Vorige maand stak ik hier de loftrompet van het boek The So-What Strategy. Ik kreeg net bericht dat het er ook als e-boek is, dus dat meld ik dan ook graag hier. Wel alleen als Kindle, via Amazon.

Vorige maand stak ik hier de loftrompet van het boek The So-What Strategy. Ik kreeg net bericht dat het er ook als e-boek is, dus dat meld ik dan ook graag hier. Wel alleen als Kindle, via Amazon.
In de meest recente editie van Tekstblad (jaargang 23, nummer 4) staat een goed artikel van mijn gewaardeerde collega Jeanine Mies over de ’tekstpraktijk’ bij het Rijk – over waarom goede schrijfintenties vaak sneuvelen, zo staat het als vraag in de ondertitel. Mies geeft daar vijf antwoorden op, een overzicht dat ik herkenbaar vind, en waar ze adviezen aan verbindt:
Aanrader, dat artikel, voor iedereen die met schrijven en tekstkwaliteit in organisaties bezig is!
Het is al uit 2009, maar ik ontdekte het pas recentelijk: het boek De tranen van Kuif den Dolder van Nico Dijkshoorn. Ik vond het leuk en grappig, maar vooral indrukwekkend door de vorm. Het zijn namelijk allemaal kleine stukjes citaten van mensen die die Kuif den Dolder ooit gekend hebben. Het is alsof de auteur met hen groepsgewijs in gesprek is gegaan en die gesprekken klakkeloos heeft opgeschreven, terwijl de sprekers op Kuif terugblikten en vertelden over hun gezamenlijke, nogal absurdistische belevenissen.
Maar de gesprekken zijn niet altijd coherent; tussen al die terugblikken zitten gaten en tegenstrijdigheden: iedereen heeft zo zijn eigen visie. Er is geen overkoepelend perspectief, geen verteller die uitlegt wat er is gebeurd. En het zijn allemaal kleine fragmentjes, een paar zinnen lang.
Al die fragmentjes zijn een soort puzzelstukjes, die je als lezer zelf tot een plaatje moet leggen. Je krijgt echter het verhaal net niet helemaal rond: je weet net niet helemaal precies wat er gebeurd is, al krijg je wel een heel sterk vermoeden. Maar dat is gebaseerd op suggestie, en dat is ook knap beklemmend aan het boek: het heeft iets benauwends, er wordt veel gesuggereerd, veel ingevuld ook, soms lijkt het roddelen.
Het boek doet een groot beroep op je interpretatievermogen en dat is leuk. En je kunt er dus deels een eigen draai aan geven.
Het puzzelen tijdens het lezen van dit boek doet me denken aan een piramide-structuur waarvan je alleen de onderkant krijgt, en dan nog in een rommelige volgorde en niet alle ‘vakjes’ kloppen. Voor een voor-de-lol-boek vind ik dat leuk lezen. Maar voor een adviesrapport zou het vervelend zijn!
Hoogste tijd voor de oogst aan nuttige, leuke en interessante links weer!
Perhaps people don’t have a short attention span. Maybe your content has a short interesting span.
Dank weer aan de blogs en de tweeps die ik volg.
Hoera! Eindelijk is er weer een echt goed boek verschenen dat geïnspireerd is op het piramideprincipe en het ook heel veel recht doet. Het heet The So What Strategy, met een heel lange ondertitel: Introducing classic storylines that answer one of the most uncomfortable questions in business. Schrijvers zijn Davina Stanley en Gerard Castles, allebei ook oud-McKinsey en met Davina heb ik af en toe contact. Davina en Gerard runnen het Clarity College, en ze hebben ook fraaie software voor storylining ontwikkeld, Neosi – om maar een paar goeie dingen te noemen die ze doen.
En nu hebben ze dus een boek. Het ziet er goed te behappen uit en is qua omvang te vergelijken met mijn eigen boek (128 pagina’s). De inhoud is grotendeels ook vergelijkbaar, en voor mij is het erg leuk om eens in andere woorden te lezen wat ik zelf zo vaak zeg, bijvoorbeeld over waarom goed structureren zo waardevol is: omdat het leidt tot helder denken en heldere communicatie, omdat besluitvorming erdoor verbetert, omdat het een goede manier van samenwerken bij complexe vraagstukken versterkt en omdat je er vertrouwen mee opbouwt. Da’s hoofdstuk 1!
Er zijn drie dingen wel echt anders dan mijn boek:
Ik hoop The So What Strategy te gaan gebruiken – voor Engelstalige groepen. Die kan ik nu eindelijk iets anders bieden dan Minto’s boek (dat ik te duur vind voor hoe verouderd het is, en sowieso niet zo heel geweldig geschreven) of mijn eigen artikel in vertaling.
En jammer toch dat Davina en Gerard zo ver weg wonen… Down Under!
Op De Correspondent is net verschenen een raak artikel van Marilse Eerkens over het belang van goed schrijfonderwijs. Ik word erin genoemd, zeg ik met enige trots: ik heb in de aanloop ook met haar gesproken, als ‘schrijftrainer van mensen in het bedrijfsleven’ maar het citaat dat dat opleverde is er door de redactie uitgehaald. Nouja, kan ik prima mee leven; ik zette Marilse ook op het spoor van Gert Rijlaarsdam en bovendien herken ik veel van de teneur van ons gesprek én vind ik het een belangwekkend stuk, dus ik ben sowieso dik tevreden.
Waar ik bij het lezen het aller-enthousiasts van werd, is het stuk waar eerst Rijlaarsdam zegt dat ons schrijfonderwijs heel beperkt is, dat kinderen niet leren hoe je schrijven aanpakt, en dat er dus aan schrijfonderwijs een aanname ten grondslag ligt dat je schrijven wel oppikt uit je omgeving. Dat laatste had ik me nooit zo gerealiseerd, maar het is wel zo.
Ik herinnerde me ineens ook dat ik wel schrijfvaardigheid heb gegeven aan eerstejaars studenten en dat er daar een paar tussen zaten die gewoon geen fatsoenlijke schrijftaalzinnen konden produceren, en hoe je dat doet, dat kon ik ook niet uitleggen. Dat wéét ik (of liever gezegd: daar heb ik gevoel voor) omdat ik veel goede schrijftaal heb gelezen, en ook al gelezen had toen ik ging studeren. Ik kom uit zo’n zeer talig gezin, pa en ma waren allebei fervente lezers en ik ben bijvoorbeeld uitgebreid voorgelezen.
Het is wel opmerkelijk dat je van het VWO kunt komen zónder gevoel voor goede zinnen, maar dat terzijde.
Nouja, en dat mensen niet leren hoe te schrijven, daarover heb ik het uitgebreid gehad met Marilse. Want dat zie ik in mijn praktijk ook. Het is voor veel van de mensen met wie ik werk bijvoorbeeld nogal een eye opener dat je over schrijven kunt nadenken in termen van het proces, niet alleen van het product (de tekst). Dat je dat proces meer en minder effectief kunt aanpakken bijvoorbeeld, en dat daarover kennis is. En dan heb ik het dus over hoogopgeleide mensen die al jarenlang regelmatig schrijven. Die doen ook maar wat.
En dat kan dus echt beter. En ja, daar ga je ook beter van denken.
De vorige posts op dit blog verschenen ‘achter mijn rug’: ik was twee keer vlak achter elkaar een week op vakantie. Twee blogposts daarover, om te beginnen met de eerste week – een weekje Shakespeare!
Vorig jaar sloeg ik, voor het eerst sinds 2007, een jaartje over, maar dit jaar wilde ik weer heel graag naar Buitenkunst – en dat werd dus de tiende keer. Ik ervaar die weken altijd als inspirerend, en schreef er dan ook op dit blog vaker over (zie over de vorige keer). En ja, ook dit keer was het leuk, leerzaam én relevant voor mijn werk.
Toen het programma uitkwam, had ik net in een theaterproductie gespeeld en daar ervaren dat tekst leren me meeviel, en de echte klassiekers op toneelgebied lonken al langer, vandaar dat ik meteen enthousiast werd van een week Shakespeare, en helemaal van de omschrijving:
Who the fuck is Shakespeare
Omdat er meer is dan de keuze tussen zijn en niet zijn richten we een laboratorium in voor literatuur- en spelonderzoek. Een onderzoek rondom leven en werk van de meest geciteerde toneelschrijver uit de geschiedenis: Shakespeare. En hoe dat in hemelsnaam te spelen? We duiken zijn biografie in en slaan ondertussen zijn teksten aan gort, besmeuren ze om vervolgens het vuil er weer vanaf te krabben en ze hemels te bewonderen. Dit betekent maniakaal studeren, diepzinnig lezen en frivool spelen. “Ontheilig de heilige voor men hem begrijpen kan.”
Een week aan de slag met die grootheid, wauw! Ik lees alles wat los en vast zit, maar nou net geen toneelteksten, en al helemaal geen oude Engelse, vandaar dat ik hem eigenlijk niet zo goed kende. Behalve dan van twee recente uitvoeringen, van Macbeth en van The Tempest (De Storm).
Beide keren was ik diep onder de indruk van Shakespeare’s inzicht in de menselijke geest, vooral in de gekte van de hoofdpersonen – gewone, dagelijkse gekte, waar we allemaal wel wat van hebben, maar wat meestal niet zo erg is, behalve dan als het een koning betreft ofzoiets. (Of de president van de VS, ja, en daar ging het tijdens de week dan ook regelmatig over).
Dus, op naar Buitenkunst, en het werd een heel fijne week. Ontspannen, maar ook veel geleerd. We deden dingen met de hele groep, waaronder het begin van Richard III lezen en de scene uit Hamlet over acteren als groepsgesprek spelen. En ik heb ook nog samen met een groepsgenoot de ‘to be or not to be’ scene uit Hamlet als dialoog gespeeld, erg leuk.
Maar het grootste deel van de tijd deden we een individueel ‘onderzoeksproject’. Het mijne begaf zich een beetje onverwacht níet in de richting van die dagelijks gekke hoofdpersonen in de toneelstukken, maar in de richting van de sonnetten.
Daar kwam ik op doordat ik vertelde over die keer dat ik van Huub van der Lubbe begreep dat diens nummer (solo en van De Dijk) ‘Mijn liefjes ogen’ zijn vertaling was van sonnet 130. Ook daarover schreef ik eerder hier. Ik noem het daar al een beetje arrogant – het was ook grappig, licht spottend. Het was op dat moment dat ik me realiseerde dat er humor zit in Shakespeare, zelfs in diens ogenschijnlijk serieuze werk (dus niet alleen in zijn komedies).
Met dat in mijn achterhoofd ben ik sonnet 130 zelf maar eens gaan lezen. Die humor had ik er zelf niet in gezien, sterker nog: door de laatste anderhalve zin, waar de strekking in staat, snap ik er eigenlijk niks van. I think my love as rare as any she belied with false compare – huh? Ik begreep later van Arno, bevriend Anglist, dat dat ongrammaticaal is en dat er over de betekenis ervan wel een soort consensus is, maar dat Shakespeare daar niet bepaald eenduidig is.
Zie je wel: moeilijk om te lezen…. Maar door Van der Lubbes ogen, en die van andere vertalingen, snap ik het wel.
Vervolgens ben ik dat andere beroemde sonnet, nummer 18, gaan lezen, het enige werk van Shakespeare dat we op de middelbare school integraal behandeld hadden – waarvan ik me niks meer herinner, behalve dat ik er niet veel van snapte. Dat is aan Shakespeare blijven kleven voor mij: moet je mooi vinden, maar ik zie het niet. Zal wel aan mij liggen – ben ik er te dom voor?
Dat vroeg ik me nu ook af. Alleen al de beginzin: ‘Shall I compare thee to a summer’s day’. Ik las dat op één van die dagen begin augustus dat de regen met bakken uit de hemel neerkwam. Het ultieme Engelse liefdesgedicht, wordt het wel genoemd – huh?
Maar zo blijkt Shakespeare het ook bedoeld te hebben: de zomer is niet altijd zo mooi, de geliefde is mooier. Dat kan ik volgen, maar daarna gaat het over diens eeuwige leven. Is die geliefde dan niet van vlees en bloed?
In de laatste drie zinnen raak ik het helemaal kwijt. Eeuwige lijnen, huh, en waarop slaat this in de slotzin? Help, zie je wel: ik vind Shakespeare echt te moeilijk!
Gelukkig zijn er vertalingen, op dat punt hebben wij het makkelijker dan de native speakers. Zodoende begreep ik dat de lines ‘zinnen’ zijn en this slaat op het gedicht zelf, het verwijst naar zichzelf. Shakespeare heeft het over zijn eigen werk!
Hmm, dacht ik toen, is dat niet een beetje lullig? Hij vergelijkt zijn geliefde met een prutzomer en zegt daarna eigenlijk: dat jij doodgaat is niet zo erg, want in mijn werk blijf je altijd bestaan.
En toen las ik wat door en zag ik dat ook anderen het ‘boasting’ noemen en ’trotse borstklopperij’. Zie je wel!
Zo kwam ik tot een eigen vertaling van het gedicht:
Ja, dat toch wel, daarvoor vond ik te leuk wat ik had gevonden. En ik ging helemaal om toen we de voorstelling gingen uitwerken en ik zag in welk hokje ik zou ‘optreden’, met, net als de andere Shakespeare-onderzoekers, in een wit pak – ons Shakespearelaboratorium.


Ineens leek het helemaal niet meer op mijn werk, en vond ik het tóch (ook) spelen! Ik had al eerder ervaren dat toneel spelen en trainingen of presentaties geven op elkaar lijkt, en dat was nu helemaal zo – het liep in elkaar over.
De uitvoeringen gingen goed. Er konden maximaal acht mensen in mijn lab en we ‘draaiden’ allemaal 45 minuten, tegelijk, dus mensen konden meerdere labs bezoeken. Deze introductie hing op mijn deur:

En zo was het een prima week, in een prettige groep, met ook – zoals op Buitenkunst gebruikelijk – mooie dingen gezien van de andere groepen, een paar goede gesprekken gehad, gelachen én lekker gekampeerd, wat me ook altijd energie geeft, zo’n hele week buiten
En wat is nou de crux voor mijn werk? Nou, dat iedereen op z’n eigen manier leest, dat verkondig ik hier vaker. Dat sonnet 18 als arrogant is op te vatten, dat is niet de ‘officiële’ lezing. Op een scholierensite zag ik bijvoorbeeld staan dat de strekking is ‘schoonheid kan door poëzie vereeuwigd worden’. Dat is dan het ‘goede’ antwoord. Jaja. Die arme scholieren.
Geen enkele tekst of interpretatie is heilig; de lezer heeft altijd gelijk. En dat geldt ook voor Shakespeare. De week maakte zo helemaal waar wat in de aankondiging stond!
Ik heb de afgelopen weken negen boeken besproken. Een tiende boek zou het een mooi rond getal maken, maar ik heb geen tiende boek – en een top tien zou ook een onterechte suggestie wekken. In plaats daarvan heb ik als leestip wel weer een verzameling leuk en nuttige links van de afgelopen tijd. Het is veel, meer dan tien zelfs, en van alles en nog wat:
Met dank weer aan de Twitteraars, blogs en aan Google!
Met boek nummer 9 in deze serie ben ik dan eindelijk wel recht in de kern van de zaak van dit weblog aanbeland. Het is dan ook een boek waar ik omwille van de titel niet omheen kon: Zakelijk schrijven voor dummies, van Eugène van Haaren. Bijna 30 euro voor betaald, maar helaas: ik vind het niks.
Belangrijkste probleem van het boek vind ik meteen heel fundamenteel, omdat wat mij betreft een schrijfboek moet practicen wat het preacht. Dus als je, zoals dit boek natuurlijk ook zegt, lezergericht moet schrijven, moet helder zijn wie je lezer is. Ik heb geen flauw idee welke lezer Van Haaren voor ogen heeft gehad met dit boek. Het staat ook nergens. Hij heeft zelf een achtergrond in de PR, begrijp ik – bedoelt hij mensen zoals hijzelf?
Zakelijk schrijven gaat over teksten die je gebruikt als gereedschap, lees ik op p. 1. En ook dat niet alle mogelijke soorten zakelijke teksten in dit boek staan – kan ik me wat bij voorstellen. Maar wat de keuze bepaald heeft – ik zou het niet weten. De eerste honderd pagina’s gaan over journalistiek schrijven, daarna dik 50 over internet, daarna 30 over zakelijke brieven, mails en formulieren, 20 over sociale media, 15 over video’s en andere presentaties.
Vanwaar die grote aandacht voor journalistiek schrijven, versus het volledig ontbreken van beslisdocumenten (memo’s, managementrapportages e.d.) en beleids- en adviesteksten? Plus daarbij ook nog internet, wat weer een massamediale aanpak is, terwijl veel zakelijk schrijven juist voor een bepaalde lezer of lezersgroep is. Wie schrijft er zo veel voor grote groepen, maar dan zonder journalistieke achtergrond? En zou je dan niet liever een apart boek voor journalistiek schrijven kopen? Dit boek doet enerzijds te veel en anderzijds te weinig.
De indeling in vijf genres maakt het onmogelijk om algemene schrijfprincipes te bespreken, waardoor bijvoorbeeld algemene formuleringskwesties verstopt zitten in het gedeelte over internet.
Inhoudelijk – ach… Anderhalf jaar geleden gaf ik een recensie-blogpost de titel ‘Weer zo’n boek‘ en dat geldt ook hiervoor: weer van die te gemakkelijke tips. Ik heb een paar steekproeven genomen en werd niet happy van het moeten vermijden van de lijdende vorm (vooral ontzettend slechte voorbeeldzinnen), de behandeling van B1 (toegeven dat dat geen norm is voor teksten maar voor leerders van een vreemde taal, maar hem vervolgens toch voor teksten gebruiken; zie dit achtergrondartikel daarover), de behandeling van het spanningsveld tussen lezergericht en strategisch schrijven (afdoen in een paginaatje) of van een aantal voorbeelden. Inhoudelijk is het dat net niet, te kort door de bocht – en al ontzettend vaak in boeken opgeschreven zonder dat mensen er beter van gaan schrijven.
Mij vielen vooral veel perspectiefbreuken op in de kopjes van voorbeeldbrieven. Die op p. 189 bijvoorbeeld, die gaat over belastingaangifte en de koppen luiden ‘Tot wanneer kan ik aangifte doen?’ en ‘Hoe doet u aangifte?’ – terwijl die ‘ik’ en die ‘u’ dezelfde persoon, namelijk de lezer zijn (van al die vraag-kopjes, een B1-principe, krijg ik trouwens sowieso jeuk maar dat terzijde).
De toon is me dan ook nog iets te jolig. Bijvoorbeeld met van die dingetjes tussen streepjes:
Dit pictogram geef – heel verrassend – aan waar handige tips staan…(p. 4)
Dat heet dan – heel hip – storytelling (p. 7)
De beoogde lezer is vast jong, denk ik dan, maar Van Haaren zelf is van mijn leeftijd.
Nou goed, dat is ook een kwestie van smaak, en kennelijk is en blijft er markt voor dit soort boeken, zeker uit de Dummies-serie én hip. Het punt van de onduidelijke lezer vind ik ernstiger. Ik zou niet weten wie er met dit boek echt geholpen is.
Ik heb in mijn zomerserie boeken tot nu toe zeven boeken besproken die ik allemaal goed vond en met plezier helemaal gelezen heb. Boek nummer 8 gaat net als nummer 7 over creatief schrijven, maar ik kwam er niet doorheen,, ik vond het helemaal niks. Het is Laat ze maar denken dat je als schrijver geboren bent. Een atypische schrijfgids van DBC Pierre.
Net als het boek van Hemmerechts (de vorige leestip) is dit geen standaard schrijfhandboek, zoals ook al uit de ondertitel blijkt. Eigenlijk ratelt Pierre maar een beetje door over schrijven en over zijn eigen leven en ervaringen, zonder dat ik er veel samenhang of structuur in kan ontdekken.
Ik vind de associaties ook niet zo interessant. Hier en daar staat er wel een aardig inzicht in of een passage die tot nadenken stemt, maar vaak vind ik ze quasi-diep – pretentieus. Of misschien ironisch, maar dat weet ik dan niet zeker, en daar houd ik ook al niet van. De concretere schrijfadviezen die ik opviste, vond ik niets nieuws onder de zon.
Er kwam wel een aap voor me uit de mouw toen ik aankwam bij het hoofdstuk over drugs. Pierre is daar een voorstander van: ze bevorderen het creatieve proces. Voor cannabis doet dat. Aha, ja, wat je onder invloed produceert klinkt vaak in je eigen oren briljant, terwijl het voor een ander moeilijk te volgen is en al helemaal niet interessant. Ik begrijp dat Pierre een achtergrond heeft als drugsgebruiker (en oplichter). Tsja, mijn manier is dat niet.
Ik meen ook waar te nemen dat Pierre freewriting-achtige technieken heeft toegepast en/of zich niet zo veel heeft aangetrokken van conventionele schrijf- en leesbaarheidsprincipes. Net zoals bij een boek dat ik een tijd terug besprak, dat van Klinkenborg, heb ik daar moeite mee. Ik moet dan altijd denken aan wat Willem Kloos zei, over de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie (link). Hij had het toen over poëzie. En zelfs dan betwijfel ik of hij gelijk heeft, en of je als dichter niet toch ook een béétje moeite wilt doen om leesbaar te zijn.
Voor een boek over schrijven of welk ander inhoudelijk thema dan ook geldt dat van die leesbaarheid, lezergerichtheid, wat mij betreft wel. Anders wordt het een soort toevalstreffer of je lezer met je associatieve en vrije stroom mee wil gaan. Dat soort lezers zullen er zeker zijn, bij Pierre zowel als bij Klinkenborg – ik googlede wat en vind in recensies voors en tegens.
Van mij mag een schrijver een lezer wat meer tegemoet komen. En daar zijn drugs niet voor nodig. Sterker nog: die werken averechts.