In Oase Magazine 4 nummer 3, over hoe sommige mensen zelfs op recreatief niveau de boel bedonderen bij sport (stukje in de metro doen bij de marathon), en over hoe je van sporten ‘lekker moe’ kunt worden.
LHcornelis
‘Zakelijke alternatieven’ voor de lijdende vorm
In mijn post van vrijdag maakte ik duidelijk dat een tekst met veel passieven problematisch kan zijn, doordat er steeds een veroorzaker wordt opgeroepen, maar die kan niet dienen als identificatiefiguur. Simpelweg de passieve zinnen actief maken is meestal geen goede oplossing daarvoor, want dan komt die veroorzaker zeer centraal te staan. En dat was nou net niet de bedoeling, vandaar al die passieven!
Wat dan wel? In de eerste plaats is mijn ervaring dat problemen op het gebied van zinsbouw vaak ‘vanzelf’ verdwijnen door een beetje dieper te graven. Bijvoorbeeld: hoe wil je eigenlijk met je lezer omgaan (en waarom zou je dan dus géén ik en jij/u gebruiken)? Is die vaagheid echt wel nodig voor de lezer, of dek jezelf in – en is dat wat je echt wilt? Of: als de hele tekst duidelijk een adviserend perspectief heeft, dan zijn die telkens herhaalde aanloopjes ‘er wordt geadviseerd om…’ overbodig. Met andere woorden: ‘los’ aan zinnetjes gaan knutselen heeft niet zo veel zin; een slechte stijl is een symptoom van dieper liggende problemen.
Maar dat lost niet alles op. Wat je aan een overblijvende overdosis passieven kunt doen, is op zoek naar naar ‘zakelijke alternatieven’ ervoor. Het gaat om de rol van de veroorzaker. Actief zet die centraal, het passief roept hem op, maar zet hem niet centraal; een zakelijk alternatief ervoor roept hem niet eens op. Een paar voorbeelden:
- Er kan worden geconcludeerd dat… –> De conclusie luidt/is…
- Hieronder zal worden uiteengezet… –> Hieronder komt aan de orde/staat/gaat het over…
- Krijgen. In mijn afstudeerscriptie heb ik een passiefrijke tekst over de renovatie van studentenflats als voorbeeld gebruikt. Het wemelde in die tekst van de passieven als ‘de kastjes zullen worden geverfd, het linoleum op de vloer wordt vervangen, de deuren zullen worden voorzien van nieuwe kozijnen’. Een prima alternatief daarvoor bleek krijgen te zijn: ‘de deuren krijgen nieuwe kozijnen’. Enzovoort.
Punt is wel dat dit geen makkelijk schrijfadvies is. Het passief is namelijk meestal al een eerste alternatief, voor ik of wij zeggen bijvoorbeeld. Om schrijvers dan nog naar een tweede alternatief te laten zoeken, waarbij ze zichzelf of een andere voor de hand liggende identificatiefiguur moeten ‘wegdrukken’, dat is niet niks. Schrijvers blijken het wel te kunnen (was de conclusie van mijn afstudeerscriptie). En ik heb op dit blog gelukkig nooit beweerd dat goed schrijven makkelijk is….
Bron: mijn doctoraalscriptie dus, van de VU in 1991, maar zie vooral ook het onvolprezen boek Formuleren – echt op eenzame hoogte op dat gebied!
Wat dan wel met de lijdende vorm?
Gister beloofde ik praktische adviezen die zijn af te leiden uit mijn proefschrift over de lijdende vorm. Laten we daarvoor eerst eens wat preciezer kijken naar waar we het dan over hebben (iets preciezer dan – ten opzichte van mijn proefschrift natuurlijk kort en ongenuanceerd).
Het passief wordt altijd als een soort alternatief voor, spiegelbeeld van de actieve zin gezien: hond bijt man -> man wordt door hond gebeten. Maar je kunt ook gewoon naar de passieve zin zelf kijken. Dit bevat twee vaste onderdelen:
- worden, wat betekent: in een bepaalde toestand komen
- Een voltooid deelwoord – en dat drukt een bepaalde (eind-)toestand van een proces uit. Dat proces is wat het werkwoord uitdrukt: het eindresultaat van bijten is gebeten zijn.
Samen betekent het passief dus: in een bepaalde (eind-)toestand van een proces komen. Zo’n proces, zo zit er in ons hoofd, heeft een veroorzaker. Iets of iemand moet dat bijten gedaan hebben, is daar verantwoordelijk voor. De gedachte daaraan wordt door het passief dwingend opgeroepen, en de zin kan die veroorzaker expliciet maken achter door: De deur wordt geopend… door Sinterklaas! (= door het toedoen van Sinterklaas komt de deur in geopende toestand).
Bij een standaard voorstelling van zaken, als er sprake is van een deur, openen en Sinterklaas, zijn we geneigd Sinterklaas centraal te stellen. Daar identificeren we ons immers mee: je kunt jezelf in die situatie alleen als Sinterklaas voorstellen. Algemener: ‘de veroorzaker is net als ik’. Juist die identificatiemogelijkheid doorbreekt het passief: ‘er is wel een veroorzaker, maar die is niet net als ik’.
Het passief drukt dus uit: ‘iets komt in een bepaalde (eind-)toestand van een proces, en met de veroorzaker van dat proces vindt geen identificatie plaats’. Dat maakt het passief bijvoorbeeld geschikt voor niet-menselijke veroorzaking, zoals hij werd door de bliksem getroffen. Het actieve de bliksem trof hem klinkt ongemakkelijk, bijna als personificatie van de bliksem, alsof die bewust zou handelen. Het passief vermijdt die bijgedachte: ‘deze veroorzaker is niet net zoals ik’.
Wat betekent dit nu voor teksten, schrijven en schrijfadvies? Nou, vooral dat je goed moet kijken en dat ‘schrijf actief’ te ongenuanceerd is. Namelijk:
- Passief en actief zijn niet simpelweg elkaars spiegelbeeld of omkering; het ligt subtieler dan dat. Vandaar dat passieve zinnen recht-toe-recht-aan actief herschrijven in een tekst vaak wringt. Het perspectief komt dan ineens heel anders te liggen, met ineens een prominent aanwezige (‘identificeer je met mij!’) veroorzaker.
- Passieven hebben verschillende handige en mooie functies. In mijn proefschrift geef ik voorbeelden uit literaire teksten (een prachtfragment dat wemelt van de passieven uit Kinderjaren), computerhandleidingen en sportverslagen. In computerhandleidingen kun je een handig verschil maken tussen de dingen die de gebruiker (mee identificeren!) moet doen en wat de computer automatisch doet (niet mee identificeren!), bijvoorbeeld: als u op F7 drukt, wordt het document afgedrukt. In de verslagen van het landskampioenschap van Ajax in 1995 gebruikte het NRC meer passieven waarin Ajax de veroorzaker was dan het Parool, en lezers blijken dat soort subtiele signalen ook op te pikken als indicator van de ‘partijdigheid’ van de krant.
- Door het ontbreken van het specifieke identificatiefiguur maakt het passief een soort algemene identificatie mogelijk, wat ik ‘wie de schoen past, trekke hem aan’-passieven heb genoemd. Als er in een beleidsnota staat Afdeling X moet racisme met alle mogelijke middelen bestrijden gaan er vast partijen steigeren. Maar Racisme moet met alle mogelijke middelen bestreden worden is okee. Zo kun je het passief dus tactisch gebruiken, zij het dat het dan wel wat vaag wordt allemaal. Maarja, duidelijkheid is nou eenmaal niet altijd gewenst.
- Een bijzondere vorm van tactiek is het vermijden van ik, bijvoorbeeld in wetenschappelijke teksten (dit-en-dat werd uitgevoerd, verricht en gedaan, en toen kon er worden geconcludeerd dat…). Het passief maakt hier de ik veel minder prominent aanwezig dan in de actieve zinnen. Dat kan soms terecht zijn: het is niet de bedoeling dat een tekst een ego-trip wordt. Maar ook hier kan vaagheid problematisch worden.
- Aangezien identificatiefiguren ons houvast geven bij het begrijpen van een tekst (vergelijk het meekijken door de ogen van een hoofdpersoon), zijn te veel passieven storend: er wordt wel steeds een veroorzaker opgeroepen, maar houvast – homaar. Steeds maar weer dat signaaltje ‘identificeer je niet’. Dat geeft ‘passivitis‘ z’n slechte naam. Wat eraan te doen? Je moet goed kijken naar hoe die grip dan wel te verkrijgen is, anders dan door simpelweg te zeggen: maak maar actief. Immers, dan zou bijvoorbeeld in geval 3 weerstand te verwachten zijn en in geval 4 de tekst wél een ego-trip worden. Over die geschikte alternatieven voor de lijdende vorm schrijf ik de volgende keer.
Okee, en de bron dan nog één keer expliciet: Cornelis, Louise H. Passive and perspective. Amsterdam: Rodopi, 1997 (dissertatie Universiteit Utrecht).
Twee schrijfcarousselkaarten
Het passief moet vermeden worden!
Op Vaagtaal staat een artikel over de lijdende vorm dat bij mij het tegenovergestelde effect heeft van bedoeld: de voorbeelden laten mij zien waarom taalgebruikers kiezen voor het passief – en dus ook waarom zeggen dat je dat niet moet doen, niet werkt.
Zo’n voorbeeld als dat ‘de kantine wordt gesloten’ eigenlijk ‘de directeur sluit de kantine’ moet zijn, maakt duidelijk waarom geen enkele directeur daar voor die actieve zin kiest: die zin schuift 100 % verantwoordelijkheid in de directeur z’n schoenen. En zelfs als dat al zo is (ik zou toch graag persoon van functie scheiden), wil je het als directeur niet zo brengen. Duidelijkheid is niet het enige schrijf- of spreekdoel immers.
Of een voorbeeld als ‘De Arbo neemt maatregelen om de werkdruk te verlichten’ – zoals ik het woord Arbo begrijp, kan dat helemaal geen maatregelen nemen, en ik vind de actieve zin dus simpelweg onbegrijpelijk. Doe mij maar ‘Er worden maatregelen genomen om…’
Natuurlijk leidt een wildgroei aan passieven tot een onleesbare tekst. Maar het is best moeilijk om genuanceerd en zinvol schrijfadvies te geven op dit gebied. Gut, was daar niet een proefschrift over? Ik zal daar binnenkort eens wat praktische adviezen uit op dit blog zetten!
’n Beetje speculeren
Even een beetje speculeren, hoor. Want het is nog te vroeg voor conclusies, de studenten zijn allemaal nog bezig. Maar ik kan het niet laten alvast een tipje van de sluier op te lichten over de nieuwste onderzoeksresultaten naar de effectiviteit van het piramideprincipe. Voorzichtig, want het zijn voorlopige resultaten op basis van steekproeven en impressies. Maar ik ben benieuwd of deze contouren gaan uitkristalliseren.
Waar het vooral om gaat, is een nuancering van het meest opzienbarende resultaat van vorig jaar, en dat was dat niet-kenners de structuur van een piramidaal rapport niet doorzien – iets wat ik wel heb geformuleerd als ‘je gaat het pas zien als je het doorhebt’. In enkele van de huidige onderzoeken (tien groepjes studenten van het onderzoekscollege en één Masterscriptie) blijken de respondenten de piramidale structuur wel te doorzien.
Dat is interessant, en goed nieuws voor het piramideprincipe – al blijft het natuurlijk zo dat niet iedereen de structuur doorziet. En de vraag is dan natuurlijk: waar ligt het aan, of lezers zonder kennis van het principe de structuur begrijpen of niet? Welnu, daarover enkele speculaties:
- Het ligt aan de mate van gewenning aan de traditionele, methodologische opbouw van adviesrapporten. Eerstejaars studenten lijken de rapporten beter doorzien dan ouderejaars; eerstejaars zijn nog niet helemaal methodologisch beïnvloed in hun jaren op de universiteit.
- Het ligt aan de aard van de tekst. De ene piramidale tekst is immers de andere niet. Lengte speelt misschien een rol, en ik ben benieuwd of het ook zo is wat nu lijkt, namelijk dat een waarom-onderbouwing met argumenten astiger te doorzien is dan een hoe-onderbouwing met maatregelen. Dat is ook wel voorstelbaar: maatregelen zijn makkelijker als advies-achtig te herkennen.
- Het ligt aan de affiniteit met het onderwerp. Eén respondent die heel erg ‘in’ de materie zat, doorzag meteen de structuur van het rapport dat vorig jaar voor zo veel verwarring zorgde.
- Het ligt aan de leesstijl. Sommige lezers gaan zo eigenzinnig aan de haal met zo’n tekst, het maakt eigenlijk niet uit hoe die dan in elkaar zit – het lijkt erop dat dat geldt voor oudere lezers en lezers met een groot direct belang bij het advies. Anderen lezen braaf alles van A tot Z en die zijn dan veel afhankelijker van het doorzien van de structuur.
Naar geen van deze aspecten is rechtstreeks onderzoek gaande, maar misschien maken de huidige onderzoeken wel duidelijk wat de meest veelbelovende richting is voor vervolgonderzoek.
In ieder geval blijft het zo dat je niet simpel kunt zeggen dat het piramideprincipe tot betere of juist slechtere teksten leidt. Daarvoor verschillen piramidale teksten en lezers te veel, en we weten nog steeds niet wat de doorslag geeft. Maar hopelijk weten we over een paar weken daar wel meer over.
En er ‘hangt’ meer: interessante nieuwe inzichten in het nut van het voorop zetten van de hoofdboodschap, de rol van de inhoudsopgave, de zin van leesinstructies, de mogelijkheden van een ‘tussenvariant’ tussen piramidaal en methodologisch in, enzovoort. Daarover later meer!
“Nederlandse columnisten onder de maat”
Da’s best een stevige uitspraak, die ik gemiddeld niet voor m’n rekening zou durven nemen, al zie ook ik wel slechte columns, of vooral: dingen die ‘column’ heten maar het niet zijn (concreter: ik lees sinds kort Voetbal International en daarin valt me dat sterk op). Maar ik zie ook goede, en ik weet niet hoe ik die tegen de slechte af zou moeten wegen. Eric Tiggeler deed dat wel, zie dit persbericht. Dat kondigt ook een boekje aan, en dat zal ik natuurlijk gaan lezen – wordt vervolgd! De site bij het boekje bevat ook al nuttige informatie, zoals een column-checklist.
Een d/t-dag
Als ik een blogpoast zou wijden aan alle d/t-fouten die ik zie, dan zou dit blog zich snel vullen maar ook erg vervelend zijn. Ik laat ze meestal maar gewoon passeren, alleen zag ik er vrijdag toch een paar kort achter elkaar dat ik dacht: dit ga ik toch even melden.
Het begon ermee dat ik weer eens met de trein vertrok vanaf station Schiedam Centrum. Daar zijn ze al een tijdje bezig, en daar staat dus ook al maandenlang op een bord te lezen:
U betreed een bouwterrein.
In de trein las ik Villamedia, waarvan ik toch altijd net iets hogere verwachtingen heb dan gemiddeld voor wat betreft taal en tekst – want het is het vakblad van de journalistiek. Kort na elkaar op p. 25 en 26, staan daar echter deze twee:
‘Word je idee gestolen, dan is dat heel vervelend.’
Word het idee voor je stuk toch ‘geleend’?
Met de trein ging ik naar Leiden, waar ik een paar boodschappen deed, onder andere een pullboy, waar deze gebruiksaanwijzing bij zat (het rode rondje is van mij natuurlijk):

Het moet niet gekker worden… en ik zit wel zo in elkaar dat ik voorlopig bij het zwemmen het gevoel heb met een d/t-fout in het water te liggen!
Wat heb je aan een tekstschrijver?
Veel! (via @Tekstblad)
Aankondiging: Piramideprincipe, je gaat het pas zien als je het doorhebt
Op donderdag 22 december houd ik om half 12 in Leiden een lezing op het VIOT-congres, de driejaarlijkse conferentie van taalbeheersers. De titel van de lezing luidt: ‘Het piramideprincipe. Je gaat het pas zien als je het doorhebt’. Ik zal vertellen over de resultaten van het Groningse piramideprincipe-onderzoek, waarvan dat wat in de titel op z’n Cruyffiaans verwoord is*, het belangrijkste is
Ik schrijf wel ‘ik’, maar we bereiden de lezing met z’n vieren voor: drie van de betrokken studenten (Marit, Eveline en Jan) doen ook mee. En dit is de volledige abstract:
Het piramideprincipe (Minto, 1987) is in de praktijk een populaire en statusrijke methode voor het structureren van hoogwaardige en lezergerichte adviesrapporten. Het plaatsen van de hoofdboodschap voorop is er het bekendste kenmerk van. De effectiviteit van het piramideprincipe laat zich niet makkelijk empirisch onderzoeken; vooral de ecologische validiteit is een struikelblok. Met het verkennende onderzoek waarover deze presentatie gaat, kwamen toch enkele interessante inzichten aan het licht. Grootste verrassing was dat waar gebruikers enthousiast zijn over het principe, ‘oningewijde’ lezers van piramidale rapporten de structuur niet doorzien. Een piramidaal rapport heeft dankzij het gebruik van ‘krantenkoppen’ een inhoudsopgave die leest als een mini-samenvatting, maar dat merken deze lezers niet op. In plaats daarvan gaan ze op zoek naar vertrouwde termen als conclusie en aanbevelingen en raken ze in de war als ze die niet vinden. Voor de praktijk betekent dit dat het nodig kan zijn dat piramideschrijvers hun lezers ‘opvoeden’.
* Misschien kan ik, gezien de huidige situatie bij Ajax, er ook nog een quote van Van Gaal in proberen te verwerken?
