↓
 

Louise Cornelis

Tekst & Communicatie

  • Home |
  • Lezergericht schrijven |
  • Over Louise Cornelis |
  • Contact |
  • Weblog Tekst & Communicatie

Bericht navigatie

← Oudere berichten
Nieuwere berichten →

Ik op BNR over Powerpoint

Louise Cornelis Geplaatst op 20 augustus 2009 door LHcornelis20 augustus 2009 1

Ik kondigde ‘m vanmiddag al aan, en hier is-ie dan: ik aan het woord op BNR over Powerpoint (link naar BNR) of als MP3: bnr_nieuwsradio-20090820-17-38-0 (in beide gevallen begint het na een paar seconden). Ze hebben er iets leuks van gemaakt, alsof mijn woorden zijn ingebed in een presentatie, en de fragmenten doen goed recht aan wat ik heb verteld en waar ik voor sta. Erg leuk, dus!

Waar ik nog wel een boom over zou willen opzetten, is het commentaar dat er meestal ‘geen budget’ is om het maken van een belangrijke presentatie uit te besteden. Want dat is toch vaak een vertekening: stel dat je 20 duurbetaalde mensen een uur lang alleen maar zit te vervelen met een slechte presentatie – da’s 20 verloren manuren…

Geplaatst in Opvallend, Presentatietips | 1 reactie

Verschenen: 3 mini-columns in Oase

Louise Cornelis Geplaatst op 20 augustus 2009 door LHcornelis20 augustus 2009  

Net uit: Oase jaargang 2, nr. 1, met daarin drie mini-columns over sport van mij, rond de thema’s ‘pas je je aan?’, ‘dat is sterk’ en ‘zo zijn mensen’.

Geplaatst in verschenen | Geef een reactie

Ik ben vanmiddag op BNR, over Powerpoint

Louise Cornelis Geplaatst op 20 augustus 2009 door LHcornelis20 augustus 2009  

Powerpoint bestaat vandaag 25 jaar, en daar besteeds BNR aandacht aan in de uitzending van vanmiddag – met mij als één van de geïnterviewden. Als het goed is, ben ik dus tussen 4 en 7 een paar keer op de radio te horen!

Geplaatst in Opvallend | Geef een reactie

Alle begin is moeilijk

Louise Cornelis Geplaatst op 12 augustus 2009 door LHcornelis12 augustus 2009  

Op dit weblog heb ik het vaker gehad over beginnen – over het begin van een brief. Vandaag nog maar eens een keertje, want ik kreeg een brief met een opvallend begin onder ogen. De brief is van een plaatselijke politieke partij. Hoofdboodschap is het verzoek je kandidaat te stellen voor de gemeenteraadsverkiezingen. De brief laat zien wat er zo moeilijk is aan beginnen:

Als u deze brief op uw mat vindt, bent u mogelijk net terug van vakantie en kijkt u weer uitgerust en met frisse moed naar wat u te wachten staat. Of u heeft nog een vakantie tegoed en bent nu de laatste dingen nog aan het afronden. Hoe het ook zij, ik wil het met u hebben over <partij> en de uitdagingen die voor ons liggen met (deel)gemeenteraadsverkiezingen in het verschiet.

Enerzijds doet deze brief het heel goed: het is geen cliché-opening, maar juist bedoeld als menselijk en persoonlijk en ook alleen maar mogelijk in deze tijd van het jaar, dus maatwerk. De schrijver doet duidelijk een poging aan te sluiten bij de belevingswereld van de ontvanger. Hartstikke goed.

En toch gaat het fout. Om twee redenen:

1. De relatie tussen opening en thema van de brief is vergezocht. De poging aan te sluiten bij de belevingswereld is loffelijk, maar de draai naar het thema gezocht en geforceerd. Vakantie heeft immers niet veel te maken met de gemeenteraadsverkiezingen. De schrijver is zich daar vast vagelijk van bewust geweest, want het bruggetje tussen opening en aankondiging van het thema is veelzeggend: Hoe het ook zij. Dat is bijna zoiets als ‘and now for something completely different’, of: en nou stoppen met ouwehoeren en ter zake komen.

2. Het begin sluit mogelijk lezers uit. Deze schrijver kent zijn lezers niet persoonlijk en moet daarom een gok doen naar wat hen bezighoudt. De meesten zullen net met vakantie geweest zijn, maar niet allemaal. Ook dat heeft hij zich gerealiseerd, vandaar de mogelijk in de eerste zin, de tweede zin met een alternatief, en het ‘hoe het ook zij’ in zin drie is zo op te vatten. Het kan nog heel anders zijn immers. De brief kan óók terechtkomen bij mensen die heel graag op vakantie hadden gewild, maar er geen geld voor hadden of ziek waren. Of die van de winter weg zijn geweest. Of die geen interesse hebben in vakantie. Het begin is dus ook riskant: een aantal lezers zal ‘uh…’ denken. Velen daarvan zullen bereid zijn om mee te gaan met de meerderheid en snel doorstomen naar waar de brief ter zake komt. Maar sommigen zullen afhaken. Soortgelijke risico’s nemen schrijvers die beginnen met ‘zoals u wel weet…’: een misser als er lezers tussen zitten die het níet wisten.

Merk op dat de poging van de schrijver om beide problemen op te lossen, tot een boel extra woorden leidt – tot wolligheid. Bij een scherp gekozen openingszin kan het al in de eerste of tweede zin over de gemeenteraadsverkiezingen gaan, en dat scheelt een boel woorden. Uit het vervolg van de brief blijkt dat deze schrijver nogal een handje heeft van het creëren van een woordenbrij: de brief is lang en het is zoeken tussen al die woorden naar de essentie. Het begin is ook daarvan een symptoom.

Hoe kan het anders? Volgens mij heel simpel. Het logo van de partij staat al op de envelop en bovenaan de brief. De lezer verwacht dan niets over vakantie, en dus kan je gewoon meteen ter zake komen:

In maart 2010 zijn er weer gemeenteraadsverkiezingen. U gaat vast stemmen, maar heeft u er wel eens aan gedacht dat u ook verkozen kunt worden? [of, zakelijker: ‘<partij> zoekt nog kandidaten voor de (deel-)gemeenteraden en wil u daarom met deze brief vragen kandidaten aan te melden’]. In deze brief kunt u lezen wat dat inhoudt [of andere inhoudsaankondiger].

Geplaatst in schrijftips | Geef een reactie

Lezen met hindernissen

Louise Cornelis Geplaatst op 11 augustus 2009 door LHcornelis11 augustus 2009  

Gister was de dag van de kleine obstakels bij het lezen – van die dingen waar je even over na moet denken. Het gebeurde op vier plekken:

1. Op de site van Schrijven las ik een aankondiging voor een cursus Stipvertalen. Ik denk: stipvertalen, wat is dat? Ik ga lezen, en dan blijkt er een r in te ontbreken: het gaat om stRipvertalen. Aha! Blijft nog steeds beetje typisch woord, maar nu begrijp ik het wel. Inmiddels is de titel trouwens verbeterd, maar de oude schrijffout is nog zichtbaar in de URL: http://www.schrijvenonline.org/nieuws/elv-geeft-cursus-stipvertalen

2. Ik kreeg een nieuwsbrief van een groep coaches waarvan ik er één ken. BIj snel scannen wat zij doen, bleef ik twee keer haperen:

  • Ik struikel over het woord empowerbility (p. 4). Ik ken employability en empowerment, maar deze combi ken ik niet. Moet het dan niet empowerAbility zijn? Ik begrijp de betekenis van het woord wel, al weet ik niet helemaal zeker wat het vermogen tot empoweren je oplevert, dus wat empowerbility meer is dan empowerment – en de woordvorming blijft lichte kortsluiting in mijn hoofd geven (terzijde: dezelfde kortsluiting die ik nog altijd ervaar bij verkeershinder: ik snap het wel, maar toch klopt het niet). Google kent overigens empowerbility noch empowerability.
  • Verderop gaat het over een workshop over het doorbreken van het gekleurde plafond (p. 7). Opnieuw iets wat ik wel begrijp, maar wat toch niet klopt. Het kostte me enig denkwerk om precies te doorgronden wat de kortsluiting opleverde: ook voor ‘gekleurde’ mensen is dat plafond van glas. De onzichtbaarheid en daardoor onbespreekbaarheid ervan is juist de essentie van het verschijnsel. Gekleurd plafond is goed bedoeld, maar toch een rare term. Was het maar gekleurd!
    Overigens begrijp ik dat de term vaker gebruikt wordt. Maar als het roze, zwarte en groene plafond bestaan, dan moet het voor vrouwen ook niet van glas genoemd worden. Wie (bij de overheid?) verzint zulke termen?

3. ’s Avonds las ik in de Vogelvrije Fietser, het blad van de Fietsersbond, een ingezonden brief over de kant van het fietspad waar voetgangers het veiligste kunnen lopen. Interessant onderwerp, maar wat de briefschrijver bedoelde, kon ik niet achterhalen, onder andere door deze zin:

Door het snelheidsverschil tussen fietsers en wandelaars/lopers heb je veel minder tijd om je te vergewissen van de mogelijkheid veilig voor die mensen uit te wijken in geval van links lopende tegemoet komende wandelaars las in het geval van rechts lopenden die je als fietser achterop komt en aan hun linkerzijde passeert.

Toen ik had bedacht dat las qua spelling als moet zijn en volgens de officiële regels dan (en dat kostte even wat tijd…), werd het ietsje makkelijker, maar nog steeds is het een ondoorgrondelijke zin die veel te veel gedachten in één keer probeert te verwoorden.

4. In het blad voor alumni van de VU staat een interview met cabaretier Hans Sibbel, genomineerd voor de poelifinario-prijs. Poelifinario, dacht ik, het is toch polifinario? Ik heb het inmiddels opgezocht, en nee, het is wel degelijk poelifinario. Doet me beseffen dat ik dat woord wel vaak heb gehoord, maar nog nooit geschreven had gezien.

Moraal van dit verhaal? De laatste is anders dan de eerste drie, want een soort persoonlijke hapering die niet ligt aan de schrijver of redacteur van de tekst en waarvan ik denk: okee, weer wat geleerd! De eerste drie laten zien dat ogenschijnlijk kleine verzorgingsdingen (spelling, woordkeus, lengte van zinnen) een lezer behoorlijk kunnen afleiden, op het verkeerde been zetten en zelfs doen afhaken.

Als het in mijn trainingen om dit soort lokale tekstverschijnselen gaat, lijkt dat vaak geneuzel. De eerste drie voorbeelden laten zien dat dat neuzelen toch belangrijk kan zijn.

Geplaatst in Opvallend, schrijftips | Geef een reactie

Leesbaarheid voorop

Louise Cornelis Geplaatst op 10 augustus 2009 door LHcornelis10 augustus 2009  

Het woord leesbaar heeft twee betekenissen; in het Engels vertaal je het dan ook met readability of legibility. Legibility slaat op de fysieke aspecten van een tekst, dus bijvoorbeeld hoe groot het lettertype is. Een al te klein lettertype of te weinig contrast (gele lettertjes op een witte achtergrond) maken een tekst onleesbaar. Readability is de begrijpelijkheid van een tekst voor de lezer. De spreekwoordelijke Jip-en-Janneke-teksten zijn zeer goed leesbaar, wetenschappelijke teksten veel minder.

Van het boek Leesbaar schrijven van Bart Defrancq en Greet van Laecke gaat één hoofdstuk over legibility. Het heet ‘het oog wil ook wat’ en begtoogt dat teksten beter leesbaar zijn als ze sober en interactief zijn (p. 50). Wat de auteurs bedoelen met ‘interactief’ is niet duidelijk; de soberheid wordt in het hoofdstuk uitgewerkt voor bladspiegel, lay-out van de hiërarchische onderdelen van de tekst (een hoofdstukkop ziet er anders uit dan een paragraafkop), lettertype, regelafstand en elementen die niet tot de lopende tekst behoren, zoals tabellen en voorbeelden.

De rest van het boek gaat over readability. De auteurs introduceren verschillende leesbaarheidsformules. Dat zijn berekeningen op basis van onder andere aantal woorden in een zin en aantal lettergrepen per woord. Daar komt dan een score uit voor de tekst die aangeeft voor welke doelgroep deze geschikt is. Zulke formules zijn heel praktisch want makkelijk te berekenen (computers doen het werk), maar er is in de wetenschap veel discussie over en er wordt zeer verschillend gedacht over de relevantie ervan. Een stemming erover van Onze Taal bleef bijvoorbeeld onbeslist, en een veelgebruikt meetinstrument, Texamen, wordt vanuit de wetenschap sterk bekritiseerd. Probleem is immers dat simpelweg tellen niets zegt over bijvoorbeeld de structuur van zinnen en woorden: sommige lange zinnen of woorden zijn heel makkelijk te begrijpen, terwijl korte woorden lastig kunnen zijn.

Leesbaar schrijven relativeert het belang van formules wel, maar toch spelen ze in het boek een belangrijke rol. Bij opdrachten staat bijvoorbeeld dat je herschrijving een bepaalde score moet halen. Ik vind dat op z’n minst twijfelachtig. Vanwege dus dat beperkte nut van leesbaarheidsformules, maar ook omdat er bij de opdrachten dan niet bij staat voor welke doelgroep een tekst is. In het boek staat wel dat je voor hoger opgeleide publieken moet oppassen ze niet te beledigen door al te makkelijk te schrijven, maar in de praktijk van de uitwerkingen blijkt daar verder niets meer van. En dan kun je dus, zoals in een voorbeelduitwerking, het lange en vreemde woord acquisitie vervangen door aankoop (p. 128, 129), maar ik denk dat niemand die daadwerkelijk aan acquisitie doet, daarop zit te wachten.

Het boek behandelt daarna hoe voor tekst, zin en woord de leesbaarheid kan worden bevorderd. Daar zitten een boel aardige en belangwekkende suggesties bij, al is het verre van compleet. Wat precies een tekst leesbaar maakt, daar is de wetenschap nog amper over uit, laat staan dat het onderwerp volledig is uit te diepen in een hoofdstuk van 15 pagina’s.

De hoofdstukken over zin en woord zijn naar mijn smaak wat al te melig doordat de ziekte-metafoor te ver en te lang wordt doorgezet: leesbaarheidsproblemen zijn allemaal ‘aandoeningen’ waar ‘patiënten’ aan lijden en waarvan de ‘pijn’ verzacht wordt op voorwaarde van het voorkomen van ‘nevenwerkingen’ en ‘complicaties’. Eén van de adviezen is om abstracte zaken te illustreren met beeldspraak (p. 118/119) – maar dit is voor mij over the top; ik voel me niet serieus genomen. Overigens draagt het wel erg grote lettertype daar ook enigszins aan bij: een boek over leesbaarheid is toch niet voor kleuters?

De behandelde onderwerpen zijn behartigenswaardig, en wat goed en apart is, is dat de leesbaarheidsproblemen zijn benoemd in kenmerkende termen, dus als verschijnsel, en niet als oorzaak. Ik bedoel: de meeste schrijfhandboeken behandelen stilistische en grammaticale verschijnselen als problemen; dit boek behandelt de indruk die de tekst maakt. Dus niet paragrafen over ‘lange zinnen’, maar over ‘rijgkoorts’: teksten die de indruk maken dat de schrijven bang is om zaken onvolledig voor te stellen (p. 91) of ‘abstractie’: de fobie van teksten voor namen van mensen en zaken (p. 107).

Overeenkomst met de meeste andere schrijfhandboeken is dan weer wel dat er veel hocus-pocus-herschrijvingen in staan, gevolgd door de opdracht ‘en doe het nu zelf’, maar dat er niet echt een recept is voor hoe je probleemzinnen kunt aanpakken. Waar komt die herschrijving nou precies vandaan, dus precies hoe verbeter je nou een zin? Ja, met behulp van de creativiteit en het taalgevoel van de schrijvers. Maar probleem is nou juist dat een heleboel zakelijke schrijvers en schrijvende professionals niet zo creatief zijn, en al lang blij zijn dat ze die ene zin op papier hebben gekregen. En nou blijkt-ie ziek en moet-ie anders – je zou wel van minder writer’s block krijgen.

Achterliggende probleem daarvan is dat het knutselen aan zinnen symptoombestrijding is. Het werkelijke probleem is vaak gelegen in het schrijfproces (te houterig en te veel gericht op het eruit wurmen van informatie in plaats van op de lezer), in irrationele ideeën over de tekst (‘als ik het simpel voorstel, denken ze dat ik dom ben’) en in tegenstrijdige belangen rond de tekst (variërend van gerichtheid op consensusvorming tot ‘zo moet het van de juridische afdeling’). Zo lang je die echte oorzaken niet aanpakt, is knutselen aan zinnen een grote inspanning met weinig rendement.

Wel weer leuk aan Leesbaar schrijven zijn de talloze voorbeelden, allemaal uit het echte leven en zeer herkenbaar. Een stoet aan slechte stukjes brochures, websites en brieven passeert de revue. Er is op dit gebied nog veel werk te doen. Als Leesbaar schrijven daar een bijdrage aan levert: geweldig. Het boek is daar zeker op gericht en is één van de weinige schrijfhandboeken dat zo consequent is in de gerichtheid op de leesbaarheid. Wat dat betreft goed dat het er is. Maar ik ben van de uitwerking niet heel erg onder de indruk.

Geplaatst in Leestips | Geef een reactie

Verschenen: Fietsvrouwcolumn #49

Louise Cornelis Geplaatst op 8 augustus 2009 door LHcornelis8 augustus 2009  

Net uit: Fiets van augustus met daarin m’n 49e Fietsvrouwcolumn, dit keer over gebrek aan vorm altijd aan een ander wijten…

Geplaatst in verschenen | Geef een reactie

Twitter viel zowel mee als tegen

Louise Cornelis Geplaatst op 5 augustus 2009 door LHcornelis5 augustus 2009 4

Tijdens de afgelopen Tour de France heb ik geëxperimenteerd met Twitter. Andere jaren schreef ik tijdens de Tour een dagelijkse column, Vrouw Kijkt Tour. Dit jaar Twitterde Vrouw Tour. Ik heb zelf Tour- en fietstweets geschreven en ik heb de twitterende Tour-deelnemers gevolgd, plus wat aanverwanten.

De bedoeling was om erachter te komen wat de lol en/of het nut van Twitter is. Ik vind dat ik daar ervaring mee moet hebben en een mening over, aangezien het een vorm is van schrifteljike communicatie en dat mijn vak is. Ik was sceptisch over Twitter: wat kun je nou kwijt in 140 tekens, hoe interessant is dat, en kost het niet heel veel tijd om in die grote brij aan berichtjes de diamantjes op te sporen?

Ik snapte bijvoorbeeld niet hoe, wat ik had gehoord, de serieuze journalistiek gebruik kon maken van Twitter – want hoe weet je wie je op welk moment moet volgen om een scoop te hebben? En de hele tijd iedereen volgen kan niet, of je wordt er gek van – het kan in elk geval niet rendabel zijn. En ik snapte ook niet precies wat de lol ervan was voor de gewone gebruiker. Twitteren ‘ik ga nu een pizza eten’ – lekker belangrijk. Wie is daarin geïnteresseerd?

Welnu, Twitter is me zowel mee- als tegengevallen.

Wat me meeviel, was het zoeken naar die diamantjes in de chaos. De Tour de France is een overzichtelijk universum. Ik volgde een stuk of twintig renners, plus een tiental ‘aanverwanten’, variërend van de officiële twitters van de Rabobankploeg en enkele ploegleiders tot de vrouw van renner Bradley Wiggins. Dat was goed te overzien, al betekende het wel pagina’s lang tweets bijlezen als ik eens even een dagdeeltje niet achter de computer had gezeten, soms radend naar de betekenis van Engelse SMS-afkortingen en specifieke Twitter-conventies.

Maar dat ging toch wel, en dan stonden er wel degelijk die diamantjes tussen. Mijn persoonlijke diamantjes, zoals de schattige berichtjes met foto’s en in gebrekkig Engels van mijn grote held Ekimov over zijn pasgeboren dochtertje. Ik vond het ook leuk om bij te houden wie wanneer als eerste na de finish weer twitterde, en dat was soms ongelofelijk snel. Zo vermaakte ik me er wel mee.

Maar ik las ook de diamanten waar journalisten naar op zoek zijn, de scoops. In deze Tour werd immers een deel van de (schijn-?)machtsstrijd binnen de Astana-ploeg tussen Lance Armstrong en Alberto Contador van Armstrongs kant uitgevochten via Twitter, met als hoogte- of dieptepunt de lullige tweet van 27 juli, vlak na de Tour-finish:

hey pistolero, there is no “i” in “team”. what did i say in March? Lots to learn. Restated.

Die en andere tweets werden door mij en door zeer veel anderen (Armstrong heeft meer dan een  miljoen volgers) binnen en buiten de reguliere media gewikt en gewogen – wat bedoelt hij daar nou mee?

Zelf Twitter volgen heeft als voordeel dat je die tweets ziet voordat de media ermee komen. Je kunt je dan dus eerst zelf een oordeel vormen. Het geeft bovendien een soort gevoel van ingewijd zijn. Op één van de eerste dagen van de Tour twitterde renner Steven de Jongh dat hij had ontdekt dat zijn hotel vlak bij de plek stond waar ’s avonds Mart Smeets zijn Avondetappe zou presenteren. Toen De Jongh die avond dus bij Smeets opdook, ervoer ik een triomfantelijk: ‘dat wist ik al’. In de Metro verschenen de interessantste tweets, en die kon ik met een blasé glimlach overslaan: weet ik allemaal al. Ik volg Twitter immers zelf, ik zit eerste rang.

Daar komt bij dat Twitter een soort eigen wereldje is, waarin je de beroemde twitteraars ‘tegenkomt’ op een manier die daarbuiten onzichtbaar is. ‘ik ga nu een pizza eten’ is inderdaad niet zo interessant. Wél als het van een beroemde wielrenner afkomstig is. Of liever gezegd: ‘ik ga nu twee uur trainen’ is iets wat ik normaal gesproken niet zo meekrijg van mijn wielerhelden. Laat staan dat Steven de Jongh mij elke dag, zoals hij op Twitter doet, goedemorgen en goedenacht wenst. Dat gaf mij een gevoel van erbij horen, hoe ‘nep’ dat ook eigenlijk is.

De Jongh twittert sympathiek, portretteert zichzelf als family man, en schetst zo een ander beeld dan dat van alleen maar de stoere fietser. Zo leer je ze nog eens van een andere kant kennen, met als kanttekening dat ook Twitter natuurlijk een bepaald filter is: het is niet ‘de’ werkelijkheid, de tweets ondersteunen een bepaald imago. Dat is niet fout, dat is interessant. Zoals Laurens ten Dam als stuntel op een surfplank: het is gewoon wel grappig bij kerels die ik alleen op de fiets ken. 

Wat me tegenviel, was mezelf uitdrukken in 140 tekens. Het wende wel, ik merkte zelfs dat ik op andere plekken ook veel beknopter en in telegramstijl ging schrijven, soms in bijzinsvolgorde, als een wist-je-dat-stijl, die op Internet ook veel gebruikt wordt. Maar veel interessants kun je in 140 tekens inderdaad niet kwijt. De meeste tweets, van mijzelf of van anderen, zijn dan ook helemaal niet zo interessant. Beroemd zijn scheelt, en dan nog is het, zoals ik hierboven schreef, zoeken naar de diamantjes tussen heel veel bagger.

Zelf produceerde ik soms ook bagger, daar was ik me ook wel van bewust. Bagger produceren is namelijk heel makkelijk. Elk idee, elke losse gedachte, kun je eruit mikken. Het is niet alleen niet nodig, maar zelfs niet mogelijk om een doorwrochter betoog op te stellen. Enige escape is meerdere tweets achter elkaar plaatsen, maar dan nog: het is iets heel anders dan ‘echt’ schrijven.

Dat heeft nadelen, maar het heeft ook voordelen: je hoeft er amper echt over na te denken. Was ik in vorige jaren vanwege Vrouw Kijkt Tour verplicht om een standpunt in te nemen en dat te beargumenteren, nu hoefde dat niet. Elke losse flodder kon ik wel in 140 tekens proppen. Dat is ook wel makkelijk. En zo niet, dan toch niet? Twitter is ook zeer vrijblijvend.

Dat gemak, die vrijblijvendheid dat is precies het nadeel van Twitter: het is een medium voor losse flodders, afgeschoten door zenders die niet gedwongen worden om echt na te denken bij wat ze schrijven – na te denken over hun publiek, bijvoorbeeld. Het grootste gedeelte van die losse flodders is daarom totaal oninteressant. Ze zijn hooguit een enkele keer interessant als die zender als persoon interessant is – beroemdheden, je beste vrienden. En zelfs dan is het zoeken.

Misschien is het anders als je jezelf helemaal in die wereld stort, en dat gevoel van ‘erbij horen’ cultiveert, met talloze volgers over en weer. Twitteraars vormen dan een soort eigen universum – waar veel tijd en moeite in gaat zitten. Voor mij is dat echter veel te veel een surrogaat voor echt contact.

Als experiment was drie weken twitteren zeer geslaagd: ik heb het medium zo leren kennen en ik weet wat ik eraan heb en wat niet. Ik volg ‘mijn’ profs nog steeds, en dan is het makkelijk om er zelf ook af en toe nog iets uit te twitteren. Ik denk dat dat afkicken is, en dat mijn getwitter wel zal doodbloeden. Want je uitdrukken in 140 tekens, dat is toch niet echt mijn ding. En die belangrijkste tweets van anderen, die lees ik dus wel in de krant.

(deze post is een licht bewerkte co-productie met http://vrouwkijkttour.wordpress.com/2009/08/05/evaluatie-van-het-twitter-experiment/ )

Geplaatst in Opvallend | 4 reacties

Een anti-PowerPoint-boek?

Louise Cornelis Geplaatst op 4 augustus 2009 door LHcornelis4 augustus 2009 3

Toen ik Echte leiders gebruiken geen PowerPoint in de boekwinkel zag staan, móest ik het kopen natuurlijk, als auteur van twee boeken over PowerPoint: de titel staat er in grote letters voorop, voorzien van een enorm uitroepteken. De ondertitel, ‘Een krachtige visie op presenteren’, beloofde nog meer.

Alleen al voor die voorkant is het boek de moeite waard, zo bleek me al. Ik had het bij me om in de trein te lezen onderweg naar een training. Op die training ging het er op een bepaald moment over hoe belangrijk het nou eigenlijk was om je PowerPoint-materaal tot in de puntjes goed gestructureerd en verzorgd te hebben. Op dat moment toverde ik dit boek uit de hoge hoed. Het gaat níet om wat je maakt in Powerpoint.

Het gaat wél om goed presenteren. Auteur Christopher Witt gebruikt voorbeelden van beroemde, krachtige speeches: probeer je Martin Luther King, Kennedy of Obama maar eens voor te stellen met PowerPoint-bullets, dan zie je meteen waar het bij presenteren wel en niet om gaat. Niet iedereen heeft dat talent en charisma, maar er is wel veel aan te leren en te ontwikkelen. Een sterk verhaal brengen bijvoorbeeld, maar ook ‘nee’ durven te zeggen als je gevraagd wordt om te presenteren en je ziet dat niet zitten. PowerPoint kan geen bezieling maken waar die niet is.

Volgens Witt draait het bij een goede presentatie om de persoon van de spreker, die op eigen wijzen een inhoud brengt die onverwacht en helder is. Presenteren gaat in de eerste plaats om het betrekken van het publiek bij een nieuwe visie, en pas in de tweede plaats om het overbrengen van informatie. Powerpoint kan dat laatste wel, en daar kan het dus ook soms wel handig voor zijn. Witt bepleit dan het gebruik van visuele slides, niet bullets, en waarschuwt ervoor hoe veel tijd het kost om echt iets goeds te maken.

Ik ben het er allemaal heel erg mee eens, en vind het dan ook een inspirerend boek dat een stevige knuppel gooit in het hoenderhoek waarin alle kippen klakkeloos naar PowerPoint grijpen als ze moeten presenteren. Bij dat automatisme vraagtekens zetten is zeer terecht en broodnodig. Er is een bloedeloze presentatiecultuur ontstaan waarin sprekers wegkruipen achter eindeloze series bulletsheets en waarin ‘een presentatie voorbereiden’ gelijk staat aan ‘er PowerPoint-sheets uit rammelen’. Vraag aan mensen welke presentaties het meest gedenkwaardig voor ze zijn geweest, en dan noemen ze nooit die briljante bulletsheets. We moeten misschien met z’n allen Obama nog heel vaak zien om te gaan begrijpen dat het anders kan, anders moet.

Bij de vraag van mijn trainingsdeelnemers, of het nou wel echt zo belangrijk is dat het PowerPoint-materiaal goed gestructureerd is, zit echter een adder onder het gras. Nee, wat je maakt in PowerPoint is niet zo belangrijk. Maar dat mag geen excuus zijn voor een slecht gestructureerd verhaal. Het structureren van het materiaal, bijvoorbeeld volgens de strenge regels van het piramideprincipe, is een discipline die je als presenteerder sowieso moet opbrengen, of je nou PowerPoint gebruikt of niet. Het gaat meer om het denkwerk dat je verzet dan om de uiteindelijke uitkomst: een PowerPointpresentatie, gewoon een goed verhaal, een tekst, of wat dan ook. En ik denk dat Witt het daar op zijn beurt weer mee eens zou zijn.

En oja: iedereen die presenteert is een leider. Of zou dat op z’n minst voor de duur van de presentatie moeten willen zijn.

Geplaatst in Leestips, Presentatietips | 3 reacties

Boek tegen schrijfangst, uitstelgedrag en writer’s block

Louise Cornelis Geplaatst op 24 juli 2009 door LHcornelis24 juli 2009 1

In de serie ‘Taalankers’ is recentelijk verschenen MInder opzien tegen schrijven. Over schrijfangst, uitstelgedrag en writer’s block van Theo IJzermans en Johannes de Geus. Het boek is een bewerking van hun eerdere boek Schrijven zonder vrees. Niet echt iets nieuws onder de zon dus, en een beetje typisch dat de nieuwe een stuk duurder is dan de oude, zonder dat daar echt iets tegenover staat.

Máár wel een belangwekkend onderwerp, en goed dat beide boeken er zijn. Want ze zijn uniek en ze behandelen een veelvoorkomend en verder dus totaal onderbelicht aspect van schrijven: dat een boel mensen die dat in hun werk moeten doen en er niet voor zijn opgeleid, er heel veel moeite mee hebben. En dan gaat het niet om de regels voor de d’s en de t’s of hoe je een goede alinea-indeling moet maken, nee, het gaat om de emotionele kant van schrijven: schrijfweerzin, jezelf in de weg zitten, schrijven dat veel en veel en veel te veel tijd en energie kost… Op de achterflap wordt dat een ’taboe’ genoemd, en daar zit wat in.

Volgens mij zijn er in grote lijnen drie dingen aan de hand, die alledrie in dit boek aan de orde komen:

1. Er is heel weinig kennis over hoe je het beste een schrijftaak aanpakt. Ik maak heel vaak mee dat de grootste eye-opener voor deelnemers aan mijn trainingen is dat ze heel vlot en makkelijk tekst kunnen produceren als die niet meteen ‘perfect’ hoeft te zijn. Ik doe daar vaak een speciale oefening voor. Ik zwak dan doelbewust alle mogelijk eisen die iemand aan een tekst zou kunnen stellen af, en zeg dan: en schrijf nu maar, vlot, gedurende acht minuten. Vrijwel iedereen produceert dan een verrassende hoeveelheid tekst, en vaak zijn ze ook verrassend tevreden over de kwaliteit, het gemak, de creativiteit en het plezier. We bespreken vervolgens het verschil met ‘echt’ schrijven en dan hoe je een deel van die gemakskant mee kunt nemen naar je werk: door éérst zo’n snelle, creatieve versie te schrijven, en er pas later kritisch naar te kijken. Kortom: je interne criticus op het juiste moment zijn werk laten doen. Dat heeft vrijwel niemand geleerd, en alleen al daarmee zitten mensen zichzelf vreselijk in de weg. Een al te alerte interne criticus leidt tot acute dan wel permanente writer’s block.

2. Er bestaan veel irrationele gedachten over schrijven. Om er een paar te noemen: het moet in één keer goed, het moet perfect, het mag niet te veel tijd en moeite kosten, ik moet het alleen kunnen (zonder hulp of feedback van collega’s, baas), het is niet het echte werk, iedereen moet het kunnen. Ook overdreven angst voor spelfouten past in dit rijtje thuis. Ze leiden allemaal tot een gevoel van falen – met in hun kielzog faalangst en onzekerheid. De schrijvers van Minder opzien tegen schrijven putten uit de RET om dit soort gedachten om te buiten naar functionelere, en dat is volgens mij een gouden greep. Juist dit punt is zeer onderbelicht in schrijftrainingen, die daardoor verkeerd om kunnen uitpakken: nu ‘moet’ het nog perfecter, nu ‘moet’ ik het echt kunnen.

3. Veel schrijfproblemen liggen niet aan de individuele schrijver, maar aan de organisatie. Onduidelijke opdrachten, onvoldoende feedback, onvoldoende standaardisatie (bv. van veelvoorkomende brieven), onhandige systemen (technische, maar ook kwaliteitssystemen met eisen die strijdig zijn met goed schrijven), verantwoordelijkheid voor het schrijven op de verkeerde plek, problemen met de taakomschrijving… In Minder opzien tegen schrijven passeren er een heleboel de revue, zeer herkenbaar. Want dat is één van de sterke kanten van dit boek: een groot deel ervan bestaat uit casussen, dus uit schrijvende professionals van wie de schrijfmoeite geanalyseerd wordt, en de aanpak ervan gegeven. Dat is lekker lezen!

Een goed, nuttig en prettig leesbaar boek dus, of boeken eigenlijk. Ik ben het maar op één puntje niet met de auteurs eens, en dat is dat ze nogal enthousiast zijn over Powerpoint als middel om makkelijker te schrijven, omdat je makkelijker wat trefwoorden achter bullets in kunt typen en dus niet het hoofd hoeft te breken over volzinnen en alinea’s om snel tot de kern te komen. Als hulpmiddel in een tussenfase, wellicht, al kan je natuurlijk ook in Word of op een kladpapiertje bullets schrijven. Maar zonder tóch die extra moeite te doen, zal het eindproduct lijden onder dit schrijversgemak. De ervaring is immers dat die kern tussen al die lukrake bullets verloren gaat. Schrijven is óók een bepaalde dienstverlening aan de lezer, en dat kan dus (helaas?) niet zonder inspanning.

De kern van Minder opzien tegen schrijven komt echter luid en duidelijk naar voren: weg met het taboe! Helemaal supermakkelijk en vlot kan schrijven misschien nooit worden, dat is weer een nieuwe irrationele verwachting. Maar er minder tegen opzien en daarmee je werkende leven iets makkelijker maken, dat kan zeker!

Geplaatst in schrijftips | 1 reactie

Bericht navigatie

← Oudere berichten
Nieuwere berichten →

Recente berichten

  • Zweedse koks in Antwerpen
  • Met een pro-drop naar de sportschool
  • Sprekend proefschrift
  • Engelse woorden steken over
  • Kom bij Annie thuis!

Categorieën

  • Geen rubriek (10)
  • Gesprek & debat (30)
  • Gezocht (9)
  • Leestips (324)
  • Opvallend (562)
  • Piramideprincipe-onderzoek (98)
  • Presentatietips (154)
  • schrijftips (903)
  • Uncategorized (47)
  • Veranderen (39)
  • verschenen (206)
  • Zomercolumns fietsvrouw (6)

Archieven

  • februari 2026
  • januari 2026
  • december 2025
  • november 2025
  • oktober 2025
  • september 2025
  • augustus 2025
  • juli 2025
  • juni 2025
  • mei 2025
  • april 2025
  • maart 2025
  • februari 2025
  • januari 2025
  • december 2024
  • november 2024
  • oktober 2024
  • september 2024
  • augustus 2024
  • juli 2024
  • juni 2024
  • mei 2024
  • april 2024
  • maart 2024
  • februari 2024
  • januari 2024
  • december 2023
  • november 2023
  • oktober 2023
  • september 2023
  • augustus 2023
  • juli 2023
  • juni 2023
  • mei 2023
  • april 2023
  • maart 2023
  • februari 2023
  • januari 2023
  • december 2022
  • november 2022
  • oktober 2022
  • september 2022
  • augustus 2022
  • juli 2022
  • juni 2022
  • mei 2022
  • april 2022
  • maart 2022
  • februari 2022
  • januari 2022
  • december 2021
  • november 2021
  • oktober 2021
  • september 2021
  • augustus 2021
  • juli 2021
  • juni 2021
  • mei 2021
  • april 2021
  • maart 2021
  • februari 2021
  • januari 2021
  • december 2020
  • november 2020
  • oktober 2020
  • september 2020
  • augustus 2020
  • juli 2020
  • juni 2020
  • mei 2020
  • april 2020
  • maart 2020
  • februari 2020
  • januari 2020
  • december 2019
  • november 2019
  • oktober 2019
  • september 2019
  • augustus 2019
  • juli 2019
  • juni 2019
  • mei 2019
  • april 2019
  • maart 2019
  • februari 2019
  • januari 2019
  • december 2018
  • november 2018
  • oktober 2018
  • september 2018
  • augustus 2018
  • juli 2018
  • juni 2018
  • mei 2018
  • april 2018
  • maart 2018
  • januari 2018
  • december 2017
  • november 2017
  • oktober 2017
  • september 2017
  • augustus 2017
  • juli 2017
  • juni 2017
  • mei 2017
  • april 2017
  • maart 2017
  • februari 2017
  • januari 2017
  • december 2016
  • november 2016
  • oktober 2016
  • september 2016
  • augustus 2016
  • juli 2016
  • juni 2016
  • mei 2016
  • april 2016
  • maart 2016
  • februari 2016
  • januari 2016
  • december 2015
  • november 2015
  • oktober 2015
  • september 2015
  • augustus 2015
  • juli 2015
  • juni 2015
  • mei 2015
  • april 2015
  • maart 2015
  • februari 2015
  • januari 2015
  • december 2014
  • november 2014
  • oktober 2014
  • september 2014
  • augustus 2014
  • juli 2014
  • juni 2014
  • mei 2014
  • april 2014
  • maart 2014
  • februari 2014
  • januari 2014
  • december 2013
  • november 2013
  • oktober 2013
  • september 2013
  • augustus 2013
  • juli 2013
  • juni 2013
  • mei 2013
  • april 2013
  • maart 2013
  • februari 2013
  • januari 2013
  • december 2012
  • november 2012
  • oktober 2012
  • september 2012
  • augustus 2012
  • juli 2012
  • juni 2012
  • mei 2012
  • april 2012
  • maart 2012
  • februari 2012
  • januari 2012
  • december 2011
  • november 2011
  • oktober 2011
  • september 2011
  • augustus 2011
  • juli 2011
  • juni 2011
  • mei 2011
  • april 2011
  • maart 2011
  • februari 2011
  • januari 2011
  • december 2010
  • november 2010
  • oktober 2010
  • september 2010
  • augustus 2010
  • juli 2010
  • juni 2010
  • mei 2010
  • april 2010
  • maart 2010
  • februari 2010
  • januari 2010
  • december 2009
  • november 2009
  • oktober 2009
  • september 2009
  • augustus 2009
  • juli 2009
  • juni 2009
  • mei 2009
  • april 2009
  • maart 2009
  • februari 2009
  • januari 2009
  • december 2008
  • november 2008
  • oktober 2008
  • september 2008
  • augustus 2008
  • juli 2008

©2026 - Louise Cornelis
↑