Vandaag weer eens een interessante link. Mijn collega Marjan Huisman van Twinc attendeerde me op een blogpost over het schrijven bij Best Value Procurement, BVP, een nieuw type aanbestedingen dat ervaren aanbesteders voor een uitdaging stelt. Eén van die uitdagingen is het beknopt omschrijven van de prestatie, de kansen en de risico’s. Waar dat eerder op tot wel zestig kantjes mocht, moet het nu allemaal in twee à drie pagina’s. Marjan had het idee dat het piramideprincipe bij dit type denk- en schrijfwerk nuttig zou kunnen zijn, en daar ben ik het van harte mee eens! Dat is en blijft een geweldig instrument om een grote hoeveelheid aan complexe inhoud niet alleen logisch maar ook lezergericht te structureren.
Liever saai en duidelijk
Bij sommige goedbedoelde stijladviezen is het middel erger dan de kwaal. Een voorbeeld daarvan kwam kort na elkaar in twee trainingen aan de orde: gekke woorden gaan gebruiken om woordherhaling te vermijden, en het ging nog om hetzelfde woord ook. Haha: om hetzelfde woord: ook.
In het eerste geval merkte ik op dat ik tevens een te schrijftalig woord vind voor ook, waarop de schrijver zei dat hij juist naar tevens was uitgeweken omdat er anders zo vaak ook in de tekst zou voorkomen. Het tweede geval was een voorbeeldtekst voor het gebruik van signaalwoorden met twee keer ook erin, vlak na elkaar.
Nou is vaak ook gebruiken wel iets om op te letten. Ik heb zelf de neiging om te vaak ook te gebruiken omdat de ook-relatie dan in mijn hoofd zit (‘dit wil ik ook nog kwijt’) en niet in de tekst (zie eerdere blogpost daarover, met ook een grappig NS-voorbeeld). Bovendien is het een zwak signaalwoord, dat alleen maar ‘en’ uitdrukt. Kan prima zijn, maar misschien is het verband preciezer aan te geven dan dat. Vaak ‘en’ uitdrukken kan bovendien op een overzichtelijkere manier: door middel van een opsomming.
Dus, alle reden om kritisch te zijn op al te vaak ook. Maar puur en alleen vanwege de woordherhaling is het geen probleem. Zulke kleine, gewone woorden storen niet als je ze veel tegenkomt. Het duidelijkste voorbeeld daarvan zijn de lidwoorden: het is nooit hinderlijk als de, het en een veel voorkomen in een tekst. Wat mij betreft zit ook in die hoek. Maar tevens niet: dat trekt wél de aandacht, want dat zegt niet alleen ‘en’, maar ook ‘ik ben een schrijftalig woord, formeel en stijfjes’.
Andere problemen die komen door het vermijden van woordherhaling zijn vage en foutieve verwijzingen en het-net-niet-helemaal-precieze-synoniem. De schrijver zoekt dan naar een ander woord, en vindt iets wat bijna hetzelfde betekent, maar net niet helemaal. Voor de lezer is het dus toch net iets anders, en dat is verwarrend. Woorden die echt helemaal synoniem zijn, bestaan niet, dat zie je wel aan ook en tevens. Ze ‘betekenen’ hetzelfde, maar ze verschillen in toon. En kijk ook maar naar de voorbeelden in het Wikipedia-lemma: als je het altijd over je auto hebt, is het gek als je die ineens wagen noemt.
Ik zou tegen zakelijke schrijvers willen zeggen: wees niet te bang voor woordherhaling. Het ergste wat je ermee kan overkomen is dat je tekst wat saai wordt. Liever saai maar duidelijk dan niet saai met andere problemen erin. Bovendien: van ook wordt een tekst niet saai.
Logisch Turks
Ik was vorige week in Istanbul voor een weekje vakantie. Zoals gebruikelijk weer een vakantie-taal-observatie, iets wat me bij mijn vorige bezoek aan Turkije niet zo was opgevallen. Ik wist al wel dat het Turks een heel logische spelling heeft: elke letter heeft zijn eigen klank, dus als je een woord geschreven ziet, weet je ook hoe je het moet uitspreken, en omgekeerd.
De taal heeft dat te danken aan de recente invoering van het Latijnse alfabet (1928), waardoor de spelling niet met van die historische ballast zit als ons onderscheid tussen ei en ij, tussen au en ou of van die rare woorden als Gorinchem dat je als Gorkum uitspreekt.
Wat me dit keer opvalt, is dat het Turks die logica doortrekt naar leenwoorden. En die worden daar eigenlijk ook een heel stuk logischer van. Het Frans bijvoorbeeld is z’n niet-uitgesproken lettergrepen kwijt, waardoor het woord voor station gar is en office wordt ofis.
Iets lastiger had ik het met banliyö voor banlieue (daarheen rijdt een tren), en ook bijvoorbeeld kuaför moest ik eerst uitspreken voordat ik besefte dat het om een kapper ging, ook wel berber genoemd. Want dat is dan weer wel het nadeel: je kunt niet terugvallen op vertrouwde woordbeelden.
En ja hoor, je rijdt in Turkije in een oto!
Versnipper niet te veel
Laatst zag ik een rapport dat tot op het laagste niveau van de structuur genummerde kopjes had: zelfs de sub-sub-sub-paragrafen hadden nummers, en ze waren elk niet langer dan één alinea. Dat oogt gestructureerd, en een koppensnellende lezer krijgt zo veel van de inhoud mee, zo betoogde de schrijver.
Ik was het daar niet mee eens. Die koppensneller moet dan ook wel met al z’n haast en vluchtigheid véél koppen lezen, en voor een iets grondigere lezer is de structuur erg versnipperd: al die kleine, losse dingetjes. Ik denk dat dat grotendeels door conventie bepaald is, en misschien is het ook wel een beetje smaak: genummerde kopjes worden alleen gebruikt als er daaronder nog een hiërarchisch niveau volgt, dus tot en met het op één-na-laagste niveau van de tekststructuur/piramide. Door daaronder nog door te nummeren, lijkt het net alsof er iets ontbreekt, namelijk: het niveau eronder.
En hoe geef je dan het laagste niveau weer? Met een opsomming of met gewone alinea’s. Daarin ervaren lezers meer verband dan tussen allemaal kleine paragraafjes. Als je de inhoud van wat anders het kopje zou zijn netjes in de eerste zin van de opsomming of alinea plaatst (‘hoofdboodschap voorop’, ook op het laagste niveau van de tekst), bedien je bovendien ook de snelle lezers, want die kunnen langs die kernzinnen scannen.
Taartdiagrammen?
Via het netwerk van oud-McKinsey-collega’s bereikte me een prachtige blogpost over taartdiagrammen, ook erg grappig vanwege de fraaie voorbeelden, onder andere van een piramide-taart en een taartdiagram tegen taartdiagrammen. Ik houd trouwens wel van taartdiagrammen omdat ze zo fraai een ‘geheel’ uitdrukken.
Neutrale hoofdboodschap
‘Best practice’ is een adviesrapport met een actiegerichte hoofdboodschap: dan is het echt een advies, en adviezen geven hoort bij de rol van adviseur. Maar die rol is niet voor iedereen mogelijk of wenselijk. Ik denk dan bijvoorbeeld aan accountants, bij wie de controlerende en de adviserende rollen juist uit elkaar getrokken zijn. Als je niet wil, mag of kan adviseren is een constaterende hoofdboodschap prima. Accountants kunnen bijvoorbeeld iets formuleren als ‘dit voldoet aan de regels’ of ‘we hebben X afwijkingen gesignaleerd’.
In gesprek met accountants viel me een tijdje terug op dat die constaterende hoofdboodschappen neutraler zijn, of zeker kúnnen zijn, dan adviserende, en dat is geen toeval: adviseren is een relationele bezigheid, waarbij de adviseur zich richt op het helpen van de klant. Dat dienen van diens belangen staat op gespannen voet met de controlerende functie. Niet alleen controleert de accountant dan deels zijn eigen adviezen, maar ook is het lastig om streng te zijn tegen een klant met wie je een voor adviseren noodzakelijke vertrouwensband hebt opgebouwd.
In piramideprincipetermen betekent het dat de so what-vraag die leidt tot de overkoepelende boodschap niet is, vanuit het perspectief van de klant ‘en wat betekent dit allemaal samen voor mij?’ maar algemener, onpersoonlijker ‘wat betekent dit allemaal samen?’ In het antwoord staat dan ook geen u van het klantperspectief, maar niets persoonlijks, of hooguit wij van de schrijverskant.
Nadeel aan constaterende hoofboodschappen is dat de rapporten vaak zeurderig worden: een waslijst aan dingen die niet deugen. Ik vind dat onbevredigend, zeker als ik hoor dat de accountant zelf wel ideeën heeft over hoe dingen beter zouden kunnen. Actiegericht schrijven is prettiger, en het leidt ook tot minder weerstand. Klanten willen immers weten wat ze wél kunnen doen, in plaats van wat ze allemaal fout doen. Maar goed, soms is het nou eenmaal niet anders.
Actiegericht schrijven is fijner. Vind ik. Maarja, ik ben dan ook geen accountant.
Sterke presentatie-trilogie
Ik verwijs hier wel eens vaker naar het weblog van Jan Schultink over het ontwerpen van investerings- en andere zakelijke presentaties, dat in de loop der jaren een paar keer van naam is gewijzigd en nu Slidemagic heet – en dat trouwens alleen al om doorheen te bladeren een lust voor het oog is, dankzij het ‘artwork’. En vandaag in het bijzonder breng ik hem weer eens onder de aandacht hier omdat ik vind dat hij een goede ’trilogie’ heeft: de posts van vandaag, gister en eergister zijn me uit het hart gegrepen. Boodschappen: vul niet per se alle tijd die je krijgt, ga na hoe het komt dat je op een vraag alleen maar een heel lang antwoord kunt geven, en pas op met al te gelikte presentaties. Van harte aanbevolen!
Een perspectiefwisseling te veel?
Nog maar eens een keertje over de lijdende vorm, ik kan het niet laten. In mijn proefschrift daarover beweer ik dat het passief een perspectief-effect heeft – het boek heet niet voor niks Passive and Perspective. Ik kan dat uitleggen aan de hand van een simpel voorbeeld. Als je zegt ‘de man zette de computer aan’, identificeer je je in dat zinnetje met de man, als menselijke ‘aanzetter’ (handelende persoon). Je doet dat als spreker en je vraagt de hoorder zich in diezelfde positie in te leven. Als je zegt ‘de computer werd aangezet’ is er nog steeds een aanzetter, en de gedachte aan die handelende persoon wordt nog wel opgeroepen, maar zonder dat die identificatie-mogelijkheid er is. Volgens mij is dat de essentie van het passief.
Ik heb net Verdwijningen gelezen, een boek dat uit het Zweeds vertaald is, en waar ik af en toe struikelde over zinnen waarvan ik denk dat het vertaalproblemen zijn. Er staat bijvoorbeeld ergens dat iemand ‘gehurkt rende’, nou, daar kan ik me niets bij voorstellen. En ik struikelde ook over een passief, volgens mij omdat die qua perspectief niet kan. Het is, zoals wel meer goede Zweedse boeken, een thriller, en de zin staat in een passage over één van de moorden. We kijken mee met de moordenaar naar het slachtoffer en dan staat er:
Hij bestudeerde het gezicht voor hem. Aanvankelijk meer verbazing dan schrik. Of pijn. Toen veranderde de gezichtsuitdrukking plotseling, de ogen werden opengesperd, tot het leek alsof ze uit hun kassen werden gedrukt. De man snakte, hapte piepend naar lucht, terwijl zijn armen in een soort fladderende beweging recht opzij werden gestoken.
De eerste lijdende vormen, werden opengesperd en werden gedrukt, snap ik: vanuit het perspectief van de moordenaar is het kennelijk net alsof zijn slachtoffer dat niet zelf doet, het is een soort depersonificatie van het slachtoffer. Die functie van de lijdende vorm ken ik, ik besteed er in mijn proefschrift ook aandacht aan (en vergelijk wat ik onlangs schreef over Vals Licht). In de zin erna echter wordt het slachtoffer echter weer persoon: de man snakte en hapte.
Dat kan nog, maar dan die laatste, werden gestoken. Dat is me een perspectiefwisseling te veel, en één moment denk ik: …door iemand anders?? Maar nee, dit moet weer het slachtoffer zelf zijn die handelt.
Ik weet niet of het komt doordat het inderdaad een wisseling te veel is, of dat die twee verschillende perspectieven (‘identificatiefiguren’) in één zin elkaar bijten. Ik weet wel dat het Zweeds een andere lijdende vorm heeft dan het Nederlands. Kan het in het Zweeds makkelijker?
Het is trouwens een heel spannend boek!
Rijke oogst aan inspirerende stukken
Hoogste tijd om weer eens wat links te delen die ik de laatste tijd als zijnde interessant bewaard heb. Het is deels al van een tijdje terug – vandaar, het werd echt weer eens tijd om goede stukken te delen. Meestal werd ik erop geattendeerd via Twitter overigens; ik weet niet altijd meer door wie, maar dank, vakgenoten die ik volg.
- Ook moeite met de juiste toon als je mailt in het Engels? Lees dit stuk uit de Guardian over de aanhef.
- Een genuanceerde en treffende analyse van de passieven in teksten over slavernij. Enerzijds scherp: je kunt het passief gebruiken om de verantwoordelijkheid voor de slavenhandel te verdoezelen. Anderzijds mild: ‘vermijd het passief’ is een te lomp advies. Ben ik het zeer mee eens!
- Het weblog van Taalbeheerser (Sjaak Baars) is zeer actief op het moment, dus als je interesse hebt in overtuigen en retorica: volgen! Het zijn vaak korte, rare observaties.
- Fraaie bespiegelingen over speechen voor verschillende culturen en voor de twee sexen – en dat je geen vrouw hoeft te zijn om over vrouwenzaken of voor vrouwen te schrijven.
- Een zeer uitvoerige website van de Radboud Universiteit over academisch schrijven – met zo’n site heb je geen handboek meer nodig!
- Kan handig zijn: bronnen voor gratis afbeeldingen voor je website of blog.
- Een anti-SEO-schrijven-pleidooi dat ik van harte onderschrijf. Ik zeg ook altijd: schrijf voor mensen, niet voor de zoekmachine. Een goede tekstschrijver kan dat overigens wel met elkaar verzoenen.
- En tot slot, deze geweldige afbeelding van @ianbremmer, die hem ‘Writing – a guide’ noemde:

Tien jaar Artist’s Way
Het is deze herfst tien jaar geleden dat ik
de weg van de Artist’s Way aflegde: een programma van twaalf weken, toen in een groep bij Josephine Vrijdaghs, met het boek van Julia Cameron centraal. Ik ben er sindsdien mee bezig gebleven: ik schreef morning pages, ik streefde naar een wekelijkse artist date, ik lette op synchroniciteit en ik bepaalde telkens doelen en acties voor mijn creatieve ontwikkeling (want daar gaat het allemaal om).
Over die vier elementen legde ik ook nog met enige regelmaat verantwoording af door een checklist te schrijven, en naar aanleiding daarvan belde ik dan met Renée, mijn groepsgenoot van toen. Al die jaren lang deden we zo dus een Artist’s Way check-up. Maar daar hebben we ook net deze maand een punt achter gezet.
We stoppen met de check-ups omdat het lang genoeg geweest is – we hebben het verrassend lang volgehouden, vinden we. Anderzijds lopen onze prioriteiten nogal uit elkaar. Renée is het Artist’s Way proces aan het intensiveren: ze is net opnieuw met zo’n groep bij Josephine begonnen. Ik ben het juist aan het deïntensiveren, of liever gezegd: ik merk dat het wat ondersneeuwt nu gezien een ander groot doel voor volgend jaar: het volbrengen van een hele triathlon.
Goed om er een punt achter te zetten, al blijven we elkaar zeker wel spreken, want we hebben elkaar in die jaren goed leren kennen. We boomden over andere zaken dan alleen onze creatieve ontwikkeling, en zelfs alleen dat thema is al persoonlijk genoeg voor diepgaand contact.
In onze laatste check-up blikten we terug op wat tien jaar Artist’s Way ons heeft opgeleverd. Voor mij is dat: één ding niet en een heleboel wel. Het ene niet-ding zit hem erin dat ik tien jaar geleden hoopte om met creatief en journalistiek schrijven meer en misschien wel al mijn geld te gaan verdienen. Dat is niet gelukt – het bleek een moeilijke wereld en ik was wellicht onvoldoende bereid er alles voor opzij te zetten. Daarvoor vond en vind ik mijn advies- en trainingswerk ook gewoon te leuk en te lonend. Ook wel omdat het steeds creatiever werd, of ik moet zeggen: omdat ík creatiever werd.
En dat brengt me op wat de Artist’s Way me wel heeft opgeleverd. Dat is allereerst meer en makkelijker schrijven. Dat is voor mijn werk nuttig, voor mijn eigen schrijfwerk en omdat ik zo schrijvende professionals ook wat kan leren over schrijfgemak. Maar het gaat verder dan dat. De (bijna) dagelijkse morning pages hebben een persoonlijke, ja, therapeutische werking. Dat gemak zit hem in het bevrijd zijn van de interne criticus. Ik zeg wel eens dat ik hem nog steeds heb, nodig heb ook, maar dat hij beter zijn plaats weet.
Dat grotere gemak, die interne criticus die beter zijn plaats weet, dat reikt ook verder dan alleen bij het schrijven. Ik ervaar die toegenomen vrijheid en creativiteit bij mijn jaarlijkse Buitenkunst-weken het sterkst, maar ik merk het ook in mijn werk: ik heb steeds minder last van het zelfbewustzijn dat kritisch meekijkt naar alles wat ik doe en laat.
Die opbrengst van tien jaar Artist’s Way, die is goud waard, en die is essentiëler dan wel of niet betaald krijgen voor mijn schrijfwerk. Het is een bijzonder proces geweest, en nog, want ik blijf morning pages schrijven, daar ben ik inmiddels helemaal mee vergroeid (zie deze column – ik vergeleek het na vijf jaar al met tandenpoetsen!). Ik kan het doorlopen van het proces aanraden aan iedereen die meer of makkelijker wil schrijven (ook zakelijk!) of een andere kunstvorm wil beoefenen, die meer creativiteit wil in werk en leven. De Artist’s Way maakt je vooral ervan bewust dat de grootste obstakels daarvoor in je eigen hoofd zitten, en leert je je daar minder van aan te trekken.
En ja, dat kost tijd, moeite en aandacht. Maar dan heb je ook wel wat.

