Ik wandelde laatst in de duinen bij Zoutelande en toen kwam ik dit wat verbleekte bordje tegen:
Tsja, dat zei me toch even helemaal niets. Vliegplaats? Dat is iets anders dan een vliegveld, en vliegvelden heb je niet in de duinen en/of bij Zoutelande. Ik had dus ook geen idee waar ik op moest letten. Toch niet iets met die insecten?
Toen ik iets verder liep en een afgetrapt stukje duin zag, bovenop een heel steil en hoog stuk, viel het kwartje wel: oja, voor van die paragliders enzo. Heb ik vroeger wel eens gezien, dat ze dat daar deden.
Maar dan weet ik nog steeds niet waar ik precies op moet letten. Die lui springen eraf, niet op het wandelpad, toch? Of moet ik oppassen daar zelf niet naar beneden te kukelen? Vaag woord toch, opletten.
Het is ook niet zo heel gek dat ik het woord niet ken, zie ik als ik google. De eerste pagina staat vooral vol met resultaten van… Zoutelande. Er zijn bovendien, zo lees ik, maar drie vliegplaatsen in Nederland.
Vliegplaats is ongetwijfeld een heel gewoon woord in Zoutelande en omgeving. Maar niet voor de vele bezoekers en toeristen.
Ik heb hier al eens eerder iets geschreven over de hekel die sommige mensen hebben aan zullen, en voor kunnen geldt hetzelfde. Inderdaad gaan sommige slechte teksten gebukt onder een overdaad van dat soort ‘disclaimers’ – niet ‘we gaan iets doen’, maar ‘we zouden iets kunnen gaan doen’. Maar je kunt ze niet zomaar allemaal schrappen – het zijn nuttige hulpwerkwoorden. Geen noodzaak om er al te allergisch voor te zijn dus.
Dit punt speelt mogelijk ook in het Duits. Althans, dat concludeer ik uit de reclame van een bouwbedrijf die ik gister zag op een metrostation – ik was voor een bliksembezoek in Berlijn, heb daar gistermiddag een training gegeven. Mijn foto ervan is helaas niet scherp – ik had haast want mijn metro kwam eraan – maar wel leesbaar:
In de adviesrapporten die ik redigeer, ben ik vaak bezig met het vervangen van namen door verwijswoorden. Het gaat om dit soort zinnen:
Het gebruik van de ABC-database groeit gestaag. De ABC-database kan zo een bijdragen leveren aan optimale bedrijfsvoering.
Dat is gek: het is net alsof het bij de tweede keer ABC-database over iets nieuws gaat. Vergelijk dat je een verhaaltje over Jan zo zou vertellen:
Jan staat op. Jan gaat onder de douche en daarna maakt Jan zijn ontbijt klaar. Daarna gaat Jan naar zijn werk.
dat is heel raar, toch – als we ‘Jan’ eenmaal kennen, kun je volstaan met naar hem te verwijzen met hij. Precies daarvoor dient verwijzen: je geeft een signaal aan de lezer dat je verder gaat over iets bekends. Doe je dat niet, dan lijkt het dus alsof je over iets nieuws begint. Dat is verwarrend als het niet zo is.
Die zin hierboven kan bijvoorbeeld zo:
Het gebruik van de ABC-database groeit gestaag. De database kan zo een bijdragen leveren aan optimale bedrijfsvoering.
Het gebruik van de ABC-database groeit gestaag. Deze kan zo een bijdragen leveren aan optimale bedrijfsvoering.
Het lijkt duidelijk, het beestje bij de naam noemen. Maar je kunt dus ook té duidelijk zijn. Verwijswoorden zijn mooie dingen.
Best moeilijk, hoor, rekenen. Op twee plekken ging iets mis, zo zag ik afgelopen week.
1. Achterop de nieuwste Sportgericht (73, nr. 4) staat reclame voor een nieuw boek. In een opvallende rode cirkel staat erbij ‘Profiteer van bijna 20 % korting bij voorintekening’. Eronder staat:
Bestel en betaal voor 1 oktober 2019 slechts € 39,50 i.p.v. € 49,50
Een tientje korting op € 39,50 is niet bijna 20 % korting, maar ruim 20 %. Of meer dan 20% Dat klinkt zelfs nog wervender!
2. Ik heb lekkere chocola van het merk Vivani, Edit Bitter Ingwer Curcuma heet-ie. Volgens de ingrediëntenlijst zit erin: 89% cacao, 9 % suiker, 4 % gember en 2 % kurkuma. Dat is 104 %! Veel waar voor m’n geld?
Ik krijg vaak de vraag hoe je bepaalt hoe veel informatie je in een tekst moet opnemen, vooral waar het gaat om extra details.
Eerste antwoord daarop is een beetje een dooddoener: dat hangt af van de lezer. Als die extra informatie voor je lezer niet nodig is, houd je je tekst in principe liever kort.
Tweede antwoord is: geef – in geval van twijfel – liever te veel dan te weinig informatie, want als je goed structureert, kunnen je lezers zelf bepalen wat ze overslaan. Ik geef daarbij altijd de zaterdagkrant als voorbeeld: fijn dat die dik is, en als ik weinig tijd heb, bepaal ik zelf wel wat ik lees en niet lees.
Onlangs ervoer ik zelf als lezer hoe vervelend het kan zijn als een schrijver zelf al heeft besloten iets weg te laten. Ik las Het Sportbrein. Mythes uit de sportpsychologie ontrafeld. Daarin komen de Wave Work Roles aan de orde. Dat zijn er acht, zoals ook in een figuur te zien is. Maar onder dat figuur (p. 44) staat:
Om de leesbaarheid niet in het gedrang te brengen, beperken we ons hier tot de beschrijving van drie van de acht rollen.
De selectie van die drie wordt niet verder toegelicht, en ik was wel nieuwsgierig naar de andere vijf ook. Dus ik voel me hier een beetje beetgenomen.
Temeer omdat de beschrijving van die drie rollen heel overzichtelijk is: per rol één pagina, de naam van de rol in de titel, dan een beetje tekst met kenmerken in een opsomming, eronder een plaatje dat de rol visualiseert.
Als acht rollen me te veel zouden zijn, zou ik daar moeiteloos doorheen bladeren. Dan zou het me niet hinderen dus, terwijl het níet opnemen me nu wel hindert.
Zorg dus dat een lezer die extra informatie niet wil lezen, het zó over kan slaan, en een lezer die het wel wil lezen, het zó kan vinden. Dat doe je onder andere met inhoudelijke koppen en duidelijk afgebakende teksteenheden.
Net zoals in de krant. Daar kun je de kunst van informatie doseren prima van afkijken.
Ik zeg het vaker: mijn uitgangspunt is dat teksten de lezer moeten helpen. Lezer, of theedrinker. Theedrinker? Ja, ik zag donderdag in een Schiedams café een tekst die voor theedrinkers eerder een zoekplaatje was:
De tekst met de beschrijving van de theesoorten in de deksel van de theedoos is een matrix van drie kolommen bij vier rijen. De indeling van de doos met de thee zelf is echter precies omgekeerd: vier kolommen bij drie rijen.
Het bleek zo te zitten, stel dat de doos gewoon doornummert, dus op de bovenste rij staan 1-2-3, daarna 4-5-6, rij drie is 7-8-9 en de onderste rij 10-11-12. Dan bleek de thee zo in de doos te zitten:
1-2-3-10
4-5-6-11
7-8-9-12
Wel met enige systematiek dus: de onderste rij is de vierde kolom geworden. Toch was het puzzelen om op basis van de deksel de juiste thee te vinden
De oplossing is simpel: in de deksel is voldoende ruimte voor een tabel met vier kolommen. Desnoods verklein je het lettertype een heel klein beetje. Op die manier wordt de tekst een plattegrond van de theedoos. Wel zo handig.
(Met dank aan Jolanta die dit als eerste waarnam donderdag).
Nog zo’n zomerwaarneming. Geen bordje dit keer, maar iets op tv. Ik keek gister op Ziggo naar de voetbalwedstrijd van Ajax tegen PAOK Saloniki. Ik kijk anders nooit Ziggo, dus het kan zijn dat ik iets niet bepaald nieuws waarnam, maar ik vond het wel opvallend suf.
In de eerste helft viel me op dat er een blokje met ‘1H’ erin naast de klok stond. Ik had geen idee wat dat betekende, totdat het in de tweede helft ‘2H’ geworden was:
Eerste helft en tweede helft.
Maar, uh… de eerste 45 minuten (met wat extra tijd, die apart staat aangegeven) van welke voetbalwedstrijd dan ook zijn altijd de eerste helft. En boven de 45 minuten is het altijd de tweede helft.
Volstrekt overbodig blokje dus. Het voegt geen zinvolle inhoud toe aan wat je ook al op de klok kunt zien. En dan is het een niet-functioneel blokje. Weg ermee!
Ik pikte vorige week zaterdag een ideetje op uit de column over de groeiende macht van Amazon van Marc Hijink in de Economie-bijlage van de NRC (20 juli, p. E2). Amazon organiseerde een mediadag in Amsterdam om de strategie toe te lichten. Hijinks was daar, hij schrijft:
We hoorden over de ‘obsessieve’ aandacht voor de consument, die nú wil bestellen en gisteren geleverd wil hebben. Amazon vindt De Klant zo belangrijk dat ze bij vergaderingen een lege stoel aanschuiven. Opdat men de klant niet vergete.
Hijink is kritisch op Amazon, dat een ‘geoliede behoeftebevredigingsmachine’ bouwt en er in Nederland hard aan trekt om ons meer pakjes te laten bestellen, die allemaal in plastic verpakt met dieselbusjes bezorgd moeten worden. Dat vind ik een terecht punt.
Desalniettemin vind ik die lege stoel wel een goed idee. Ik weet niet hoe het zit met klanten in zo’n bedrijf als Amazon, maar ik weet wel dat experts makkelijk hun lezer vergeten.
Dus daar ga ik mee experimenteren, in een schrijftraining of overleg over een tekst: een lege stoel, die de lezer representeert.
Je hoeft als schrijver helemaal niet ‘obsessief’ te zijn in je aandacht voor de lezer. Als je maar wél voor ogen houdt voor wie je bezig bent!
Vorige week kregen we een ‘Nieuwsbrief’ in de bus van de gemeente over werkzaamheden verderop in onze straat. Ik vind het – weer – verbijsterend hoe veel er is één zo’n tekst mis kan gaan.
Het is een nieuwsbrief over ‘Start uitvoering: omleiding Delftweg’. Dat staat er twee keer boven, in twee verschillende soorten lay-out. Dat is dus niet te missen. Ik weet niet precies wat er ‘nieuwsbrief’ aan is, want daaronder versta ik een aflevering uit een serie, en daarvan ben ik me niet bewust. Ik zou ook niet weten wat voor nieuwsbrief dat dan is.
De tekst zelf begint ermee dat er staat dat de gemeente ons tijdens een ‘eerdere brief en een inloopavond op 27 mei’ geïnformeerd zou hebben over de werkzaamheden. Oja? Wij wisten van niks – daarover hebben we echt niets vernomen. Misschien hebben we eerdere edities van die ‘nieuwsbrief’ niet gehad?
Verderop staat er een omleidingsroute voor zowel auto’s als fietsen. Die staat er alleen uitgeschreven, net zoals op de site, en zodoende kwam voor ons Google Maps eraan te pas om te achterhalen wat ze bedoelden. We wonen er vlak in de buurt, maar toch wisten we bijvoorbeeld niet dat dat ene kleine fietstunneltje ‘Zwethtunnel’ heet en ook niet dat de weg naast de snelweg eerst ‘Schieveensedijk’ heet en verderop ‘Rijksstraatweg’. Zo heet het inderdaad allemaal officieel wel, maar ik heb die namen nooit gebruikt of horen gebruiken – het gaat om ‘het tunneltje aan het eind van het schelpenzandpad’ en ‘de ventweg langs de snelweg’.
Een getekend kaartje had voor mij in één klap duidelijk gemaakt wat de omleidingsroute was. Die is namelijk vrij simpel en logisch, maar door de stortvloed van zeven straatnamen die deels onbekend zijn, klinkt het veel ingewikkelder dan dat het is. A picture paints a thousand words…
Het is ook nog eens zo dat zo’n omleidingsroute ervan uitgaat dat je per se weer op de Delftweg uit wil komen. Maar dat is helemaal niet zo logisch. Als je bij ons vandaan naar Delft-Zuid wil, kun je beter over een brug eerder naar de andere kant van de Schie en dan omzeil je de hele werkzaamheden, en als je naar het centrum van Delft wilt, kun je beter doorfietsen langs de snelweg. Maar dat terzijde.
Want er is meer. De beschreven omleiding klopt niet met het bord dat ongeveer een week geleden voor ons huis verscheen:
Volgens de nieuwsbrief kun je doorrijden tot aan de Tempelweg; ongeveer anderhalve kilometer verderop. De Burgemeester Bosstraat is echter bijna om de hoek. De omleiding begint dus al veel eerder, of er zijn werkzaamheden op twéé plekken, met twéé omleidingen.
Zoiets. Die eerste omleiding, dus die van het bord, die is er af en toe: in het weekend en ’s avonds (voor zover we hebben waargenomen) doen ze iets aan het kruispunt met de Burgemeester Bosstraat. Het bord staat er echter de hele tijd. Dus soms is er inderdaad nog een extra omleiding. En soms ook niet. Lekker handig. De 1 na ‘volg 2’ is ook grappig eigenlijk.
Grappig of verwarrend. Ik ken het hier goed en ik weet Delft sowieso wel te vinden. Maar dit is ook een drukke recreatieroute. Ik ben benieuwd of ik de komende tijd nog verwarde toeristen de weg moet wijzen naar de Zwethtunnel, de 1 of de Schieveensedijk.
Er is weer een boel leuks, goed en interessants verschenen de laatste tijd. Om te beginnen twee blogposts over het geven van goede feedback op een tekst:
Dat kan in één minuut, als je de schrijver een paar goede vragen stelt, zo laat Wout Sorgdrager zien.
In dit regelmatig terugkerende links-overzicht ontbreekt Slidemagic eigenlijk nooit, het blog van Jan Schultink over zakelijke presentaties. Hier komen de vijf highlights van de laatste tijd:
Nog even dan een voorbeeld van hoe het niet moet: alle begrip dat de Gooise apothekers staakten. Maar met zo’n ellenlange brief op je deur bereik je niet zo veel. Heftige stijlbreuken ook: het hebben over doosje en doosjeswisselingen als het gaat over medicijnen, en ook rustig derhalve, inzake en preferentiebeleid gebruiken.
In mijn vakgebied is veel te doen over de afkalving van enerzijds de neerlandistiek en anderzijds de aangekondigde verschuiving van de academische budgetten naar de technische en natuurwetenschappen – iets waar ik me ook boos over kan maken, maar dat terzijde. Er is veel over verschenen; ik pik er twee dingen uit die me bijzonder opvielen:
Over het rapport over die verschuiving van budgetten maakte Marc van Oostendorp zich druk, en die blogpost snijdt voor mij aan twee kanten: het gaat niet alleen om de inhoud, maar ook om de vorm van zo’n rapport: de naamgeving, het logo, de vormgeving en het taalgebruik. Zeer herkenbaar – en triest.
Tot slot op iets meer afstand van de schrijfpraktijk:
Een mooie post waarin schrijvende hardlopers c.q. hardlopende schrijvers vertellen over de inspiratie over en weer tussen die twee activiteiten.
Bubbelonië is een behartigenswaardig initiatief om tegengeluid te geven tegen de ‘vereconomisering’ van onze taal.
(Met dank aan de blogs en tweets van collega’s en vakgenoten, en aan Lisa voor het apothekervoorbeeld.)