Kijk, de i staat nu goed onder z’n puntjes:
Waar dit op slaat? Zie vorige week.
Enne: het boek is naar de drukker!

Kijk, de i staat nu goed onder z’n puntjes:
Waar dit op slaat? Zie vorige week.
Enne: het boek is naar de drukker!
Meldde ik gisteren al dat Kamagurka aansloot op een thema van dit weblog, vandaag doen Fokke & Sukke dat (zie mijn post van woensdag):

Oftewel: de NRC-cartoonisten zijn goed bezig!
Ik had het er laatst op dit weblog al een keer over dat de eindfase van het redigeren van een boek en het corrigeren van drukproeven nogal gemieren**k is: uren werk voor een paar piepkleine foutjes minder. Ik heb de afgelopen dagen naar de proefdruk gekregen (net echt al! leuk!) en daar nog één ongelofelijk pietepeuterig ding uitgehaald: een i met trema die niet goed recht in het midden onder z’n twee puntjes staat:
Het is een i in de tweede regel van de flaptekst op de achterkant, en dat is een nogal prominente plek, dus ik heb toch maar even gevraagd of dat aan te passen was. Jawel. Het is een bijverschijnsel van het gekozen lettertype, maar dat laat zich dus wel dresseren.
In dit geval was zo’n laatste correctie dus niet een kwestie van puntjes op de i zetten, maar van de i goed onder z’n puntjes zetten. Het moet toch niet gekker worden…
Leuke Kamagurka in de NRC van zaterdag, voortbordurend op het thema van mijn stukje van donderdag. Twee mannettes, zo te zien aan de bar, zegt het ene mannetje tegen het andere:
Door een d/t-fout in het klimaatrapport, staat nu mijn kelder onder water!
Een tijdje geleden schreef ik in een recensie dat de overheid niet zo handig is in het begeleiden van interactie, bijvoorbeeld op inspraak-avonden, en onterecht concludeert dat dat soort directe communicatie met burgers niet zo’n goed idee is. Gisteren ben ik hier in de buurt naar een inspraak-avond geweest, en ojee, wat werd mijn mening weer bevestigd.
Het was nog niet eens zo heel slecht, want de begeleiding (provincie en ingenieursbureau) had duidelijk nagedacht over hoe je een grote groep burgers kunt laten meepraten: we werden ingedeeld in kleine groepen met een eigen voorzitter, er waren panelen die deels al waren voorzien van voorstellen en deels nog blanco, en er waren geeltjes. Interactie, dat is iets wat je doet in kleine groepen en met geeltjes immers, ja toch?
Nouja, dat kan. Maar het is iets waar je toch echt even wat beter over na moet denken wil je het in goede banen leiden. Gisteravond gingen drie ‘klassiekers’ mis:
Het gevolg? Veel chaos, voor mij hoofdpijn, voor het organiserende ingenieursbureau een stortvloed aan opgebrachte punten die ze onmogelijk allemaal mee kunnen nemen, voor de aanwezigen dus de volgende keer de kater dat er met wat ze geopperd hebben niets is gebeurd, toegenomen antagonisme tussen de voor- en tegenstanders en tussen de tegenstanders en ‘de politiek’, een boel gemiste kansen.
Zo moet het dus niet. Hoe dan wel? Het begint met een professionelere aanpak, waarin deskundigen meedenken over hoe je zo’n interactie in goede banen leidt. En met mensen voor de groep die weten hoe je een pijnlijke boodschap brengt, hoe je met weerstand omgaat en hoe je een grote groep in goede banen leidt.
Voor de keuze van de werkvorm is het allerbelangrijkste: veel meer structureren. Dat kan met panelen, geeltjes en kleine groepen.
Bijvoorbeeld: de voorbereiders formuleren tien stellingen over de verschillende inrichtingsopties (bijvoorbeeld: een brug is beter dan een dam’ of ‘er moet een camping komen in het nieuwe gebied’). Daarover wordt plenair gestemd. Als je iets heel erg graag kwijt wil naar aanleiding van die stelling, schrijf je dat op een geeltje. De geeltjes plak je op een paneel dat bij de stelling hoort en dat er meer informatie over bevat, zoals bijvoorbeeld de al bekende eisen en randvoorwaarden. Vervolgens kiest elke aanwezige één van de stellingen om mee verder te gaan, dus per stelling één groepje dat de resultaten van de stemming, de informatie op het paneel en de geeltjes ‘omwerkt’ tot een conclusie over die stelling in de vorm van een aanbeveling aan het ingenieursbureau.
En zo zijn er talloze andere mogelijkheden. Over dat soort dingen denk ik graag mee, vind ik erg leuk om te doen. En als allerlaatste help ik dan ook nog met de Powerpointpresentatie die bij de inleiding te gebruiken is. Eentje die betrokkenheid creëert in plaats van agressie oproept
Wie het nieuws volgt, heeft het al gehoord: er is heel wat te doen over fouten in het ‘klimaatrapport’, het Assessment Report van het IPCC. Het rumoer erover bevestigt wat ik vaak op trainingen zeg: als de lezers ‘mekkeren’ over aspecten van het rapport die niet of nauwelijks relevant zijn voor de strekking ervan, is dat een teken van weerstand tegen die strekking. Niet voor niets pleit Milieudefensie vandaag voor een duidelijke relativering van die fouten.
Natuurlijk, fouten zijn vervelend, storend en jammer en het is altijd goed om ze zo veel mogelijk te vermijden. Dat mag je van een wetenschappelijke VN-commissie dan ook verwachten. Het Klimaatrapport bevat echter zo’n 1000 pagina’s per deel, en het zijn drie delen. Je kunt geen rapport van die omvang schrijven zonder foutjes, fouten te maken.
Sterker nog: ik denk dat er in de meerderheid van de in organisaties (inclusief wetenschap) opgeleverde rapporten fouten staan. Het is en blijft nou eenmaal mensenwerk. De honderden bij het rapport betrokken wetenschappers (als schrijvers en proeflezers) deden dat in dit geval zelfs onbezoldigd, zo hoorde ik net op de radio.
Het valt dus sowieso nogal mee. En de fouten waar het om gaat doen niets af aan de strekking van het rapport. Maar ze zijn wel koren op de molen voor mensen die die strekking verwerpen, de ‘klimaatsceptici’. Die concluderen: “Zie je wel, klopt niets van, van dat onderzoek!” Dat is lekker makkelijk.
Ik wil niet pleiten voor het kritiekloos accepteren van een slordig rapport. Ik wil wel attenderen op het fenomeen weerstand. Als mensen een akelige boodschap, een oproep tot verandering, niet willen aannemen, kiezen ze vaak voor een ‘afleidingsmanoevre’. Ze worden bijvoorbeeld boos op de boodschapper. Of ze gaan emmeren over een foutje of over de gevolgde methode. Het is jammer dat onze minister olie op dat vuur gooit.
Zéér belangrijk (ahum) nieuws op nu.nl vanmiddag: http://www.nu.nl/algemeen/2176385/hun-als-onderwerp-niet-meer-roeien.html
Vandaag verschijnt Fiets van februari, met daarin mijn column over lopen.
Lopen? In een fietsblad? Uh, ja!
In de papieren NRC van vanavond gaat het erover, en het AD besteedde er ook al aandacht aan; bron is een artikel in de Huffington Post met foto’s: spelfouten in tatoeages. Erg leuk!
Afgelopen donderdag heb ik voor het eerst in jaren weer eens wat gedaan vanwege de Gedichtendag. Poëzie is een tekstsoort waar ik weinig mee doe. Schrijfambities in die richting heb ik niet, maar zo’n dag is wel aanleiding om weer eens te denken: ‘ik zou wel meer poëzie willen lezen’.
’s Avonds bezocht ik in Vlaardingen een avond waarop kinderen hun eigen gedichten voordroegen. Eén daarvan kende ik: Marijn Dekker, zoon van een vriendin van mij. Ik had al eens wat van hem gelezen, vond dat erg goed, en ik vond daarom dat ik zijn optreden op deze avond wel mocht bezoeken als aanmoediging om met schrijven door te gaan.
Naast schrijven doet Marijn (groep 7) aan toneel, en was het daarom dat hij van zijn leeftijdsgenoten verreweg de beste voordracht had? De meeste andere kinderen ragden zonder op of om te kijken zo snel mogelijk door hun gedicht. Marijn nam veel meer rust en hij keek bij dat soort adempauzes op van zijn papier, de zaal in.
Het voordragen van poëzie en van teksten in het algemeen is best gewaagd. Immers, de meeste teksten zijn in de eerste plaats geschreven om gelezen te worden, niet gehoord. Het goed voorlezen van een geschreven tekst vraagt oefening, en het schrijven van voordrachts-teksten is iets anders dan van lees-teksten.
Bovendien hoeft een schrijver niet automatisch een goede ‘performer’ te zijn. Marijn kan het wel allebei, en dat is hartstikke knap. Ik ga hem in de gaten houden! En zelf weer eens wat vaker poëzie lezen.