Gauw lezen: http://www.dialogos.nl/ik-ben-jouw-lezer/ !
Categorie archieven: schrijftips
Vroeger was ook niet elk boek netjes verzorgd
Ik ben nog steeds op de achtergrond bezig met de bundel opstellen van jongeren over de schrijfvaardigheid van de jeugd van tegenwoordig, binnenkort volgt er meer nieuws over. Het verschil in schrijfvaardigheid vroeger en nu heeft nog altijd mijn interesse, en het was daarom dat ik opkeek toen ik de afgelopen weken het boek De sneeuwluipaard las.
Een mooi, bijzonder boek, maar het wemelt van de taalfouten. Ik heb ze niet echt geteld, maar ik denk dat er minstens 10 d/t-fouten in staan, van die suffe als geuitte meningen (p. 277) en de schoenen zijn ontdooit (p. 167). Daarnaast een aantal congruentiefouten (persoonsvorm enkelvoud, onderwerp meervoud of omgekeerd) en anderzins ontsporende zinnen. En wat me ook opvalt, is dat er soms tussen de ene en de andere alinea een enorm verschil in benadering zit, van diepe reflectie tot wandelverslag – daar horen witregels tussen, want het is echt heel raar lezen soms. Witregels zitten er af en toe wel tussen, maar dat lijkt niet consequent gedaan.
En dit boek, de vertaling, is dus uit 1980. Toen was toch alles beter? Nou, niet dus. Eén zo’n boek zegt natuurlijk niet zo veel over schrijfvaardigheid, en zeker niet van Engelstalige auteur Peter Matthiessen. Het zegt wel iets over de zorg en aandacht die de uitgever aan deze vertaling heeft gegeven. Kennelijk waren ook toen dit soort puntjes op de i niet zo heel belangrijk. En dat voor een dijk van een boek. Dat was het al, nog voor het vertaald werd, want het won de American Book Award. Dat zie ik er niet helemaal aan af, maar dat heeft misschien te maken met de knulligheid van de vertaling. Want die indruk maakt het dus wel – dat is de makke van onverzorgd taalgebruik.
Blogtips
Aardige tips voor het schrijven van een blog: http://www.schrijvenonline.org/nieuws/maak-van-je-blog-een-succes Houd ik me eraan? Beelden (punt 2) vind ik het lastigste punt: ik doe mijn best, maar ik heb niet het meest beeldende onderwerp natuurlijk.
Start piramide-onderzoeksresultaten: wat er níet uitkomt
Zoals beloofd ga ik de komende tijd een in een aantal blogposts de resultaten presenteren van het piramideprincipe-onderzoek dat mijn Groningse studenten in de laatste maanden van 2011 hebben uitgevoerd. Ik wil starten met één ding dat niet uit het onderzoek komt, simpelweg omdat ik geen methode zou weten om het te onderzoeken, en dat is de échte meerwaarde van het piramideprincipe.
Die echte meerwaarde is volgens mij gelegen in iets wat één van de studenten, Andrea, in haar reflectieverslag als volgt verwoordde:
Wanneer ik tijdens de colleges adviesrapporten te zien en te lezen kreeg, viel me op dat schrijvers van zulke rapporten zich nog te vaak focussen op hun eigen kennis over het onderwerp. De kunst van het schrijven ligt naar mijn mening juist in het aansluiten bij de lezer in plaats van je eigen kennis zoveel mogelijk te verwerken in een tekst. Door gebruik te maken van het piramideprincipe worden schrijvers gedwongen na te denken over een hoofdboodschap, waardoor ze verplicht worden alleen die informatie op te nemen die aansluit op hun doel en de informatiebehoefte van de lezer. (…) Wanneer iemand namelijk de tekst goed piramidaal gestructureerd heeft wordt de tekst veel lezersgerichter, maar ook helderder.
Het piramideprincipe dwingt tot lezergerichtheid, en is daarmee uniek. Alleen zit dat lezergericht maken vooral in het denkwerk voor en tijdens het schrijven, niet zozeer in de tekst. Als tekstonderzoekers kunnen we er daarom niet zo veel mee: je kunt niet twee verschillende soorten denkprocessen aan proefpersonen voorleggen, en als je een tekstversie waar weinig over is nagedacht vergelijkt met eentje waar het hele piramideprincipe op is losgelaten, vergelijk je appels met peren. Die teksten verschillen meer van elkaar dan alleen wel of niet piramidaal, en je meet dan ook simpelweg hoeveelheid tijd en aandacht, niet per se het piramideprincipe. Die variabelen zijn niet uit elkaar te trekken dan, daar heb je dan als onderzoeker te weinig controle over en dus zijn eventuele resultaten niet te interpreteren. Wie weet komt dat ooit nog eens.
Uit de resultaten die ik de komende tijd ga presenteren, blijken net als vorig jaar nadelen aan het piramideprincipe (niet iedereen doorziet de structuur) en in één geval geven de resultaten aanleiding om het nut van tekstkwaliteitszorg überhaupt sterk in twijfel te trekken – daar begin ik binnenkort mee. Desalniettemin geloof ik nog steeds dat zorg voor goede teksten in het algemeen en het piramideprincipe in het bijzonder de moeite waard is – vanwege dat lezergerichte denkwerk dus. Houd dat de komende tijd voor ogen!
De kleine dingen
Een tijdje geleden had ik het op dit weblog over een pullboy. Gister kwam ik weer wat tekst daarover tegen, en daar werd datzelfde ding een pullbuoy genoemd – veel logischer, want het is meer een boei dan een jongen. Inmiddels heb ik wat rondgezocht, en je komt beide spellingen op internet tegen, maar die mét u vaker: twee keer zo vaak ongeveer. Mijn Engelse Van Dale heeft het woord niet, het is te zeer jargon kennelijk, dus ik verkeer nog steeds in twijfel. Maar voorlopig maar met u dan.
En net toen ik dus over een u’tje bezig was, zag ik een nieuwsbericht verschijnen dat ook over schrijfdetails gaat: Schrijffouten op monument Harmelen. Pijnlijk. Veel pijnlijker dan pullb(u)oy. Het blijft lastig, de puntjes (bijna letterlijk) op de i zetten.
Richting aangeven
Als ik de laatste tijd in de auto zit, valt me op dat een heleboel automobilisten geen richting aangeven, bijvoorbeeld als ze van baan wisselen op de snelweg. En elke keer denk ik dan: het is net schrijven. Zowel bij autorijden als bij schrijven doe je een heleboel dingen niet voor jezelf. Zelf weet je dat je een baantje om gaat; zelf weet je wat je wilt zeggen. Maar de andere weggebruikers, de lezers, weten dat niet.
Een boel dingen die verwoord zijn in regels, doe je omwille van die ander: richting aangeven, maar bijvoorbeeld ook goed spellen, punten en komma’s zetten, hoofdletters gebruiken, alinea’s markeren. En juist ook die dingen gebeuren steeds minder, althans, in de slecht verzorgde schrijfsels op internet. Ik zocht net heel even in de reacties op telegraaf.nl (leek me kansrijk) en vond toen dit als eerste voorbeeld, maar het wemelt ervan natuurlijk:
word echt tijd dat de studie’s afgestemt worden op de werkvraag want er zijn omscholings cursussen maar dat is niet genoeg want je het er niets aan als een kantoorbaan hebt gehad en je gaat voor metselaar of timmerman leren want daar is geen vraag naar
Dit is niet meteen onleesbaar, maar het kost wel meer moeite om te lezen dan een tekst waarbij de schrijver zich meer aan de conventies heeft gehouden. Net zoals geen richting aangeven niet meteen gevaarlijk is – maar ik kijk wel vaak even op als er een auto ‘zomaar’ van koers verandert.
Zaniken over regels is vervelend en misschien ook wel ouderwets. Maar ik blijf roepen dat het belangrijk is om te leren dat je schrijft voor een ander, dat schrijven dienstverlening is aan een lezer. Over autorijden doe ik verder hier maar geen uitspraken.
Komma- en spatiedelicten
Het is helemaal niet zo makkelijk om van het tekst- en schrijfwerk een leuk filmpje te maken, maar in dit geval is het gelukt: een trailer voor een nieuw boek over ‘schrijfdelicten’, met vooral een paar grappige voorbeelden.
(via @josjekuenen en @mmmarcel)
Schrijfangst
Tips tegen schrijfangst, vooral gericht op creatief schrijven, maar ook nuttig bij zakelijk schrijven:
- De oorspronkelijke, lange versie, in het Engels, met 10 tips.
- De Nederlandse bewerking ervan, ingekort tot 6 tips.
Of liever toch iets wat meer op zakelijk schrijven gericht is? Dan is er altijd nog het unieke boek Schrijven zonder vrees van Johannes de Geus en Theo IJzermans, dat ik van harte aan kan raden! Zo heel bang hoef je niet eens te zijn, het boek kan ook al helpen als je tegen schrijven opziet, het uitstelt, of voor je gevoel onderpresteert (schrijven kost te veel tijd, tekst wordt niet goed genoeg).
Ik wil geen sulforafaan en carbolzuur eten
Voedingsvoorlichting is hartstikke lastig. Want ondanks heel veel voorlichting worden we gemiddeld alleen maar dikker en eten we onvoldoende groente en te veel verzadigd vet – om maar iets te noemen. Ik zeg daar wel eens wat over als ik in een training wil laten zien hoe weinig je eigenlijk kunt bereiken met tekst. Of liever gezegd: een tekst leidt niet tot gedragsverandering. Want anders zou de overheid gewoon een supergoede tekst moeten schrijven over gezond eten, die naar alle Nederlanders sturen, en hop! Maar zo werkt het dus niet.
Toch doen voorlichters wel pogingen. Vorige maand kwam ik zo’n poging tegen in de vorm van een brochure van het Wereld Kanker Onderzoek Fonds: ‘Supergezond. Rijke voedingsbronnen voor kankerpreventie’. Ik had hem op papier; de PDF staat online.
Het begint wel aardig: met een quiz waarmee je je kennis over gezond eten kunt testen. Niet eens allemaal zo heel makkelijk, al heeft de laatste ‘Voeding en leefstijl hebben invloed op het risico op kanker. Juist/onjuist’ wel een hoog dûh-karakter gezien het thema van de brochure. Op de volgende pagina staan tien aanbevelingen, ook nog redelijk overzichtelijk, al verraadt het woordgebruik al wel een beetje wat er gaat volgen: ter in ‘Aanbevelingen ter preventie van kanker’, postuur en ‘beperk de consumptie van calorierijk voedsel’ vind ik al aan de moeilijke kant – het zijn niet de meest gewone woorden in elk geval.
Maar dan. Hier een opsomming van de woorden die ik op de volgende pagina’s aantrof:
fytochemicaliën
bio-actieve verbinding
vrij radicalen
bètacaroteen (en in combinatie: alfa- en bètacaroteen)
flavonoïden
selenium
lycopeen
kruisbloemig/kruisbloemfamilie
sulforafaan
quercetine
carotenoïden
ellaginezuur
glucosamine
carbolzuur
allyl sulfide
provitamine
… naast de wat gebruikelijkere termen als talloze vitaminen, omega 3 en 6 vetzuren, antioxidant, immuunsysteem en foliumzuur.
Wat dit woordgebruik mij zegt, is: deze brochure is alleen voor mensen die niet terugdeinzen voor voedingskundig jargon. Dat komt neer op: hoger opgeleiden met interesse in voeding. En die mensen eten toch al het gezondst. Dat is hét probleem van voedingsvoorlichting: je bereikt er alleen de mensen mee die het niet nodig hebben. Deze brochure preekt dus voor eigen parochie. Het is heel moeilijk om het anders te doen, maar dit is in elk geval niet de weg. En zelfs als je uitgaat van die eigen parochie vind ik zo veel jargon nog steeds extreem. Het klinkt simpelweg niet aantrekkelijk.
Hoe moet het dan wel? Het preken-voor-eigen-parochie-probleem kan ik ook niet even oplossen, daar komt meer bij kijken dan een goede tekst – die in elk geval simpeler, leuker, korter en concreter moet. Ik vind er één leuk dingetje in staan dat in de goede richting gaat. Het staat alleen pas op p. 11 en een beetje verstopt, dus een heleboel lezers zullen het niet vinden. Het is een kadertje dat ‘kleur uw bord’ heet en waar staat dat het goed is om verschillende kleuren plantaardig voedsel te eten, omdat je dan aan een goede mix aan voedingsstoffen komt. Dat is concreet, goed te onthouden, simpel en leuk. Een kleurrijk bord – zo wil ik wél eten.
Goed voornemen voor beleidsschrijvers
NRC Handelsblad had afgelopen weekend een opmerkelijk stuk op de voorpagina van het Opinie&Debat-katern. De kop luidde: ‘In 2012: naar een transparante focus op kwaliteitsborging’. Ik las het en dacht meteen: ojee, wie heeft dit bedacht? Zo veel glazig-kijken-woorden in een kop? Met zelfs twee van mijn uitgesproken jeuk-woorden erin: focus en borging. Focus zie ik vaak gebruikt als er juist van die focus geen sprake is (‘we moeten onze focus richten op vier dingen’); het tweede woord kom ik altijd tegen in contexten waarin die borging zo vanzelf zou moeten spreken dat het moeten noemen ervan een diskwalificatie is.
Het bleek expres te zijn: Opinieredacteur Bob Biersma heeft een stuk samengesteld uit de meest gebruikte woorden van bestuurlijke inzenders van brieven over beleid. En dat is echt héél erg. Er staat gewoon helemaal niks, behalve aan elkaar geregen beleidsjargon. Ik citeer:
Deze situatie staat haaks op het overeengekomen profieldocument, dat juist voorzag in beleidsprikkels die win-win-situaties moesten realiseren. Had de VBNU in april niet klip en klaar aangegeven dat de instellingen zelf hun ambities moesten terugkoppelen? Iedere instelling zou haar professionals verleiden tot een eigen kwaliteitsimpuls, waarna de prestatie-indicatoren gematcht zouden worden. De benchmark moest liggen op passie, transparantie en top-excellence. En heeft dit gewerkt? Ik dacht het niet. Met dit competitief beleidsplan komen wij nooit tot een uitdagende kwaliteitsfocus.
Het einde is grappig ook:
We kunnen niet weer met het ministerie om de tafel gaan zitten zonder integrale focus op het veranderproces.
Laat dat absoluut helder zijn.
Lees en huiver… Goed voornemen voor 2012: níet zo schrijven!
(Voor wie ‘m op papier niet heeft: via de digitale editie van NRC is het artikel ook nog te lezen, maar wel alleen voor abonnees. Een blog erover staat wel voor iedereen toegankelijk op de site.)
