Dat van dat geduld zeg ik vooral tegen mezelf. Want ik popel om op dit weblog een heleboel nieuwe piramideprincipe-inzichten te zetten. Ik ben namelijk vandaag begonnen met het nakijken van de eindopdrachten van de studenten van het onderzoekscollege: hun onderzoeksverslag (in de vorm van een advies aan mij) en reflectieverslag. Dat levert heel veel op, maar ik ga er pas dingen hier over zeggen als ik de studenten de resultaten heb laten weten. Hopelijk is dat in de loop van volgende week (het is al met al een fikse stapel nakijkwerk). Maar omdat het al lang stil was geweest rond dit onderwerp op dit weblog, nu dan toch even een update. De rest komt!
Komma- en spatiedelicten
Het is helemaal niet zo makkelijk om van het tekst- en schrijfwerk een leuk filmpje te maken, maar in dit geval is het gelukt: een trailer voor een nieuw boek over ‘schrijfdelicten’, met vooral een paar grappige voorbeelden.
(via @josjekuenen en @mmmarcel)
Schrijfangst
Tips tegen schrijfangst, vooral gericht op creatief schrijven, maar ook nuttig bij zakelijk schrijven:
- De oorspronkelijke, lange versie, in het Engels, met 10 tips.
- De Nederlandse bewerking ervan, ingekort tot 6 tips.
Of liever toch iets wat meer op zakelijk schrijven gericht is? Dan is er altijd nog het unieke boek Schrijven zonder vrees van Johannes de Geus en Theo IJzermans, dat ik van harte aan kan raden! Zo heel bang hoef je niet eens te zijn, het boek kan ook al helpen als je tegen schrijven opziet, het uitstelt, of voor je gevoel onderpresteert (schrijven kost te veel tijd, tekst wordt niet goed genoeg).
Columns voor taalliefhebbers
Ze worden gepubliceerd op een website voor Neerlandici, maar ze verdienen bredere aandacht: de columns van Marc van Oostendorp op Neder-L. Sommige zijn wel degelijk voor vakmensen; zo staat er vandaag een oproep aan docenten Nederlands. Maar er zijn er een heleboel bij die leuk zijn voor iedereen met interesse in taal.
Taal breed opgevat, want het gaat over de gekste dingen: gister had hij een tamelijk filosofische beschouwing naar aanleiding van het hoorspel over Voskuils Het Bureau; afgelopen zaterdag ging het over de relatie tussen Wordfeud en de economische crisis, en tussendoor over het subtiele verschil tussen het Duitse nur enerzijds en het Nederlandse slechts en alleen anderzijds.
Ook de relatie tussen taal en nieuwe media heeft zijn warme aandacht, en die bijdragen lees ik vaak met grote instemming. Er wordt over de nieuwe media veel onzin geroepen en moord-en-brand geschreeuwd, maar Van Oostendorp is daar niet op te betrappen. Vorige week kreeg dit onderwerp de vorm van reacties op twee stukken die elders verschenen waren, namelijk op Taalschrift en in Onze Taal, maar de columns zijn zo geschreven dat ze, zeker met de links erin, ook zelfstandig te lezen zijn.
Deze opsomming laat ook zien hoe productief Van Oostendorp is: bijna elke dag een nieuwe column, ook in het weekend. En dat terwijl columns schrijven niet het enige is wat hij doet. Alleen al die columns volgen is tijdrovend. Maar wel een aanrader.
Fietsvrouwcolumn #77
Net verschenen: mijn 77e Fietsvrouwcolumn, en dat is (voorlopig) de laatste uit de maandelijkse regelmaat van de afgelopen jaren. Er komt een tweede vrouwelijke columnist bij en we gaan de columns afwisselen. Besluit van de hoofdredactie waar ik op zich wel mee kan leven, omdat ik deze columns al heel lang schrijf, beetje afwisseling kan geen kwaad. Bovendien ben ik al een tijdje ook zwem- en hardloopvrouw (beginnend triathleet) en was het daarom wel eens zoeken naar de inspiratie. Geen probleem, dus, hooguit beetje jammer van m’n vaste stekkie. Ik ben benieuwd naar de nieuwe columniste. ColumnisteN zelfs, want ook bij de mannen gaat er wat veranderen. Genoeg reden wel om Fiets kritisch in de gaten te houden.
Ik wil geen sulforafaan en carbolzuur eten
Voedingsvoorlichting is hartstikke lastig. Want ondanks heel veel voorlichting worden we gemiddeld alleen maar dikker en eten we onvoldoende groente en te veel verzadigd vet – om maar iets te noemen. Ik zeg daar wel eens wat over als ik in een training wil laten zien hoe weinig je eigenlijk kunt bereiken met tekst. Of liever gezegd: een tekst leidt niet tot gedragsverandering. Want anders zou de overheid gewoon een supergoede tekst moeten schrijven over gezond eten, die naar alle Nederlanders sturen, en hop! Maar zo werkt het dus niet.
Toch doen voorlichters wel pogingen. Vorige maand kwam ik zo’n poging tegen in de vorm van een brochure van het Wereld Kanker Onderzoek Fonds: ‘Supergezond. Rijke voedingsbronnen voor kankerpreventie’. Ik had hem op papier; de PDF staat online.
Het begint wel aardig: met een quiz waarmee je je kennis over gezond eten kunt testen. Niet eens allemaal zo heel makkelijk, al heeft de laatste ‘Voeding en leefstijl hebben invloed op het risico op kanker. Juist/onjuist’ wel een hoog dûh-karakter gezien het thema van de brochure. Op de volgende pagina staan tien aanbevelingen, ook nog redelijk overzichtelijk, al verraadt het woordgebruik al wel een beetje wat er gaat volgen: ter in ‘Aanbevelingen ter preventie van kanker’, postuur en ‘beperk de consumptie van calorierijk voedsel’ vind ik al aan de moeilijke kant – het zijn niet de meest gewone woorden in elk geval.
Maar dan. Hier een opsomming van de woorden die ik op de volgende pagina’s aantrof:
fytochemicaliën
bio-actieve verbinding
vrij radicalen
bètacaroteen (en in combinatie: alfa- en bètacaroteen)
flavonoïden
selenium
lycopeen
kruisbloemig/kruisbloemfamilie
sulforafaan
quercetine
carotenoïden
ellaginezuur
glucosamine
carbolzuur
allyl sulfide
provitamine
… naast de wat gebruikelijkere termen als talloze vitaminen, omega 3 en 6 vetzuren, antioxidant, immuunsysteem en foliumzuur.
Wat dit woordgebruik mij zegt, is: deze brochure is alleen voor mensen die niet terugdeinzen voor voedingskundig jargon. Dat komt neer op: hoger opgeleiden met interesse in voeding. En die mensen eten toch al het gezondst. Dat is hét probleem van voedingsvoorlichting: je bereikt er alleen de mensen mee die het niet nodig hebben. Deze brochure preekt dus voor eigen parochie. Het is heel moeilijk om het anders te doen, maar dit is in elk geval niet de weg. En zelfs als je uitgaat van die eigen parochie vind ik zo veel jargon nog steeds extreem. Het klinkt simpelweg niet aantrekkelijk.
Hoe moet het dan wel? Het preken-voor-eigen-parochie-probleem kan ik ook niet even oplossen, daar komt meer bij kijken dan een goede tekst – die in elk geval simpeler, leuker, korter en concreter moet. Ik vind er één leuk dingetje in staan dat in de goede richting gaat. Het staat alleen pas op p. 11 en een beetje verstopt, dus een heleboel lezers zullen het niet vinden. Het is een kadertje dat ‘kleur uw bord’ heet en waar staat dat het goed is om verschillende kleuren plantaardig voedsel te eten, omdat je dan aan een goede mix aan voedingsstoffen komt. Dat is concreet, goed te onthouden, simpel en leuk. Een kleurrijk bord – zo wil ik wél eten.
Column-ideeën
Ik kondigde het al eerder aan: er is net een nieuw boek verschenen over het schrijven van columns: Check je column. Schrijftips voor rake columns en blogs van Anne Boerrigter en Eric Tiggeler, het eerste over dat onderwerp op de Nederlandse markt. Ik moet eigenlijk boekje schrijven want het is compact en klein: 94 pagina’s kleiner dan A5.
Het leest dan ook heel vlot, maar dat komt ook door de inhoud: er staan heel veel voorbeelden in, en dat leest lekker natuurlijk, al die (fragmenten van ) columns! Het is een aantrekkelijke tekstsoort immers, dus dat is dankbaar materiaal voor een schrijfadviesboek. Zelfs als je niet de ambitie hebt om zelf columns te schrijven maar wel van het genre houdt lijkt het me een leuk boek, vanwege de voorbeelden en omdat het met de analyses daarvan een kijkje in de keuken van columnisten geeft: wat werkt wel en wat niet?
Al die voorbeelden lijken me de belangrijkste meerwaarde van dit boek. Je kunt als columnist zo zien hoe het ook kan, en dat is inspirerend. Over columns is namelijk verder niet eens zo heel veel te zeggen, want het is een vrije en persoonlijke tekstsoort. Wat er wél over te zeggen is, staat in dit boekje: dat er iets van lijn en samenhang in moet zitten, een goed begin en einde, en aantrekkelijke stijlmiddelen.
Verder is het vooral een kwestie van doen en leer je columns schrijven niet uit een boekje, dus terecht dat dit geen lijvige pil is. Misschien hadden er opdrachten bij gekund, om de inspiratie voor het eigen schrijven meer handen en voeten te geven?
Enige minpunt van het boekje vind ik de titel: ‘check je column’ vind ik lelijk, dat quasi-populaire Engels en inhoudelijk wekt ‘checken’ bij mij de associatie dat het vooral gaat om punten en komma’s controleren. Daar gaat het nauwelijks om, de checklist achterin het boek is zelfs vrij summier. De ‘check je tekst’-serie van de Sdu zijn al meer boeken verschenen, en van een titel als Check je beleidstekst was ik om dezelfde redenen ook al niet zo gecharmeerd. Nouja.
En oja – de ondertitel ‘Schrijftips voor rake columns en blogs’ belooft dus ook blogs. Daarover gaan inderdaad twee paragrafen, maar dat is het dan ook. De voorbeelden zijn papieren columns, en uit het hele boek spreekt een duidelijke voorliefde voor dat genre boven webblogs. Blogs lijken er een beetje met de haren bijgesleept, wat ik om marketingredenen wel begrijp – maar die verdienen meer eigen aandacht.
Raoul Heertje over taal en communicatie
Tussen de feestdagen door las ik een aardig boekje: Mark Rutte is lesbisch van Raoul Heertje. Afgaand op auteur en titel denk je misschien: ‘Huh, wat doet dat op dit weblog?’ Ik had ook niet verwacht dat het daar relevant voor was, maar dat is het wel degelijk. Heertje analyseert de manier waarop de media ons in de luren leggen, maar eigenlijk laat hij daarmee ook zien hoe zeer onze communicatie aan elkaar hangt van taalspelletjes – en dat het in communicatie veel meer om bedoelingen (de strekking) gaat dan om de letterlijke betekenis.
Volgens Heertje recyclen we onze eigen teksten, die van elkaar én die van de media – alsof we als volleerde acteurs teksten in ons hoofd hebben die we opdreunen als dat moet. Zo vertellen we elkaar verhalen, die op een gegeven ogenblik werkelijkheid, feiten worden – omdat we ze zo vaak horen. Dat is misschien niet zo’n vrolijke boodschap, maar wel een reële, en Heertje brengt hem met veel humor. Eigenzinnige humor overigens; ik moest een hoofdstuk of twee wennen aan zijn stijl, maar daarna vond ik ook de vorm verfrissend en dus inspirerend.
Dus: als je een grappig, gek en leesbaar boek wilt lezen waarvan je ook nog wat opsteekt over hoe taal écht werkt, dan is Mark Rutte is lesbisch een aanrader. Over die gekke titel gaat het trouwens niet, maar ik kan wel raden hoe Heertje hem bedoelt.
Goed voornemen voor beleidsschrijvers
NRC Handelsblad had afgelopen weekend een opmerkelijk stuk op de voorpagina van het Opinie&Debat-katern. De kop luidde: ‘In 2012: naar een transparante focus op kwaliteitsborging’. Ik las het en dacht meteen: ojee, wie heeft dit bedacht? Zo veel glazig-kijken-woorden in een kop? Met zelfs twee van mijn uitgesproken jeuk-woorden erin: focus en borging. Focus zie ik vaak gebruikt als er juist van die focus geen sprake is (‘we moeten onze focus richten op vier dingen’); het tweede woord kom ik altijd tegen in contexten waarin die borging zo vanzelf zou moeten spreken dat het moeten noemen ervan een diskwalificatie is.
Het bleek expres te zijn: Opinieredacteur Bob Biersma heeft een stuk samengesteld uit de meest gebruikte woorden van bestuurlijke inzenders van brieven over beleid. En dat is echt héél erg. Er staat gewoon helemaal niks, behalve aan elkaar geregen beleidsjargon. Ik citeer:
Deze situatie staat haaks op het overeengekomen profieldocument, dat juist voorzag in beleidsprikkels die win-win-situaties moesten realiseren. Had de VBNU in april niet klip en klaar aangegeven dat de instellingen zelf hun ambities moesten terugkoppelen? Iedere instelling zou haar professionals verleiden tot een eigen kwaliteitsimpuls, waarna de prestatie-indicatoren gematcht zouden worden. De benchmark moest liggen op passie, transparantie en top-excellence. En heeft dit gewerkt? Ik dacht het niet. Met dit competitief beleidsplan komen wij nooit tot een uitdagende kwaliteitsfocus.
Het einde is grappig ook:
We kunnen niet weer met het ministerie om de tafel gaan zitten zonder integrale focus op het veranderproces.
Laat dat absoluut helder zijn.
Lees en huiver… Goed voornemen voor 2012: níet zo schrijven!
(Voor wie ‘m op papier niet heeft: via de digitale editie van NRC is het artikel ook nog te lezen, maar wel alleen voor abonnees. Een blog erover staat wel voor iedereen toegankelijk op de site.)
VIOT (3)
Nu de feestdagen erop zitten, blik ik nog één keer terug op de VIOT-conferentie. Voor de kerst schreef ik daar al over. Mijn bezoek leverde een stuk of drie tips op. Is dat niet wat weinig? Drie nee’s en één ja.
Nee 1: Mijn beeld is verre van volledig, niet eens representatief. Ik ben maar anderhalf van de ruim 2,5 dag geweest en de meeste lezingen vinden plaats in parallelsessies. Soms heb ik mijn keuze daaruit bepaald door mogelijk nut, dus praktische relevantie voor mijn werk. Maar niet altijd – ik ben ook wel naar vrienden en bekenden geweest, of naar iets wat me zomaar leuk leek. En ik heb dus sowieso meer niet gezien en gehoord dan wel. Wie weet wat ik gemist heb!
Nee 2: Er waren meer lezingen praktisch relevant, maar dan voor een andere praktijk dan de mijne. Ik heb bijvoorbeeld interessante dingen gehoord over AIDS-voorlichting in Afrika en schrijven op de middelbare school.
Nee 3: Fundamenteel onderzoek levert niet direct praktisch toepasbare adviezen op, maar is wel nodig. Ik heb bijvoorbeeld lezingen gehoord van Ronny Boogaart met respectievelijk Kim Verheij en Alex Reuneker over ‘ongehoorzame’ bijzinnen (die ‘los’ voorkomen, dus niet aan een hoofdzin vast) en over zinnen die beginnen met ‘Het is dat…’ (‘Het is dat ik je zo lief vind, maar anders had je de afwas mooi zelf mogen doen’). Met beide constructies kun je als taalgebruiker subtiel sturen. Mijn eigen onderzoek naar de lijdende vorm zat ook in die hoek (constructiegrammatica) en leidde wel tot praktische adviezen, maar dat hoeft dus niet eens, en zeker niet direct. Want we weten eigenlijk nog maar zo weinig over hoe taal nou écht werkt – en dat levert dit soort onderzoek dus op.
Ja. Maar dan de ja. Die sluit mooi aan bij het vorige punt: wat weten we nog weinig! Te veel taalbeheersingsonderzoek is onvoldoende praktisch relevant, niet zozeer omdat daar niet naar gestreefd wordt, maar omdat er een kloof gaapt tussen wat er in de praktijk gebeurt en de onderzoeksmethode. Er wordt al gauw geteld en gemeten en dan iets geconcludeerd, maar het is dan onduidelijk wat dat zegt en wat we daaraan hebben. Meer methodologisch geformuleerd: de generaliseerbaarheid is sowieso een probleem, en zeker die naar naar een ‘echte’ praktijksituatie. En dat komt dus doordat we nog zo weinig weten.
Mijn indruk van deze conferentie was ook dat er misschien wel wat te snel gestreefd wordt naar dat tellen, meten en concluderen, zonder in het voortraject voldoende zorgvuldig te werk te gaan. Maar als je bijvoorbeeld niet duidelijk afbakent wát je telt, dan zijn je conclusies ook niet duidelijk. Of als je hele onderzoek gebaseerd is op één geval (één spreker, één tekst), dan kan alles wat je vindt sowieso toeval zijn. Of als je design te ingewikkeld is, dan vind je altijd wel ergens iets wat statistisch significant is, maar wat zegt dat dan? Enzovoort. Veel taalbeheersingsonderzoek is methodologisch niet zo sterk, en dan weet ik dus niet wat ik ermee aan moet.
Grondig onderzoek is tijdrovend. Gelukkig zag ik daar ook wel voorbeelden van. Ik verwacht bijvoorbeeld op termijn wel wat nuttigs uit het schrijfprocesonderzoek van Mariëlle Leijten en Luuk van Waes. Zij doen namelijk onderzoek naar hoe schrijven tegenwoordig écht gaat. Dus niet mensen in een soort isolement zetten waarin ze zich op één door de onderzoek bedachte taak concentreren, maar nee, kijken naar hoe schrijven gaat in een wereld waarin een schrijver tijdens het schrijven talloze keren wegklikt naar bronnen voor het schrijven (‘even googlen’) of naar andere digitale dingen (‘even twitter kijken, even m’n e-mail checken’). Ze maken daar mooie plaatjes van. Het schrijven van één hele tweet ziet er daarin zo uit (stukje van hun handout):
Elk bolletje representeert de tijd doorgebracht op een bepaalde plek. De grootste bol is Twitter zelf, de kleinere zijn de ‘uitstapjes’ naar opgezochte informatie, zowel inhoudelijk als over Twitter-conventies. De onderzoekers combineren deze gegevens met bijvoorbeeld toetsaanslagen, zodat je precies kunt zien hoe bijvoorbeeld een uitstapje naar een informatieve website leidt tot een correctie in de formulering van de tweet.
Als dit al een eenvoudige tweet is, hoe ingewikkeld ziet een schrijfproces van een langere tekst er dan wel niet uit! Leijten en Van Waes lieten kort een plaatje zien van een offerte-schrijfproces… wauw! Wat een complexe chaos! Maar ook: herkenning! Ja, zo gaat schrijven tegenwoordig, maar dat vind je niet in de theorie erover. Tussen de bekende theorie en de praktijk gaapt dus een kloof, en die kun je met dit soort onderzoek dichten. Alleen is dat een behoorlijke onderzoeks-inspanning die een nauwgezette analyse van heel veel data vergt.
Toch leverde deze lezing wel ook meteen wat op: geruststelling voor schrijvers die het idee hebben dat schrijven iets heel gecontroleerds en beheersbaars is, wat lineair verloopt. Dus, en dat is dan mijn laatste VIOT-tip: rommelige schrijvers, wanhoop niet; schrijven is grillig, en dat is normaal!

