Da’s best een stevige uitspraak, die ik gemiddeld niet voor m’n rekening zou durven nemen, al zie ook ik wel slechte columns, of vooral: dingen die ‘column’ heten maar het niet zijn (concreter: ik lees sinds kort Voetbal International en daarin valt me dat sterk op). Maar ik zie ook goede, en ik weet niet hoe ik die tegen de slechte af zou moeten wegen. Eric Tiggeler deed dat wel, zie dit persbericht. Dat kondigt ook een boekje aan, en dat zal ik natuurlijk gaan lezen – wordt vervolgd! De site bij het boekje bevat ook al nuttige informatie, zoals een column-checklist.
Categorie archieven: Leestips
Veel en weinig argumentatiecoach
Eerst dit: toen ik hoorde hoe veel het boekje De Argumentatiecoach kostte (namelijk: € 24,95) dacht ik: “so, da’s duur!” Daar oogt het niet naar: het oogt als een boekje: dun en een beetje slap. In combinatie met het schreeuwerige oranje op de voorpagina vind ik dat dus een goedkope ‘look and feel’, te goedkoop enerzijds voor de € 24,95, anderzijds ook voor de ondertitel: ‘je coach voor een overtuigende carrière’. Bij het woord carrière past iets statusrijkers, sjiekers, vind ik.
Maar goed, dat is allemaal uiterlijk en deels een kwestie van smaak. Wat krijg je inhoudelijk voor dat geld? Dat is enerzijds veel en anderzijds weinig.
Veel is het omdat het boek een breed gebied bestrijkt. Op de cover staat: ‘meer salaris, presentaties met passie, succesvolle sollicitaties, krachtig advies, overtuigende teksten’. En dat is nog niet alles, het gaat óók over argumentatieleer, gespreksvoering (het Luisteren-Samenvatten-Doorvragen-model), kernkwadranten, de Roos van Leary, onderhandelen, e-mail, offertes, tekststructuur, debatteren, columns, leidinggeven en ontslaggesprekken voeren. Dat alles, in krap 130 pagina’s… dat is wel heel veel, heel breed – meer eigenlijk dan de titel doet vermoeden. Ik zou niet bij een argumentatiecoach aankloppen als ik beter wil leren luisteren, bijvoorbeeld.
Weinig is precies de tegenhanger. Per onderdeel is het onvermijdelijk niet zo veel en niet diepgaand. Ik heb natuurlijk vooral gekeken naar het onderdeel structuur. Hoofdstuk 13 heet ‘Schrijven met structuur: over trechters, piramides en ruiten’. Het begint p. 99 met de voordelen van het piramideprincipe: schrijven met het standpunt voorop. Mooi.
Maar als ik dan 3 pagina’s verder zie wat voor structuur het boek aanraadt voor adviesrapporten, dan denk ik: ‘????’ Want dat is doodgewoon de oude, vertrouwde methodologische opbouw – niks piramideprincipe:
1. Inleiding
2. Probleem en achtergronden van het probleem
3. Oplossingsrichtingen
4. Weging van de oplossingen op basis van criteria
5. Conclusie
6. Advies
Dan staat er ook nog: ‘Met name langere teksten, zoals advies- of beleidsrapporten, bevatten veel meer informatie dan argumenten alleen’. Ja, de meeste langere teksten, zoals advies- of beleidsrapporten, bevatten te veel informatie – veel meer informatie dan de lezer wil, en dat moedig je aan door die schrijver- en onderzoekgerichte manier van rapporteren.
Het voorbeeld op dezelfde pagina toont ook aan hoe omslachtig methodologisch rapporteren is. Er staat namelijk als uitleg van hoe argumenten en standpunt in zo’n structuur passen het volgende:
Op grond van deze argumenten is optie 2 voor ons de beste keuze (= standpunt, einde hoofdstuk 5). Ik adviseer dan ook om deze optie snel ader uit te werken (advies in hoofdstuk 6).
Lees de cursieve gedeeltes achter elkaar (dus laat de stukken tussen haakjes weg) en je ziet meteen hoe probleemloos dit achter elkaar doorleest. Waarom zou je die twee stukken dan verspreid over twee hoofdstukken neerzetten?
Nouja, dat is dus allemaal niet zo helder uitgelegd of beargumenteerd, en dat kun je ook niet verwachten als je tekststructuur voor alle genres in 5 pagina’s wil afdoen, omdat je in één boekje daarnaast nog 15 andere, zeer uiteenlopende onderwerpen wil behandelen. Maar dat vind ik dan hartstikke onbevredigend. Hiervan gaan mensen echt niet beter schrijven. En ik ben bang: ook niet beter argumenteren, solliciteren, adviseren, debatteren, e-mailen, luisteren, enzovoort.
Dus leuk om een beetje aan al die onderwerpen te snuffelen, maar je hebt meer aan een rijtje gespecialiseerde boeken. Ja, da’s dan nóg duurder. Maar dan heb je wel een aardig ogend stukje boekenkast!
Ten strijde!
Ik ontdekte vorige week het bestaan van een opmerkelijk boek: Rapportbestrijding! Tegen de papieren plaag, van Michiel Boswinkel. Het is al ruim een jaar op de markt, en het is zo recht in de roos van wat mij interesseert dat er iets misgegaan moet zijn met de marketing, want als ik eerder van het bestaan had geweten, had ik het eerder gekocht en het er eerder op dit blog over gehad. Ik houd via diverse papieren en online media de verschijnende vakliteratuur bij, vreemd dat het daar niet in heeft gestaan (wel in NRC Next, maar dat lees ik dan weer niet).
Want dit boek verdient aandacht. Veel schrijfadviesboeken schrijven elkaar over, er is weinig nieuws onder de zon. Dit boek is wel echt anders, en de boodschap die het verkondigt is zinvol. Waar het om gaat, is dat er in organisaties simpelweg te veel geschreven wordt: zinloze rapporten, te omvangrijke rapporten, ontoegankelijke rapporten die nooit gelezen zullen worden. Boswinkel haalt een fraai voorbeeld aan waarin hij een aantal keren opnieuw vraagt voor wie een rapport bedoeld is, en als enige antwoord steeds krijgt: ‘gewoon, dit is een eindrapport, doen we altijd zo’.
Waarom eigenlijk? En wat een verspilling van tijd en energie! In het boek zit een stickervel met stickers met ‘Slechte tekst! Retour auteur’ erop, om dit soort zinloze en ongerichte schrijverij de kop in te drukken.
Helemaal mee eens, en ik moest natuurlijk meteen denken aan wat er ook al uit de interviews met zakelijke lezers naar voren was gekomen: het moet korter! In mijn blogpost erover noem ik twee dingen die volgens mij leidden tot lange rapporten; Boswinkel noemt tussen de hoofdstukken door ook enkele ‘misverstanden’ die daarop lijken en die minder schrijven in de weg staan. Hij weerlegt ze, bijvoorbeeld door tegen het misverstand ‘mijn lezer wil graag een traditionele, lange tekst’ in te brengen wat lezers écht willen: een overzichtelijk rapport, wat wil zeggen: na een korte inleiding meteen de boodschap, en daarna de onderbouwing. Hé, dat klinkt piramidaal, en dat is het ook, nouja, een soort piramideprincipe ‘light’.
Daarnaast een boel behartigenswaardige adviezen voor meer focus in de tekst, overleggen over de toon, goede opdrachtgeving en begeleiding door de leidinggevende, doorschrijven in het schrijfproces, enzovoort. Maar wacht eens even, dan zitten we wel midden in de ‘gewone’ adviesboeken, die zeggen ‘hoe het moet’. Wilde Boswinkel niet iets bestrijden?
Dat is wat mij betreft het enige echte manco van het boek: het lijkt op twee gedachten te hinken. Enerzijds gaat het om rapportbestrijding, minder schrijven, en anderzijds om rapportverbetering: betere rapporten schrijven. Gedachte daarachter in ongetwijfeld dat betere rapporten korter zijn (wat ook klopt), maar dat blijft wat mij betreft te impliciet.
Het wordt zelfs ronduit verwarrend wanneer Boswinkel ervoor pleit om in een politieke context niet één beleidsnota te schrijven, maar drie, voor de drie verschillende soorten lezers: de portefeuillehouder, de gemeenteraad en het publiek. Ik snap wel wat hij bedoelt, want inderdaad kun je het beste voor verschillende groepen en verschillende doelen aparte teksten schrijven, maar van het idee van rapportbestrijding blijft zo weinig meer over. Wat mij betreft had het boek nog stelliger voor de bestrijding moeten pleiten, met duidelijker daarvan gescheiden een reflectie op ‘hoe moet het dan wel?’ of ‘wat kan er dan wel?’
Maar goed, verder vind ik het boek dus wel leuk, ik heb op een paar kleinere dingen nog wel eens een iets andere visie natuurlijk, maar dat is geen punt (hooguit mis ik de sliduments, wat volgens mij een nog kwalijker papieren plaag is dan veel geschreven rapporten), en ik vind sommige andere details juist opvallend leuk, zoals bijvoorbeeld een kort pleidooi vóór het maken van spelfouten (het is geüpdate volgens de regels, maar welke lezer help je daarmee?).
Maar het is vooral echt zo’n beetje het enige boek dat ik ken waarvan ik denk: deze auteur weet hoe er in organisaties echt geschreven en gelezen wordt – ik herken het helemaal. Of het boek daarmee bereikt wat het beoogt, weet ik niet. Mij hoeft het niet meer te overtuigen. En veel anderen blijven toch hardnekkig als schrijver iets heel anders doen dan wat ze als lezer willen. Het verkleinen van die kloof, dat zou het doel van de strijd moeten zijn. Want schrijven doe je voor een lezer.
Virtuoze roman-met-Powerpoint
Ik kondigde hem eerder al aan; nu heb ik hem gelezen: Bezoek van de knokploeg, de roman met daarin dik 70 pagina’s (één hoofdstuk) Powerpointpresentatie. Een heel bijzonder boek. Op de achterflap staat het woord virtuositeit, en toen mijn oog daar na lezing op viel, dacht ik: ja, dat is het goede woord. En dat is dan wat mij betreft niet alleen maar positief: ik vind het een razendknap geschreven boek dat me ook zeer heeft geboeid, maar waarvan de complexe vorm me afleidde en soms zelfs hinderde.
Ik vond het dus óók moeilijkdoenerij: elk hoofdstuk heeft een ander perspectief, zowel qua vorm (1e, 2e en 3e persoon) en qua personage met wie je meekijkt, en het ligt in een andere tijd, met een bereik van ongeveer jaren 1960 tot eind jaren 2020 – in de toekomst dus. In elk hoofdstuk wordt het raakvlak met de andere hoofdstukken en daarmee ook de rode draad wel duidelijk, maar soms vergt dat zoekwerk.
Na een paar hoofdstukken ging ik dus denken: sohee, wat is hier voor een moeilijke vorm gekozen. Als ik dat tijdens het lezen denk, vind ik dat eigenlijk net te ver gaan. Ook al is het nog zo origineel en literair verantwoord – want dat is het wel, dat zie ik ook wel.
Voor het Powerpoint-hoofdstuk geldt het eigenlijk ook. Dat is een bijzondere vondst. Ook dit hoofdstuk speelt in de toekomst, en het is een stukje dagboek van een kind (kind-van een eerder voorgekomen personage). De gedachte daarachter is dat kinderen tegen die tijd niet in tekst, maar in Powerpoint hun dagboek zullen schrijven – net zoals in die tijd de woestijn van Californië vol zal staan met zonne-collectoren. Dat vind ik een geweldige vondst, en ik heb de slides met open mond bekeken – wat een stunt, in een roman! Maar de kwantitatieve (ja, die zitten er ook tussen) zijn ingewikkeld, en ook hier ging dus veel van mijn aandacht naar de vorm en niet naar het verhaal.
In wat meer literaire termen: ik kwam af en toe uit de fictieve wereld; de vorm trok mijn aandacht eruit, en verstoorde zo de fictionele illusie. Misschien was dat in dit hoofdstuk een beetje beroepsdeformatie van mijn kant, dat kan.
Maar goed, wel heel leuk om te weten dat je Powerpoint dus literair kan gebruiken, en alleen al daarom zou ik dit boek aanraden aan iedereen die met Powerpoint werkt en die graag romans leest. Het is alleen al daarom e moeite waard – en die moeite is het sowieso waard, want het is dus wel een unieke leeservaring. Die uiteindelijk ook loont, want de puzzelstukjes vallen op hun plaats en vanwege het harde werken daarvoor voel je je als lezer dan toch wel heel tevreden: heb ik toch maar geklaard, het begrijpen van dit boek!
Peuteren aan een zin
Het boek waar ik het vrijdag over had, moet nog even wachten, want ik ben nog steeds verdiept in Tussen het tuig, een naar vorm en inhoud fascinerend boek over het Engelse voetbalgeweld van de jaren ’80 en ’90. Het is dus van oorsprong Engels, en voor zover ik kan beoordelen goed vertaald. Op een enkel slippertje na, en het is eentje daarvan dat me vandaag even deed puzzelen.
Toen ik de zin las, ging er een lampje branden, het voor mij in mijn werk zo belangrijke gevoel van een waarschuwing ‘hier is iets aan de hand’. Dat ging, zoals altijd, intuïtief, en vervolgens moet ik, ook zoals altijd, analytisch gaan kijken wat de oorzaak van het waarschuwingssignaal was. Welnu, daar moest ik voor ontleden, en dat is zeker niet altijd het geval. Dit was de zin:
Ze liepen terug naar Charing Cross Station, waar Gary Greaves (…) een klap verkocht aan een onbekende jongeman die daar in zijn eentje stond en hem tegen de grond sloeg.
Wie sloeg wie tegen de grond? Puur op basis van de structuur van deze zin zou dat volgens mij moeten zijn dat de jongeman sloeg en Greaves tegen de grond ging. Dan lees ik de zin dus als volgt:
Ze liepen terug naar Charing Cross Station, waar Gary Greaves een klap verkocht aan een onbekende jongeman die daar in zijn eentje stond en DIE hem tegen de grond sloeg.
Volgens mij is dat de enige mogelijke lezing: in de zin ontbreekt een onderwerp voor ‘sloeg’ en dan ga je terugzoeken en is ‘die’ de enige oplossing. Maar de tekst gaat als volgt verder:
Greaves schopte de jongen vervolgens tegen zijn hoofd en de rest deed mee.
Daaruit blijkt, en dat is ook het meest logische gezien de inhoud van de ‘probleemzin’, dat Greaves sloeg en de jongeman tegen de grond ging. Maar dat kan niet zo:
Ze liepen terug naar Charing Cross Station, waar Gary Greaves een klap verkocht aan een onbekende jongeman die daar in zijn eentje stond en Greaves hem tegen de grond sloeg.
Waarom precies weet ik overigens niet, het moet ermee te maken hebben dat er bij ‘die’ een bijzin begint en dat je niet het onderwerp van de hoofdzin (Gary Greaves) kan invullen in de bijzin (van iemand die het wel precies weet, hoor ik graag). Het kan volgens mij alleen bijvoorbeeld zo:
Ze liepen terug naar Charing Cross Station, waar Gary Greaves een klap verkocht aan een onbekende jongeman die daar in zijn eentje stond. Greaves sloeg hem tegen de grond.
Of:
Ze liepen terug naar Charing Cross Station, waar Gary Greaves een klap verkocht aan een onbekende jongeman die daar in zijn eentje stond, en die van de klap tegen de grond sloeg.
Zoiets. En soms vind ik dat gewoon leuk, peuteren aan een zin. Zelfs (of vooral) bij een goed boek!
Powerpoint in roman
In Opzij las ik in een recensie dat een roman een Powerpointpresentatie bevatte. Dat boek moest ik hebben, natuurlijk, en ik heb het net gekocht: Bezoek van de knokploeg, van Jennifer Egan (die daar de Pullitzer Prize mee won). En inderdaad: ik bladerde er in de boekhandel even doorheen en ik zag het meteen: 75 pagina’s met slides (één per pagina)! Het boek bevat in totaal ruim 300 pagina’s, dus de meerderheid is ‘gewone’ tekst, maar toch: heel opmerkelijk, en ik ben erg benieuwd. Over een tijdje mijn leeservaring!
Een kritische blik op consultacy
Deze zomer heb ik Het consultancy rapport. Over falende managers en inhalige adviseurs gelezen, een boek van Jörg Staute. Nee, geen linkje naar Bol dit keer, het boek is daar nog wel te koop, maar alleen tweedehands, want het stamt al uit 1998; de oorspronkelijke Duitse versie zelfs al uit 1996.
Staute analyseert en bekritiseert de consultancy-branche, die volgens hem sterk in opmars is omdat managers en politiek in gebreke blijven. Desalniettemin lijken consultants voor Staute wel de bron van alle kwaad: zijn betoog is nogal ronkend anti-consultancy. Dat schiet wat mij betreft behoorlijk door, al kraakt hij wel een aantal behartigenswaardige noten, bijvoorbeeld over de fraaie woorden waarin consultants nare adviezen verpakken: ‘bezuinigen’ en ‘ontslaan’ zul je in de meeste rapporten niet aantreffen. Maar hij gaat wel erg ver in zijn verdenking van allerlei belangenverstrengelingen, van alleen maar bezig zijn met hun eigen gewin, en zelfs van inmenging in de branche van Scientology.
Voor mij zijn consultants ook bepaald niet heilig. Ik heb me bijvoorbeeld in de loop der jaren wel verbaasd over het gemak waarmee conclusies getrokken worden (‘beat the data until they confess’) en er over het levenswerk van mensen beslist wordt (‘ontslag is een uitdaging’), en over de modegevoeligheid van de adviezen. De neiging tot verfraaien en verhullen van pijnlijke boodschappen is iets wat in mijn vakgebied, het schrijven, ook een rol speelt, en waar ik nog wel eens tegen protesteer (‘eerlijk duurt het langst’). Enzovoort. Maar ik kon me bij het lezen van dit boek niet aan de indruk onttrekken dat Staute wraak wilde nemen ofzoiets. In de inleiding vertelt hij over zijn ervaringen met afwijzing op sollicitaties door consulting-firma’s, zit dat erachter?
Twee andere bezwaren zijn dat het boek relatief oud is, al is het heel makkelijk het naar de huidige tijd te vertalen en dan nog steeds actueel, en dat het nogal Duits is: de uitgever heeft geen moeite gedaan de voorbeelden de vernederlandsen. Dat is af en toe wat vervreemdend. Daar staat tegenover dat Staute wel meeslepend schrijft en dat het boek dus lekker leest. (zie verder ook deze recensie)
Ik heb het boek natuurlijk uitgepluisd over teksten en presentaties van consultants. Anders dan de titel doet vermoeden, staat daar niet zo veel over in. Een paar raakvlakken:
- Consultants spreken volgens Staute hoogdravend, wat past bij hun serene, onaantastbare positie. Ideeën heten concepten en met behulp van talrijke anglicismen worden platte begrippen moderner en ingewikkelder gemaakt. Zo kom je op iets wat ik ‘management speak‘ zou noemen: inderdaad ergerlijk. De taal lijkt veelzeggender dan hij is.
- Bij presentaties gaat het er vooral om competentie en zelfverzekerdheid uit te stralen – dat is volgens Staute belangrijker dan de inhoud. Mijn indruk is dat veel consultants zelfverzekerdheid ontlenen aan de inhoud, vandaar de neiging te veel en te volle sheets over het publiek uit te storten.
- Ook Staute signaleert dat een pijl van alles kan betekenen (hier doe ik dat), of meer in het algemeen: dat de visuele frameworks in presentaties (bijvoorbeeld de drie horizonnen van McKinsey) zonder toelichting en uitleg onbegrijpelijk en nietszeggend zijn.
- Staute maakt korte metten met het idee dat consultants neutraal zijn. Dat doet me denken aan de discussies die ik vaak heb over ‘objectiviteit’, dat een adviesrapport ‘objectief’ zou moeten zijn. Daar geloof ik niet in: adviseren is gekleurd omdat een adviseur de belangen van de opdrachtgever dient. Volgens Staute is het eerder zo dat een adviseur z’n eigen belangen dient, maar dat is dan weer zijn cynische kijk natuurlijk.
- Volgens Staute is er bij veel workshops (en aanverwanten) sprake van schijn-inspraak, en ook dat herken ik wel: inspraak ‘moet’ en dus zijn sommige adviseurs geneigd om iets interactiefs te organiseren terwijl de uitkomst al vaststaat. Dat vind ik de boel bedonderen. Meestal is het een kwestie van heel goed helder maken waarover deelnemers wel en niet kunnen meedenken, en hoe (passende werkvorm), zodat de speelruimte niet groter lijkt dan hij is.
Wel aardig, dus, een keer zo’n kritisch blik. Maar voor inside information over het reilen en zeilen van het bedrjifsleven vond ik De Prooi talloze malen beter.
Nieuw woord: schrijftomatisme
Het is maandagochtend en ik heb al een nieuw woord geleerd deze week: schrijftomatisme. Van dit nieuwsbericht: http://www.schrijvenonline.org/nieuws/schrijvende-professional-lijdt-aan-schrijftomatisme Herkenbaar fenomeen, ja, ik moet dan altijd meteen denken aan die deelnemer aan een training van me die spontaan eruit flapte: ‘goh, ik heb me nooit gerealiseerd dat je bij schrijven rekening zou moeten houden met een lezer’. Ik ga het boekje maar eens bestellen dus!
De kracht van net niet het piramideprincipe?
Natuurlijk wil ik op dit weblog aandacht besteden aan het verschijnen van een Nederlandstalig boek over het piramideprincipe. Maar De kracht van het piramideprincipe is een directe concurrent van mijn eigen Adviseren met perspectief. Dat brengt me in een lastig parket, want het is nogal wiedes natuurlijk dat voor mij geldt, analoog aan de beroemde WC-eend-slogan: ik van Adviseren met perspectief adviseer Adviseren met perspectief.
Oftewel: alles wat ik erover zeg en schrijf zal in het licht van mijn belang gezien en begrepen worden. Dus houd ik het kort, maar wel fundamenteel.
De methode voor ‘helder schrijven en denken’ die in De kracht van het piramideprincipe uiteengezet wordt, is niet HET piramidepricipe à la Barbara Minto, maar een verbrede en verdunde variant erop. Verbreed naar onder andere instructieve en informatieve teksten (waar Minto zich tot adviserende teksten beperkt); verdund door véél minder hoge eisen aan logica, argumentatie, synthese en formulering te stellen dan Minto.
Het duidelijkst wordt voor mij het verschil aan de hand van de voorbeeldteksten achterin het boek. Dat de kopjes van een ‘piramidenotitie’ (p. 93) en adviesrapport (p. 96) geformuleerd zijn als vragen in plaats van als boodschappen (ter vergelijking: dat is alsof een krantenkop zou luiden ‘wat is er gebeurd vandaag?’) en dat een ‘onderzoeksrapport’ bestaat uit de onderdelen ‘conclusie – aanbevelingen – onderzoeksresultaten – methode van onderzoek’ (p. 98) (= methodologische opbouw, maar dan omgekeerd) … pfoe, die twee dingen alleen al wijken wel heel sterk af van Minto.
Nou mag wat mij betreft iedereen met het piramideprincipe doen wat hij of zij goed acht, en er is volgens mij zeker behoefte aan een ‘light’ versie van het piramideprincipe; ik pleitte daar al eens voor en voor zo’n boek als dit is dus zeker ruimte op de markt.
Maar auteurs Eline Janssen en Marita van Hassel-van Rijssen doen het voorkomen alsof zij HET piramideprincipe brengen, en leggen nergens verantwoording af voor de verschillen met Minto. En dat vind ik simpelweg niet netjes, of, preciezer geformuleerd: dat overschrijdt mijn professionele normen voor omgang met bronnen.
Maarja, ik stel kennelijk in het algemeen wat hogere eisen. En adviseer ik daarom… enfin, dat spreekt voor zich!
Schrijversnachtmerrie
Ik ben sinds een paar dagen bezig in Het feest van list en bedrog van Herman Chevrolet. Centrale idee van dat boek is dat wielrennen zo fascinerend is omdat het dezelfde structuur heeft als mythen en klassieke verhalen. Dat is voor mij als wieler- en literatuurliefhebber natuurlijk een gedachte om van te smullen, en ik lees het boek dan ook met veel interesse. De uitwerking is een tikje moeizaam, vind ik, omdat het boek óók een geschiedenis van de wielersport wil zijn, en die twee structuurprincipes (geschiedschrijving versus betoog rond dat centrale idee) botsen. Maar het is wel de moeite waard.
Meteen de allereerste pagina (p. 7, ‘Ter verantwoording’) vond ik opzienbarend. Daar beschrijft Chevrolet namelijk de nachtmerrie van elke schrijver. Hij had het idee om de wielersport te koppelen aan de 36 dramatische situaties van Georges Polti, sterker nog, hij had dat al besproken met zijn uitgever. En toen verscheen er een nieuw nummer van het literaire wielertijdschrift De Muur, met daarin een artikel van Bert Wagendorp waarin die precies diezelfde gedachte uitwerkt: de 36 dramatische situaties geïllustreerd aan de hand van wielrennen, daarmee verklarend waarom dat zo’n mooie sport is.
Chevrolet en Wagenaar hadden allebei hetzelfde idee gehad, Wagenaar was eerder met de publicatie, Chevrolets plan viel in duigen. Ieks. Elke schrijver is er bang voor, volgens mij, dat je met iets bezig bent en dat dan net eerder iets verschijnt wat het gras voor je voeten wegmaait. Het leidt bij Chevrolet tot ‘wat binnensmonds gevloek’ – dat zal wel een understatement zijn, neem ik aan.
Het huidige boek is plan B, zal ik maar zeggen. Misschien verklaart dat ook wel waarom het net niet lekker loopt.
