Van Robin, trouwe volger van dit blog, kreeg ik voor mijn collectie opvallende bordjes deze foto opgestuurd van een – inderdaad – heel grappig straatnaambordje:

Tsja, hoe interpreten we dat? Is het geen straat, maar wel een weg?

Van Robin, trouwe volger van dit blog, kreeg ik voor mijn collectie opvallende bordjes deze foto opgestuurd van een – inderdaad – heel grappig straatnaambordje:

Tsja, hoe interpreten we dat? Is het geen straat, maar wel een weg?
Dit keer een post niet zozeer over de inhoud van mijn werk, maar over mijn bedrijfsvoering. Tussen eind februari en Pasen had ik het veel te druk met werk. Het was een samenloop van omstandigheden en ging enerzijds om veel uren en anderzijds om wat ‘gedoe’ dat niet alleen tijd kostte maar ook negatieve energie. Aan het eind zaten ook nog eens twee weken die ik echt zwaar vond, onder andere met drie hotelovernachtingen.
Ik heb het allemaal goed doorstaan, maar ik schrok ervan dat ik vervolgens meer dan een week moe was. Hoe is het zo ver kunnen komen? Ik ben toch eigen baas, ik trek toch m’n eigen grenzen? Nou, zo simpel is dat niet. Deze overwegingen duwden me over mijn grenzen:
Na een dikke week was ik hersteld, dus het was bepaald geen ramp. Omstandigheden lopen gelukkig ook niet zo heel vaak op deze manier samen. Maar er ligt voor mij bij punt 4 wel een kans: meer sturen, meer terugduwen, meer in elk geval proberen de loop der dingen naar mijn hand te zetten. En dan volmondig ‘ja’ zeggen (of ‘nee’ natuurlijk). Dat neem ik mee!
Ik woonde onlangs een presentatie bij van collega Willy over stijl. Het was voor IT’ers, en dus was een van de onderwerpen hun jargon. Eén van Willy’s voorbeelden was het woord iteratief. Zij zei: maak daar wat gewoners van.
‘Hoezo’, klonk het uit de zaal, ‘iedereen weet toch wat dat betekent? Voor ons is het een gewoon woord!’
En toch, zei Willy, is stapsgewijs beter, dichter bij verzorgde spreektaal.
‘Stapsgewijs?’, was een reactie uit de zaal, ‘huh, iteratief betekent toch cyclisch?’
Vervolgens ontstond er een hele discussie over de betekenis van iteratief, inclusief een online zoektocht naar de ‘echte’ betekenis ervan. Wat bleek? Beide betekenissen komen voor, zo bleek toen al, ikzelf vind nu ook nog herhalend. De groep was ongeveer 50-50 verdeeld tussen stapsgewijs en cyclisch. Hoe meer mensen thuis zijn in agile, des te meer denken ze aan cyclisch, was onze indruk.
Dus je gebruikt argeloos iteratief en je lezers vullen dat in als stapsgewijs, cyclisch óf herhalend. Gebruik dan toch maar het gewonere woord! De discussie illustreerde daarmee helemaal Willly’s punt.
Ik ben zelf ook niet altijd streng geweest op iteratief, maar vanaf nu weet ik wel beter!
Ik verzucht al jaren dat als je me dertig jaar geleden had gezegd dat we nu nog steeds zo aan het prutsen waren met Powerpoint, ik dat niet had kunnen geloven. Er zijn weliswaar wat handigheidjes bijgekomen en de vormgeving is vaak gelikter dan toen, maar nog steeds barst het van de ongestructureerde lijsten bullets en is er, om maar iets te noemen, nog steeds geen conventie uitgekristalliseerd om de hiërarchie zichtbaar te maken, analoog aan de hoofdstuk-, paragraaf- en alineaindeling van geschreven tekst. Er verbetert op dat punt maar weinig en iedereen zit het eigen wiel uit te vinden.
Onlangs ontglipte me een soortgelijke verzuchting. Iemand vroeg me of het piramideprincipe vooral bij de strategieconsultants gebruikt wordt, waar het vandaan komt? Toen realiseerde ik me: ja, dat is nog steeds de enige branche waarin het gemeengoed is. Dat was dertig jaar geleden ook zo. Er zijn plekken daarbuiten, maar daar zit vaak een voormalige consultant achter en echt wortelschieten doet het in andere branches niet. Nog steeds is het gemiddelde adviesrapport gestructureerd zoals in de wetenschap: methodologisch, met een losse paragraaf ‘aanbevelingen’ aan het eind.
Dertig jaar geleden verwachtte ik dat het piramideprincipe zich wel als een olievlek zou gaan verspreiden. Maar ook op dat punt verandert er maar weinig. Ik doe mijn best, en hulde aan mijn opdrachtgevers in andere branches voor het uitsteken van hun nek.
(Overigens weet ik dat van de dominantie van het piramideprincipe bij de strategieconsultants niet eens helemaal zeker. Ik heb tot 2020 nog gewerkt voor McKinsey, sindsdien niet meer, en zelfs daar was het vechten om het piramideprincipe recht overeind te houden. Verder heb ik er zelf geen zicht op, wel van horen zeggen. Overal gaat het min-of-meer met golfbewegingen, volgens mij.)
Er was de afgelopen week nogal wat te doen over een komma. In januari stond in de Telegraaf deze zin:
Zondag wordt er ook geschreeuwd op de Dam tijdens een ‘solidariteitsdemonstratie met Gaza’ georganiseerd door aan Hamas gelieerde organisaties, Milli Görus en de moskeekoepel FIO.
De Stichting Federatie Islamitische Organisaties stapte hierop naar de rechter vanwege smaad: hier stond dat Mili Görus aan Hamas gelieerd was. Of althans, dat zouden lezers erin kunnen lezen. Dat zou er namelijk staan als de eerste komma een dubbele punt zou zijn, en dat verschil is zo subtiel dat het misverstand makkelijk zou kunnen ontstaan.
De rechter ging daarin mee: lezers zien niet altijd het ‘het subtiele onderscheid tussen een komma en een dubbele punt’. De zin is dus ongelukkig geformuleerd en de Telegraaf moest een mededeling bij het stuk plaatsen.
Die uitspraak van de rechter riep nogal wat reacties op, ook onder mijn vakgenoten. Er staan er in het stuk in de NRC over de kwestie, en een interessante stond ook op neerlandistiek.nl.
Ik was in eerste instantie geneigd te denken: ‘wat een rare uitspraak, die zin klopt gewoon, en als je je als schrijver ook al moet bekommeren om wat sommige lezers onterecht in je zinnen zouden kunnen lezen, pfff, dan wordt het wel heel moeilijk allemaal.’ Maar door alle reacties werd ik wat genuanceerder: zo heel helder zijn regels voor interpunctie niet, en al helemaal niet voor de komma. Ongelukkig geformuleerd is dit daarom wel degelijk, waar gezien de neteligheid van het onderwerp zorgvuldig formuleren gepast is . Extra uitleg toevoegen is dan op z’n plek.
Alleen wel jammer eigenlijk dat de rechter daaraan te pas kwam. Dat zou toch niet moeten hoeven.
Ik had het op dit weblog al eens over Arnout Van den Bossche, de Vlaamse cabaretier die de draak steekt met Powerpoint. Nadat ik hem in 2018 had leren kennen, was ik al eens naar zijn voorstelling geweest, en afgelopen donderdag voor de tweede keer: naar zijn nieuwe show, ‘Coach’. In Terneuzen, in een zaal met minstens net zo veel Vlamingen als Nederlanders, en onze kennismaking met het Scheldetheater. Weer een boel herkenning en lol, dit keer over coaches en dating, met aan het eind ook nog een hilarische parodie op Facebook.
Het leverde een heus certificaat op:

Punt hiervan was dat je al coach kunt worden door een training van een paar dagen. Die levert een certificaat op, terwijl je voor een diploma enkele jaren moet studeren.
Ik zou zeggen: ga hem zien! Alleen zijn de shows al bijna allemaal uitverkocht. ‘Burn-out voor beginners’, de show met de Powerpoint-sketch, was afgelopen winter op de VRT. Het kan even geduld vragen, maar ‘Coach’ is daar vast ook ooit te zien.
Sinds kort staat er voor het station van Kapelle een bordje ‘hub’. Hub betekent zoiets als vervoerknooppunt, dus een plek waar je kunt overstappen. In twee van de drie richtingen kun je vanuit de Kapelse hub echter alleen verder te voet, te weten naar het centrum van Biezelinge (maar dat is niet de kortste route) en van Kapelle:

De derde richting wijst naar:
Wij hebben dus hartelijk gelachen om op zoiets het woord hub van toepassing te verklaren – dat is een knap staaltje van iets opblazen door er een Engelstalig woord op te plakken dat lekker bekt en heel wat suggereert. Veel geschreeuw, weinig wol. Iets wat ik natuurlijk ook wel ken van het managementjargon en aanverwanten. Mogelijk is het woord in die kringen bedacht. En wordt het nu losgelaten op argeloze Zeeuwse OV-gebruikers. (Voor alle duidelijkheid, ik schets even het beeld: iedereen met affiniteit met dat jargon hier rijdt auto. OV is voor onder de 18, sukkels en een enkele idealist. Dat is nog een stuk extremer dan in de Randstad).
Maar, zo begreep ik, het gaat nog verder. Op Schouwen-Duiveland zijn er ondertussen een heleboel hubs. In de bebouwde kom steeds zo’n 500 meter uit elkaar. Op de meeste daarvan kun je slechts één vorm van vervoer nemen: de flex. Dat is ook zoiets als de haltetaxi, alleen wat flexibeler: geen pasje nodig en je moet minstens een uur van tevoren reserveren. Het gaat op Schouwen om een test, daarna volgt de rest van de provincie. Ons hub-bordje is daar waarschijnlijk al op aan het vooruitlopen.
De introductie van de flex wordt gezien als een verbetering, omdat vooral de kleinere dorpen hiervoor helemaal niet met het OV bereikbaar waren. Maar het is natuurlijk toch ook behelpen ten opzichte van goed OV.
Dus een echte bus met een voorspelbare dienstregeling heeft een halte en als je ‘m moet reserveren heet het een flex en heeft-ie een hub. Ik neem aan dat gewoon halte te zeer suggereert dat te veel dat je er gewoon kan gaan staan wachten op een bus.
Maar hub blijf ik opgeblazen vinden.
Afgelopen vrijdag ben ik naar de NACV-meeting geweest, de jaarlijkse bijeenkomst van docenten academische communicatieve vaardigheden. Beetje vaste prik al sinds 2013, kan ik hier nagaan. Ik blog er dan ook steeds over, zie dit meest recente voorbeeld (ik had een jaartje overgeslagen omdat het vorig jaar kort na het VIOT-congres was).
Dit jaar vind ik dat wel moeilijk. Niet omdat het geen leuke dag was – dat was het zeer zeker wel. Maar er was bijna geen enkel raakvlak met mijn dagelijkse werk en ik kan er dus ook bijna niets uit destilleren wat interessant is voor schrijvende professionals.
Ik zag die bui eigenlijk al een beetje hangen toen ik het programma zag. Er waren geen lezingen of workshops over de relatie tussen hoger onderwijs en de beroepspraktijk. Dat soort dingen gaan wel eens met modevlagen en het was me twee jaar geleden al duidelijk dat dat thema niet zo hot is. Bovendien was het thema dit keer inclusiviteit. Een belangrijk thema, zeker als je je realiseert dat veel studenten stranden in het HBO vanwege de taal daar. Met academische communicatieve vaardigheden en met groter taalbewustzijn bij de vakdocenten is daar wat aan te doen. Dat heeft mijn warme belangstelling en ik vond de lezingen daarover dan ook interessant. Maar in mijn werk ben ik er eigenlijk nauwelijks meer mee bezig dan zelf mijn best doen op inclusief taalgebruik – waarbij ik overigens veel leer van jongeren, die zijn zo veel scherper op dat gebied.
Op basis van het programma twijfelde ik dus of ik zou gaan, maar twee dingen trokken me eigenlijk vrij gemakkelijk over de streep: dat ik het in algemene zin goed vind om te weten wat er zoal speelt in het vakgebied en dat ik er ongetwijfeld leuke mensen zou spreken: collega’s uit het vakgebied die ik sinds januari vorig jaar en soms nog langer niet had gezien.
Nou, dat kwam allebei prima uit en zo heb ik me goed vermaakt. Bovendien zat er nog een verrassing aan het eind: een lezing van Amin Asad, geen communicatie-docent, maar wel als docent rechten verkozen tot docent van het jaar op de Hogeschool Utrecht. Dat was een persoonlijk en gloedvol verhaal, zeer inspirerend.
Ik had een paar lezingen uitgekozen waar ik nog enige link met mijn dagelijkse werk verwachtte: een presentatie over de vraag wat academisch schrijven eigenlijk is, over ‘peer feedback’ en eentje over hoe vakdocenten genrebewust te maken. Die leverden wel wat op: academisch schrijven kun je bezien vanuit vier dimensies, alle met een P: product, proces, persoon en praktijk (een wat vage restcategorie met onder andere didactiek erin), voor goede peer feedback moeten studenten leren te beginnen met een vraag, en belangrijk aan het begrip genre is het besef dat dat te maken heeft met doelgerichtheid en de sociaal-communicatieve functie van tekst.
In de zijlijn hoorde ik nog wel wat aardige dingen, zoals de opmerking dat je bij revisieprocessen van studenten wel verandering ziet, maar dat dat niet per se een verbetering is (herkenbaar), dat mogelijk luistervaardigheid belangrijker wordt omdat studenten weliswaar steeds minder lezen, maar wel meer luisteren, naar podcasts bijvoorbeeld, en filmpjes kijken, en dat ‘self-grading’ best goed werkt, dus dat studenten hun eigen werk beoordelen en becijferen. Sommige dingen, zoals dat laatste, neem ik mee voor als ik weer eens college ga geven, en wie weet kan er ook wat mee in mijn praktijk – ik laat in trainingen met eigen werk op tafel eigenlijk nooit de schrijven feedback geven op de eigen tekst, waarom niet eigenlijk?
De lezing over het schrijven van studenten met ADHD vond ik interessant vanwege mijn ‘andere werk’: in de sport heb ik meer te maken met ‘neurodivergente’ mensen dan in mijn adviesrapportenwerk. Maar wat niet is kan nog komen natuurlijk.
Zo was het dus interessant, ik heb me prima vermaakt. Het was gezellig en goed verzorgd (heerlijke lunch!). En je ziet: zelfs als ik niet zo veel te melden heb, levert zo’n dag een blogpost op!
Ik kreeg in één week twee verwarrende facturen. In het eerste geval hoef ik alleen maar een geknipt stukje te laten zien en de verwarring is meteen duidelijk: moet ik dat nou zelf betalen of gebeurt dat automatisch? De tekst is ronduit strijdig:

In het tweede geval moet ik er even bij uitleggen dat er nergens anders iets stond over een betalingstermijn, dus niet wanneer ik zou moeten betalen of wanneer het bedrag automatisch afgeschreven zou worden, en was mijn verwarring dus hetzelfde als bij de eerste. Maar meer nog: ik dacht even dat er iets fout gegaan was met het innen. Hier is het knipje:

Over deze heb ik gemaild: het gebeurt automatisch. Want het is een incasso. Ja, okee, maar dan denk ik: waarom zou je iets toesturen met als status ‘Niet voldaan’ als het aan jezelf ligt dat je dat nog niet gedaan hebt? Daar heeft de lezer niets aan.
De eerste wacht ik even af, hopende dat de middelste zin klopt…
Maarre… hoe moeilijk is dat nou, een factuur gewoon glashelder en klantgericht maken? Ook dit genre verdient een beetje zorg!
Voor het artikel in Fiets Magazine over de Radweltpokal (zie de post van vorige week) interviewde ik een aantal mensen. Vooral andere deelnemers uit Nederland en Vlaanderen, maar ook Oostenrijker Alex, de organisator het evenement. Terwijl ik met hem in gesprek was, had ik al in de gaten dat ik minder goed interviewde dan anders: het lukte me niet om samen te vatten en door te vragen. Het leek ergens ook alsof ik niks dacht, alsof mijn hoofd leeg was.
Het kwam goed: ik knikte en humde af en toe wel, wat Alex aanzette om door te praten (denk ik). Het werd zo best een lange bijna-monoloog. Ik kon daar prima iets uit destilleren voor het artikel, maar normaal heb ik zelf meer inbreng. Ik voelde me er vooral een beetje lullig bijstaan.
Ik denk dat mijn beperkte rol een gevolg was van de taal. Ik moest alle zeilen bijzetten om hem te kunnen volgen. Het gesprek was in het Duits, Alex heeft een Tiroler accent. Ook al is mijn Duits best aardig, toch kost het volgen van zo’n vreemde taal zo veel cognitieve inspanning dat er geen ruimte meer overbleef om ook nog mee te denken, laat staan die gedachte te formuleren, ook weer in die vreemde taal.
Bij de Franse les die ik sinds een paar weken volg, heb ik ondertussen al een paar keer vergelijkbare ervaringen gehad. We discussiëren af en toe over maatschappelijke onderwerpen zoals klimaat en milieu en bewust consumeren (het boek is sterk ideologisch gekleurd, dat vind ik opmerkelijk). Soms merk ik dan ook dat mijn hoofd blanco is, terwijl ik wel besef dat ik heus wel een mening of feitenkennis heb. Er gaat zo veel moeite zitten in het luisteren, dat er geen ruimte overblijft voor het bedenken van een mening, en opnieuw: laat staan voor het formuleren ervan. Ik voel mijn hoofd soms bijna doorbranden tijdens zo’n discussie, en dan denk ik ook wel eens: ‘laat maar’. Mijn Frans is ook nog veel beperkter dan mijn Duits.
Het gaf wat frustratie, totdat ik me beter realiseerde dat ik daar zit voor m’n Frans en niet om mezelf of de anderen maatschappijkritisch aan te scherpen. Sindsdien kan ik het makkelijker loslaten. Dat is een wijze les (ik weet dat ik soms te vasthoudend kan zijn).
En wat ik interessant vind aan beide ervaringen, is het kunnen voelen van de grenzen van m’n cognitieve vermogens: dat lege hoofd, dat gevoel van doorbrandende hersenen, ‘laat maar’ denken. Zo veel ruimte vraagt taal dan!