Mocht je onder de kerstboom ineens gaan zitten tobben over je eigen schrijven of over dat van je schoolgaande kinderen, dan heb ik hier nog een leestip: het artikel ‘Schrijfontwikkeling en leerproblemen’ van Charles MacArthur. Met een beetje moeite is het voor een leek goed te volgen, en het is erg goed. Het gaat vooral over het schrijven van leerlingen in basis- en voortgezet onderwijs, maar het is relevant voor iedereen die moeite heeft met schrijven of die geïnteresseerd is in hoe complex schrijven is. Er wordt bijvoorbeeld in betoogd dat leerlingen moeten leren dat schrijven communiceren is. Nou, dat weten veel volwassenen ook nog niet, zo is mijn ervaring bij trainingen. Of nouja, ze wéten het misschien wel, maar die kennis heeft geen relevantie voor hun eigen aanpak van de schrijfklus: een lezer hebben ze niet in gedachten…
LHcornelis
Dictee-boycot
Deze week wordt mij natuurlijk regelmatig gevraagd hoe ik het Groot Dictee er vanaf gebracht heb. Gister zelfs ergens op internet, en laat ik mijn reactie (ietsje aangepast) hier kopiëren:
Ik doe er niet aan mee, om principiële redenen. Het wekt de indruk dat spellen iets ontzettend moeilijks is wat zelfs de allerbesten in zo’n klein tekstje niet foutloos kunnen. In dat dictee zitten vooral hele rare en moeilijke woorden, de gekste uitzonderingen, zeg maar, terwijl 99 % van de woorden reeglmatig en voorspelbaar geschreven wordt, gewoon volgens de regels – en die regels zijn voor het grootste deel ook nog eens helemaal niet zo moeilijk of absurd. En de uitzonderingen, die hoef je niet te weten, die kun je sowieso opzoeken. En als je ze vaak gebruikt, weet je ook hoe je ze moet schrijven. Probleem opgelost. Spellen is helemaal niet zo moeilijk!
Ik ben gewoon niet zo happy met de beeldvorming rond spelling. Ik maak in trainingen heel vaak mee dat mensen zeggen ‘nou, die spelling, daar snap ik echt helemaal niks meer van, hoor, al die veranderingen, veel te ingewikkeld geworden’. En dat is dus niet zo.
Bovendien is het maar spelling. Er komt bij schrijven zo ontzettend veel meer kijken dan alleen spellen, maar het wordt er wel erg mee vereenzelvigd – van die mensen die zeggen: ‘ik kan niet schrijven’. Maar ze bedoelen alleen maar ‘ik maak veel spelfouten’. Of nog preciezer: ‘ik maakte vroeger volgens de juf veel spelfouten’, óf dus ‘ik maak in het Groot Dictee wel 60 fouten’. Maar dat heeft met kunnen schrijven niet veel te maken.
Dus: ik heb niet eens gekeken.
En als neerlandicus ben ik trouwens bepaald geen spellingswonder, hoor. Nouja, de d’s en de t’s en alle regelmatige en logische dingen, die 99 % waar ik het hierboven over had, die beheers ik wel. En ik weet waar ik dingen op moet zoeken!
Structuur in balans
Tijdens een training vorige week kreeg ik de vraag voorgelegd hoe erg het is als de structuur van een rapport uit balans is. Symptomen daarvan zijn bijvoorbeeld: een hoofdstuk is extreem veel korter of langer dan de rest, het ene hoofdstuk heeft geen onderverdeling in paragrafen terwijl het andere wel tot vier decimalen door-onderverdeelt (paragraaf 1.2.3.4), of het structuurontwerp, de ‘boom’ of piramide, is naar één kant veel dieper dan naar een andere (zie afbeelding).
Ik werd een beetje verlegen van die vraag. Ik voelde me niet in de positie om er een scherp antwoord op te geven. De afgelopen weken ben ik namelijk zelf met precies die vraag aan het worstelen geweest. De structuur van het boek over mijn Afrika-reis waar ik mee bezig ben, was uit balans. Ik had een eerste hoofdstuk met vier paragrafen waarvan ik na kritische herlezing vond dat ik twee van de vier onderwerpen er met de haren bij had gesleurd. Toen heb ik er dus maar drie nieuwe hoofdstukken van gemaakt, maar die waren extreem kort: het kortste was zes pagina’s, terwijl de hoofdstukken verderop de 30 halen. Hoe erg was dat?
In principe hoeft een disbalans tussen de hoofdstukken geen groot probleem te zijn. Soms heb je nu eenmaal over een deel van het verhaal meer of juist minder te vertellen dan over de rest. Als je er na kritische beschouwing achterkomt dat dat het geval is – soit. Dan maar een beetje uit balans.
Vaak echter is er toch echt een probleem, waarvan de disbalans een symptoom is. Dan is er nog nadere synthese nodig (wat betekenen die korte stukjes samen?), of is het juist noodzakelijk een grote klont op te splitsen. Of er is nog nader onderzoek of denkwerk nodig om de korte stukken uit te diepen. Of misschien klopt de hele structuur nog niet. Doorslaggevend moet zijn of je de lezer er een dienst mee verricht de materie op deze manier in te delen.
Ik heb uiteindelijk besloten de disbalans in mijn boek-in-wording erg te vinden. Gaandeweg werd het probleem me duidelijk: ik wilde met die losse stukjes iets zeggen wat ik nog niet eerder goed onder woorden had gebracht. Om dat wel te doen, was nieuw denkwerk nodig, plus een herverkaveling van de structuur. Eén ding moest er helemaal uit, een paar kleine stukjes verhuisden naar andere hoofdstukken of vice verse, er kwam een nieuw onderwerp bij en zo werd het toch een samenhangend eerste hoofdstuk van ongeveer dezelfde lengte als de andere. Hèhè. Veel beter. Maar wat een werk! Al dat schuiven met tekst, het leek wel rummikubben. Is dat nou schrijven? Ja, zeer zeker!
Op de vraag hoe erg een disbalans in de structuur is, is geen eenduidig antwoord mogelijk, en er is al helemaal geen eenduidige oplossing te geven. Het maken van een goede structuur is niet een kwestie van het opvolgen van een paar tips of trucjes. Sterker nog, het gaat er niet zozeer om in hoeverre een structuur van een tekst of presentatie volgens de regeltjes van de theorie is. Waar het om gaat, is dat je in de voorbereiding kritisch, lezergericht denkwerk verricht. Structureren is een werkwoord.
Schrijf eens niet
Een tijdje terug is mijn portemonnee met daarin mijn NS-Voordeelurenkaart gestolen. Heel onhandig en prijzig allemaal natuurlijk, vooral dat het maar liefst tien werkdagen duurt voordat ik een duplicaat van die kaart heb, en in de tussentijd kan ik niet met korting reizen en er is geen tijdelijk alternatief ofzoiets. Dat was me allemaal duidelijk en ik wist niet beter of ik had de procedure om een duplicaat te krijgen al in gang gezet door middel van een telefoontje vorige week woensdag met de NS. Ik had nog even afgewacht namelijk of mijn portemonnee zou opduiken, maar nee.
Toen kreeg ik afgelopen zaterdag een brief. Even was ik blij: post van de NS, nu al m’n duplicaat? Helaas, dat was te vroeg gejuicht. Het was een brief. Na alle gewone dingen als datum en kenmerken enzo (maar geen vermelding van het onderwerp) en een aanhef, luidt die als volgt – de brief zelf in vet, mijn leeservaring cursief.
Graag beantwoorden wij uw reactie. Welke reactie? Ik heb nergens op gereageerd, naar mijn beleving. Ja, op een diefstal, maar dat zal de NS niet bedoelen. Ik heb gebéld, en in dat telefoongesprek is de zaak wat mij betreft al helemaal afgehandeld. De mevrouw aan de telefoon heeft op mij gereageerd. U laat ons weten dat u wegens diefstal tijdelijk niet in het bezit bent geweest van uw abonnement. Huh? Was het maar waar dat ik tijdelijk niet in het bezit was van mijn abonnement, want dan had ik het nu weer terug. Ik ben het niet tijdelijk kwijt, het is is weg, foetsie, verdwenen. Wij vinden het vervelend dat u dit is overkomen. Dat is dan wel aardig.
Wij zullen aan uw verzoek voldoen. Uh, ja, dat lijkt me nogal wiedes, want dat zei woensdag de mevrouw aan de telefoon ook al. Bovendien, het is mijn goed recht om een duplicaat-kaart te krijgen. Met dat verzoek’klinkt het alsof ik ervoor op m’n knieën moet. Het was wat mij betreft gewoon een administratieve aanvraag.
U kunt het duplicaat binnen 10 werkdagen tegemoet zien. De kosten van het duplicaat zijn € 11,00. Dit bedrag zal binnenkort van uw rekening worden afgeschreven. Dat wist ik allemaal al, uit het telefoongesprek.
Wij vertrouwen erop u hiermee van dienst te zijn. Overbodig. Jullie zijn me pas van dienst als ik m’n kaart terug heb, liefst zo gauw mogelijk. En als jullie me echt van dienst hadden willen zijn, hadden jullie me een tijdelijke overbrugging aangeboden.
En dan een groet, handtekening, naam en functie, en eronder nog ‘Bijlagen(n)’ – wat enigszins verwarrend is, want die zaten er niet bij, dus laat dat dan weg, maar goed – het écht goed programmeren van automatisch gegenereerde brieven is voor veel organisaties een kunst apart.
Over de tekst zou ik tekstadvies kunnen geven. Een positief punt: het inlevende ‘Wij vinden het vervelend dat u dit is overkomen’. Formuleer precies, zodat woorden als reactie, tijdelijk en verzoek niet net ernaast zijn. Laat overbodige en ouderwetse beleefdheidsclichés zoals ‘Wij vertrouwen erop u hiermee van dienst te zijn’ weg. Herformuleer het verzoek van de geadresseerde. Enzovoort.
Maar dan is het nog steeds geen heel geweldige brief. Simpelweg omdat hij overbodig is. Hij voegt voor mij niets toe aan wat ik al wist en wat ik telefonisch al rond had gekregen. Ik hoef dan geen brief, en zeker geen nét ernaast geformuleerde. Dan denk ik: doe mij mijn kaart maar sneller en goedkoper terug. In 9 dagen en voor € 10,00, ofzoiets – en dan zonder brief. Zoals de banken dat doen, bijvoorbeeld. Sterker nog: ik heb inmiddels alles alweer terug, behalve mijn Voordeelurenkaart.
Goed communiceren is belangrijk. Maar soms kun je gewoon beter je werk goed doen.
Verschenen: drie mini-columns
Verschenen in Oase Magazine 3: drie mini-columns die ik schreef vanuit Afrika. Mijn columns in dat blad lopen een jaar achter op het schrijven. Deze editie is voor januari en februari 2009, en de columns hebben te maken met Egypte, Soedan en Ethiopië, want daar was ik vorig jaar om die tijd. Leuk om die nu weer terug te lezen!
Verschenen: Fietsvrouw-column # 41
In Fiets van december: mijn 41e Fietsvrouw-column, onder de titel ‘Geloofwaardigheid’. Het gaat erover hoe je door te hard te fietsen die geloofwaardigheid kunt verliezen…
Het weblog bestaat niet
In de zaterdagbijlage van NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag staat een artikel over weblogs, ‘Digitale zeepkisten’. Weblogs worden erin beschouwd als burgerjournalistiek, en in het artikel staat de vraag centraal in hoeverre die burgerjournalistiek de professionele vervangt. Weblogs komen dan in de plaats van bijvoorbeeld het TV-journaal of de krant. En dat is op z’n minst twijfelachtig, zo is de teneur, want niet alle weblogs zijn goed.
Denkfout en/of impliciete aanname in het artikel is dat álle weblogs burgerjournalistiek zijn of willen zijn. Het artikel begint met ‘Nederland telt ongeveer een miljoen bloggers. Op internet kunnen zij de pet van journalist opzetten’. Dat kunnen is enige relativering, maar daar blijft het verder bij: de suggestie is dat ons land een miljoen burgerjournalisten kent. Het eerste voorbeeld in het artikel is van een man die er ’s avonds met z’n camera op uittrekt om lokaal nieuws vast te leggen voor zijn weblog, en de kop van een kader met een aantal getallen is bijvoorbeeld ‘Webbloggers coveren ook grote nieuwsontwikkelingen’.
Maar dat is onzin. Niet elk weblog is journalistiek, zelfs niet journalistiek bedoeld. Je hebt inderdaad zeer journalistieke blogs, maar ook nog enkele andere vormen, bijvoorbeeld:
- Gewoon de dagelijkse wissewasjes van iemand, al dan niet in bijzondere omstandigheden. Niet te vergelijken met krant of journaal, maar met het dagboek of reisverslag van vroeger – denk aan het klassieke scheepsjournaal. Ons eigen blog over de Afrika-fietsreis viel vooral in deze categorie, al heb ik een enkele geprobeerd iets journalistieker te schrijven over de landen die we bezochten.
- Vakinhoudelijke blogs, zoals dit. Ook niet bedoeld als algemene journalistiek, maar meer in de richting van de vakbladen.
- ‘Corporate’ en andere zakelijke blogs, die, soms onder wat journalistiekere dekmantels, uiteindelijk een commercieel doel hebben. Te vergelijken met reclameblaadjes en nieuwsbrieven.
- Het weblog met columns – staat weliswaar ook in de krant, maar zou je toch geen hard-core journalistiek noemen. Het gaat niet zozeer om de feiten en de dagelijkse gebeurtenissen, maar om een reflectie daarop. Overigens komt deze vorm nog wel aan de orde in het artikel, maar niet heel positief: GeenStijl wordt aangehaald als voorbeeld.
- Het weblog dat vooral leuke internetdingetjes op een rijtje zet, dus vooral bestaat uit links naar interessante sites, eventueel voorzien van enig commentaar. Bieslog was er een voorloper in. Dit type heeft geen traditionele tegenhanger, al lijkt het wel een beetje op een catalogus of de TV-gids.
- Het ‘doorkopieerblog’, dat van een bepaald onderwerp alle nieuwsberichten verzamelt en overzichtelijk op een rijte zet. Wel journalistiek, maar geen origineel nieuws, en meer te vergelijken met een thematische knipselkrant dan met het dagblad. Ik volg zelf bijvoorbeeld zo’n blog over The Who en eentje over Ethiopië.
Dus: niet alle weblogs zijn burgerjournalistiek, en het omgekeerde geldt ook: niet alle burgerjournalistiek is te vinden op weblogs. Op bijvoorbeeld discussieforums is ook veel ‘wisdom of the crowds’ af te tappen. Een kritiekloze houding is daarbij niet op zijn plaats. Maar ach, bij het lezen van een willekeurige krant toch ook niet?
Doe mee of lees
Graag promoot ik twee links die ik net kreeg toegestuurd via Neder-L, het elektronische tijdschrift voor de neerlandistiek:
– Doe mee aan een onderzoek naar woordassociaties: http://www.kuleuven.be/lsa/ Het kost een minuut of vijf, is leuk om te doen, en je helpt er de taalwetenschap mee, want ze zoeken nog ‘een pak’ deelnemers!
– Download een uitgebreide ‘krant’ over de taal van de overheid, op http://taalunieversum.org/taalpeil/2008/taalpeil_2008.pdf Met daarin van alles over hoe de overheden werken aan betere schriftelijke communicatie met de burger, onder andere resultaten van onderzoeken onder burgers én ambtenaren.
Drie succesfactoren voor columns
Een paar weken terug kondigde ik het verschijnen aan van mijn 40e Fietsvrouw-column. Wat ik toen nog niet wist, was dat deze column veel reacties op zou gaan leveren: e-mails naar de redactie van Fiets of direct naar mij. In totaal waren het er ongeveer net zo veel als op de eerdere 39 columns bij elkaar!
Redacties zien ingezonden brieven als iets positiefs: je wordt dan gelezen en serieus genomen, serieus genoeg om in de pen te klimmen. Dus wat leer ik hiervan over de succesfactor van columns?
- Zorg voor herkenning. De meerderheid van de reacties had precies die strekking: wat een herkenbaar verhaal! Het ging over allerlei gekke dingen die ik in de afgelopen jaren bij spinning in sportscholen had meegemaakt. Kennelijk komen die dus vaker voor…
- Steek je nek uit – wees ‘spits en uitdagend’ (zie Wikipedia-omschrijving van een column). De kritischere reacties vonden dat ik het allemaal verkeerd dan wel wel erg zwart zag. en gingen op dat punt met me in discussie. Niet alle reageerders beseffen dat een column vertekent. In één reactie staat bijvoorbeeld: ‘ik kan me niet voorstellen dat het allemaal zo erg is als jij schrijft’. Natuurlijk is het niet allemaal zo erg als ik schrijf. Ik heb omwille van de column zeven incidenten uitgelicht uit twee jaar, dus misschien wel bijna 100 keer, spinnen.
- Ontwikkel eelt op je ziel. Want van ‘ik ben het niet eens met wat je schrijft’ (het vorige punt) is het voor sommigen maar een kleine stap naar het oordeel ‘jij deugt niet’: ik zie het fout, ben een arrogante betweter en pas me onvoldoende aan. Tsja. Met een mooie sportmetafoor: zulke reageerders spelen niet op de bal, maar op de persoon.
Het laatste punt laat mij maar weer eens voelen dat écht iets zeggen heftige, negatieve reacties kan oproepen. Ik kan me dan ook goed verplaatsen in de deelnemers aan mijn trainingen met een specifiek soort schrijfangst: de angst om zich uit te spreken in hun tekst, want daar kunnen anderen over vallen. ‘Dat kan ik toch niet maken,’ zeggen ze als ik ze uitnodig om de data niet alleen te beschrijven, maar ook te interpreteren, dus van boodschappen te voorzien, ‘mijn baas ziet me al aankomen/dat pikken ze nooit/stel dat ik ernaast zit’. Of, in een minder expliciete vorm: ‘Dat kunnen/moeten mijn lezers zelf bedenken’.
Voor zover reacties op een tekst de strekking van punt 2 van hierboven hebben, denk ik alleen maar: prima. Schrijf liever met lef iets waar mensen het niet mee eens kunnen zijn dan uit angst en voorzichtigheid helemaal niets. Goed schrijven is je nek durven uitsteken, kleur bekennen.
Mochten de reacties doorschieten richting punt 3 en persoonlijk worden, dan heb je ofwel geen probleem (dat is hún oordeel), of een probleem dat met geen tekst te ondervangen is. Ik heb wel eens iemand aangeraden een andere baas te zoeken…
Goed weblog over visueel ontwerp
Een weblog dat de moeite waard is voor iedereen die zich bezighoudt met het ontwerpen van presentaties is http://stickyslides.blogspot.com/ van Jan Schultink. Vandaag heeft hij bijvoorbeeld een aantal simpele richtlijnen om slides beter leesbaar te maken voor mensen met dyslexie. Terecht zegt hij dat élk publiek er baat bij kan hebben. Regelmatig heeft hij inspirerende voorbeelden van visuele ontwerpen, al dan niet uit Powerpoint. Want hij kijkt graag wat breder. Naar visuals in advertenties bijvoorbeeld, of naar de principes van het creatieve proces. Over dat laatste had hij eerder deze week een leuke posting, namelijk over de waarde van douchen voor creativiteit. Die posting is nu alweer afgezakt naa de negende plek, want het is een actief blog. Ook dat maakt het interessant. Van harte aanbevolen dus.