ermee? Ik zou geneigd zijn de weerlegging te zoeken in het relativeren van het onredelijke (‘zo’n vaart zal het niet lopen’) maar in het boek (p. 89) staat een reactie die het juist doorzet tot in het absurde, eindigend met:

En voor je het weet wordt de buurtsuper een door een Algerijnse vrouw gerunde sportschool met felle neonreclame op het dak.

Dat is grappig en ook weer herkenbaar: de gevatheid van sommige mede-Twitteraars.

Of drogredenen zo weerleggen werkt, daarvan heb ik geen idee. De voorbeelden eindigen na die ene weerlegging, zodat niet te zien is in hoeverre het olie op het vuur van de interactie is. Je kunt misschien wel gelijk hebben, maar daarmee heb je het nog niet gekregen. 

Dus  herkennen, ja, maar me verweren? Stel, ik denk dat ik slachtoffer ben van een onredelijke discussiezet en ik weet niet meteen hoe ik het beste kan reageren. Dan moet ik met dit boek in de hand nogal wat analytisch werk verzetten: is dit een drogreden ja/nee, zo ja, welke van de 43 is het dan, hoe heet die, en wat is dan het bijbehorende verweer? Lezendeweg kreeg ik daarom behoefte aan een keuzehulp, een beslisboom ofzoiets, op grond waarvan ik drogredenen kan determineren.

Wat me in elk geval wel helpt bij het doorzien van de redenatie, is dat bij elke drogreden een stukje staat ‘waarom werkt dit’. Daarin komt de relatie aan de orde tussen de drogreden en denkfouten of andere bij ons allemaal ingebakken neigingen. Dat is ook troostrijk. We bezigen allemaal wel eens een ad populum bijvoorbeeld, en dat doen we niet omdat we zo onredelijk zijn, maar omdat we kuddedieren zijn.

En omdat drogredenen werken. Soms.

Desalniettemin wil ik er kritisch op zijn. Daar helpt het boek zeker bij: het kweekt meteen een grotere gevoeligheid voor drogredeneringen aan. Ik zie en hoor ze ineens overal. 

Met als gevolg dat ik meteen Fokke & Sukke voor me zie. Op tv hoorde ik bijvoorbeeld gister een typische ‘is-ought’ (naturalistische drogreden), zo van: ‘het is nou eenmaal de natuur’. Daar zit een heerlijke cartoon bij waarvan de strekking is dat mannen vroeger al tot diep in de nacht naar ‘vieze grottekeningen’ zaten te kijken. Ik denk dat die nu voor altijd voor mij aan die drogreden zit vastgekleefd!

Alleen al voor 43 drogredenerende Fokke & Sukke’s is het boek de moeite waard. Paula’s bijbehorende nieuwe blog ga ik zeker ook volgen!

Geplaatst in Leestips | Geef een reactie

Bericht navigatie

← Oudere berichten
Nieuwere berichten →

Recente berichten

  • Het is niet zeker dat deze korte tip werkt
  • Intelligentie voor atleten?
  • Zware studiedag over schrijven met AI
  • Zweedse koks in Antwerpen
  • Met een pro-drop naar de sportschool

Categorieën

  • Geen rubriek (10)
  • Gesprek & debat (30)
  • Gezocht (9)
  • Leestips (326)
  • Opvallend (563)
  • Piramideprincipe-onderzoek (98)
  • Presentatietips (154)
  • schrijftips (905)
  • Uncategorized (47)
  • Veranderen (39)
  • verschenen (206)
  • Zomercolumns fietsvrouw (6)

Archieven

  • februari 2026
  • januari 2026
  • december 2025
  • november 2025
  • oktober 2025
  • september 2025
  • augustus 2025
  • juli 2025
  • juni 2025
  • mei 2025
  • april 2025
  • maart 2025
  • februari 2025
  • januari 2025
  • december 2024
  • november 2024
  • oktober 2024
  • september 2024
  • augustus 2024
  • juli 2024
  • juni 2024
  • mei 2024
  • april 2024
  • maart 2024
  • februari 2024
  • januari 2024
  • december 2023
  • november 2023
  • oktober 2023
  • september 2023
  • augustus 2023
  • juli 2023
  • juni 2023
  • mei 2023
  • april 2023
  • maart 2023
  • februari 2023
  • januari 2023
  • december 2022
  • november 2022
  • oktober 2022
  • september 2022
  • augustus 2022
  • juli 2022
  • juni 2022
  • mei 2022
  • april 2022
  • maart 2022
  • februari 2022
  • januari 2022
  • december 2021
  • november 2021
  • oktober 2021
  • september 2021
  • augustus 2021
  • juli 2021
  • juni 2021
  • mei 2021
  • april 2021
  • maart 2021
  • februari 2021
  • januari 2021
  • december 2020
  • november 2020
  • oktober 2020
  • september 2020
  • augustus 2020
  • juli 2020
  • juni 2020
  • mei 2020
  • april 2020
  • maart 2020
  • februari 2020
  • januari 2020
  • december 2019
  • november 2019
  • oktober 2019
  • september 2019
  • augustus 2019
  • juli 2019
  • juni 2019
  • mei 2019
  • april 2019
  • maart 2019
  • februari 2019
  • januari 2019
  • december 2018
  • november 2018
  • oktober 2018
  • september 2018
  • augustus 2018
  • juli 2018
  • juni 2018
  • mei 2018
  • april 2018
  • maart 2018
  • januari 2018
  • december 2017
  • november 2017
  • oktober 2017
  • september 2017
  • augustus 2017
  • juli 2017
  • juni 2017
  • mei 2017
  • april 2017
  • maart 2017
  • februari 2017
  • januari 2017
  • december 2016
  • november 2016
  • oktober 2016
  • september 2016
  • augustus 2016
  • juli 2016
  • juni 2016
  • mei 2016
  • april 2016
  • maart 2016
  • februari 2016
  • januari 2016
  • december 2015
  • november 2015
  • oktober 2015
  • september 2015
  • augustus 2015
  • juli 2015
  • juni 2015
  • mei 2015
  • april 2015
  • maart 2015
  • februari 2015
  • januari 2015
  • december 2014
  • november 2014
  • oktober 2014
  • september 2014
  • augustus 2014
  • juli 2014
  • juni 2014
  • mei 2014
  • april 2014
  • maart 2014
  • februari 2014
  • januari 2014
  • december 2013
  • november 2013
  • oktober 2013
  • september 2013
  • augustus 2013
  • juli 2013
  • juni 2013
  • mei 2013
  • april 2013
  • maart 2013
  • februari 2013
  • januari 2013
  • december 2012
  • november 2012
  • oktober 2012
  • september 2012
  • augustus 2012
  • juli 2012
  • juni 2012
  • mei 2012
  • april 2012
  • maart 2012
  • februari 2012
  • januari 2012
  • december 2011
  • november 2011
  • oktober 2011
  • september 2011
  • augustus 2011
  • juli 2011
  • juni 2011
  • mei 2011
  • april 2011
  • maart 2011
  • februari 2011
  • januari 2011
  • december 2010
  • november 2010
  • oktober 2010
  • september 2010
  • augustus 2010
  • juli 2010
  • juni 2010
  • mei 2010
  • april 2010
  • maart 2010
  • februari 2010
  • januari 2010
  • december 2009
  • november 2009
  • oktober 2009
  • september 2009
  • augustus 2009
  • juli 2009
  • juni 2009
  • mei 2009
  • april 2009
  • maart 2009
  • februari 2009
  • januari 2009
  • december 2008
  • november 2008
  • oktober 2008
  • september 2008
  • augustus 2008
  • juli 2008

©2026 - Louise Cornelis
↑