Ik herlees net even m’n blogpost van hieronder. Key line, best practice en sense of urgency in één post?! Ja, het is wel te merken: Louise heeft vorige week weer een dagje tussen de managementconsultants doorgebracht (;
Maandelijkse archieven: december 2010
Open deuren intrappen? Over het formuleren van de hoofdboodschap
Het formuleren van een hoofdboodschap is best lastig. Risico is namelijk enerzijds dat het nogal een open deur wordt (‘Verbeter X’) en anderzijds dat je, in piramide-termen, niet synthetiseert maar samenvat, oftewel: dat de hoofdboodschap per ongeluk ‘afzakt’ naar het niveau van de rode draad (bij Minto de key line): ‘je moet drie dingen doen’ (dan sluipt er ook nog een moeten in, terwijl er niks moet, althans, dat is niet de positie van adviseur tegenover opdrachtgever). Lastig-lastig.
Afgelopen week bleek in de trainingen die ik gaf dat het ineens veel makkelijker wordt om een hoofdboodschap te formuleren als je de positionering van het hele verhaal helder hebt. Het gaat dan vooral om de aanleiding tot de adviesvraag en die vraag zelve. Als je die echt scherp hebt, rolt een goede hoofdboodschap er makkelijker uit, als antwoord op die vraag.
Als je alleen maar kijkt naar de rode draad, dan staan daar bijvoorbeeld drie te nemen maatregelen op. Samen betekenen die niet veel meer dan ‘Verbeter X’. Maar uit de aanleiding en de vraag blijkt dat het niet om een paar vrijblijvende maatregelen gaat, maar om drie pijnlijke acties die noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van het bedrijf. En zo wordt de hoofdboodschap dan ‘Om te overleven in de drastisch veranderde markt, is het nodig de bedrijfsvoering diepgaand te veranderen’.
Niet alleen wordt de hoofdboodschap zo een stuk minder een open deur, ook kleurt die de hele rest van het verhaal. De hoofdboodschap maakt de sense of urgency helder – en dat kan alleen daar, moet ook daar.
Niet toevallig begint de hoofdboodschap nu met ‘om te…’. Die formule leidt tot best practice hoofdboodschappen. ‘Om te…’ grijpt terug op de vraag, en die weer op de aanleiding. De hoofdboodschap vervult zo zijn schakelfuntie tussen enerzijds die context en anderzijds de rest van het verhaal. Zo richt je uiteindelijk de data en de resultaten op de belangen van de opdrachtgever – want daartussen schakelt de hoofdboodschap dus.
Een ander voorbeeld was een presentatie waarin de vraag was ‘wat kunnen we doen om X te verbeteren?’, met als antwoord eigenlijk ‘drie dingen’. Dat is dus een hoofdboodschaploze tekst: wat er als hoofdboodschap staat, is eigenlijk een samenvatting van de rode draad, geen eigen boodschap, geen synthese. Die bleek ook niet zo makkelijk te geven, althans, het bleek niet makkelijk om tot iets anders te komen dan ‘verbeter X’, maar dat is geen antwoord op de adviesvraag, maar een herhaling ervan. Daarachter zat een ander probleem: het rapport betrof een regelmatig terugkerend onderzoek, zonder eigen aanleiding, zoiets als een kwartaalrapportage. De adviesvraag is dan dus ook geen echte: ‘wat kunnen we op basis van dit onderzoek adviseren?’
Oplossing van dit probleem ligt buiten de tekst: ga praten met de opdrachtgever van het kwartaalonderzoek c.q. het beoogde publiek van de presentatie, om te zien hoe je werkelijk kunt helpen. Pas met goed begrip van die achtergrond is de context scherp te krijgen, en dat is nodig om een goede, interessante hoofdboodschap te formuleren.
Worstelen met het formuleren van een hoofdboodschap is dus niet zozeer een formuleringskwestie (nouja, misschien een beetje: hoe formuleer je sturend maar niet dwingend?), maar een signaal van een probleem met het schakelen tussen aanleiding en vraag enerzijds, en onderbouwing/het verhaal anderzijds. En dat is soms dus helemaal geen schrijfprobleem, maar iets wat al in de hele aanpak van het onderzoek zit besloten. Als dat niet meer op te lossen is (kan gebeuren), ach, trap dan maar een open deur in. Da’s nog altijd beter dan niks.
Contouren
Korte update: vandaag heb ik met de studenten van het piramideprincipe-onderzoekscollege telefonische spreekuren gehad over de voortgang van hun onderzoek. De eerste contouren van de uitkomst worden zichtbaar. Ik kan er nog niet zo heel veel over zeggen, maar het lijkt er in elk geval wel op dat het piramideprincipe zich goed staande houdt, dus dat er niet iets uit gaat komen op basis waarvan we zouden moeten concluderen onmiddellijk op te moeten houden met piramidaal schrijven. Wel zijn er allerlei nuanceringen mogelijk en misschien zelfs nodig. Daar kom ik de volgende weken op terug.
Recyclen? Oftewel: enkele columns verschenen
Net uit: Oase Magazine nummer 3, met daarin drie mini-columns en een stukje over een inspiratiebron (‘Do they know it’s Christmas?‘) van mij. Vorige week verschenen: Fiets van december, met mijn 64e* Fietsvrouw-column.
De doelgroepen van die twee bladen zullen niet sterk overlappen, maar mochten er mensen zijn die beide lezen, dan valt wellicht op dat één van de mini-columns uit Oase Magazine een verkorte en vereenvoudigde versie is van die van vorige maand in Fiets: beide gaan over de vraag ‘had ik profwielrenner willen worden?’
Ook over ‘Do they know it’s Christmas?’ schreef ik al eens eerder, op ons Afrika-fiets-weblog. Maar dat is alweer drie jaar geleden, en op zo’n termijn moet ik dieper herzien, en dat is dan ook wat ik deed voor Oase Magazine (Pantani moest er bovendien ook uit). Het kippenvel is overigens onverminderd aanwezig.
(* Ik zag net dat ik een aardig zootje had gemaakt van de nummering van mijn columns op dit weblog. Ik heb het inmiddels aangepast. 64 al, jeetje!)
Best schrijvende ambtenaar verkozen
Er is een jaarlijkse wedstrijd voor de ambtenaar die het beste schrijft. De winnaar van 2010 is sinds vorige week bekend: Piet de Nijs van de gemeente Breda. Zie http://www.deoverheidschrijftstukkenbeter.nl/
Ik erger me wél
Uit recent onderzoek blijkt dat mensen zich steeds minder ergeren aan d/t-fouten, zo staat te lezen in Onze Taal en in De Volkskrant. Nou, ik erger me er wél aan, en ik kan ook uitleggen waarom: omdat ik ze stom vind. Een groot deel van onze spelling is niet logisch en alleen maar een kwestie van het toevallig weten, het goede woordbeeld te pakken hebben. Maar nou net de d/t-regels, die zijn zo logisch als wat, die zijn dus hartstikke leerbaar. Je hoeft er maar een heel klein beetje voor te kunnen ontleden, of zelfs dat niet eens: een vorm van ‘lopen’ invullen doet het meestal ook al.
Dat je niet weet hoe je przewalskipaard schrijft of vicieuze (van die cirkel), daar kan ik mee leven. Nog veel beter kan ik leven met variatie op het gebied van de rare kronkels in de spellingsregels. Ik zal het accent op appèl blijven zetten ook al mag dat niet meer, ik weet zelf niet eens of het nou re-integratie of reïntegratie is en het zal me wordt wezen; ik erger me niet aan pannenkoek. Maar dat betekent en betekend verwarren, of zelfs hij krijgd en wat dat betrefd schrijfven… nee!
Maar ik begrijp: ik vecht tegen een bierkaai.
Argumentatietheorie in de praktijk
Een mooi voorbeeld van een argumentatieve analyse is het artikel ‘Ieders waarheid, een geconstrueerde waarheid’ . Het gaat erover hoe makkelijk Alberto Contador tot dopingzondaar werd uitgeroepen toen er 0,00000000005 gram per milliliter clenbuterol tijdens de Tour de France in zijn bloed werd aangetroffen. Schrijver Bram Brouwer laat zien hoe vervolgens de drogredenen/valse beschuldigingen over elkaar heen buitelden.
Een mooi voorbeeld van kritische argumentatieve analyse in de praktijk – al laat dit artikel ook wel zien dat je naast kennis van argumentatie ook veel vakkennis nodig hebt om je goed te kunnen verweren.
Congo
Vandaag begonnen in Congo. Een geschiedenis van David van Reybrouck, het boek dat de AKO Literatuurprijs en de Libris Geschiedenisprijs won, en dat mij daarvoor al was aangeraden. Ik ben meteen enthousiast.
Op p. 24 leer ik een nieuw woord voor ‘Nederlands’: Kiflama. Ki- is het voorvoegsel voor talen in de Bantoe-talen die in Congo gesproken worden (te vergelijken met onze ‘s’ die de naam van het land verandert in een taal; Bantoe-talen zetten zoiets er alleen voor, wij erachter). Flama is het woord voor Vlamingen, met wie de Congolezen bekend waren vanwege de Belgische kolonisatie.
Een paar pagina’s verder (p. 26) stuit ik op een zin die ik heel mooi vind, zowel van vorm als van inhoud:
Er bestaat een kwalijke tendens om de geschiedenis van Congo te laten aanvangen met de komst van Stanley in de jaren 1870, alsof de inwonders van Centraal-Afrika treurig rondwaarden in een eeuwig, onveranderlijk heden en de doorreis van een blanke moesten afwachten alvorens ze bevrijd werden uit de wolfsklem van hun voorhistorische lamlendigheid.
Aah, zo te kunnen schrijven… Want daarom lees ik dit soort boeken graag. Nouja, in dit geval interesseert het onderwerp me ook en ben ik benieuwd naar de visie van de auteur – maar goede boeken lezen is een must voor iedereen die zijn/haar eigen schrijven serieus neemt. En gelukkig is het ook erg fijn – ik heb in dit boek nog bijna 600 pagina’s te gaan!
Taalergernissen van het jaar
Het is weer december en dus begint het terugblikken op 2010. Op http://irritantstewoord.nl/ staat de verkiezing van de grootste taalergernis van het jaar: me moeder. Vind ik ook ergerlijk, ja, maar het is geen taal- maar een spellingsergernis. En dat vind ik iets heel anders. Eerlijk gezegd vind ik dan hij krijgd en wat dat betrefd nog veel erger – dat doet nog meer pijn aan mijn ogen. Al dit soort spelfouten zie ik vooral op internetfora – en al jaren, niet alleen in 2010.
Hun hebben, wel een echt taalverschijnsel, maar ook niet bepaald nieuw, eindigde nipt op 2, en daarvan denk ik altijd: ik wed dat een groot aantal van de 1657 stemmers dat wél zelf ook zeggen. Het is al zó ingeburgerd immers. Ik erger me er eigenlijk helemaal niet meer aan, vind het wel een interessante taalverandering, en hoor het mezelf ook zeggen.
Mijn grootste taalergernis van het jaar beschreef ik al in oktober. Mijn nummer 2: het tot een gewoon zelfstandig naamwoord worden van majesteit. Hare majesteit (dus het woord gebruikt als aanspreekvorm) zie ik bijna nooit meer, de majesteit des te vaker. Majesteit wordt dan op dezelfde manier gebruikt als koningin, en dat vind ik jammer – koningin is een prima woord. Het veranderen van majesteit werd halverwege de jaren negentig al beschreven, ik zou benieuwd zijn naar de nieuwe getallen. De majesteit is mij nog in geen enkel jaar zo sterk opgevallen als in 2010.
Maar ach, al dat geërger, het is allemaal heel willekeurig. Echt heel druk kan ik me er niet over maken. Maar me moeder zal ik echt nooit schrijven. Ik heb gelukkig nog fatsoenlijk leren spellen.