Op de valreep van het weekend, en met dank aan @leonoreschrijft die erover retweette: een heel erg leuke van De Speld, over een man die drie uur vast zat in z’n elevator pitch.
Fijn weekend gewenst!

Op de valreep van het weekend, en met dank aan @leonoreschrijft die erover retweette: een heel erg leuke van De Speld, over een man die drie uur vast zat in z’n elevator pitch.
Fijn weekend gewenst!
Via Twitter attendeerde @riekbos me net op een webpagina van het Taalcentrum-VU met 7 tips voor beleidsteksten met impact. Eentje ervan is ‘schrijf piramidaal’, en ook ‘bouw een argumentenboom’ past in mijn straatje. De pagina zelf is mooi gemaakt ook: de tips zijn klikbaar.
Mooi stuk van Felix van de Laar op het weblog van Tekstnet: schrijfpraten. Herkenbaar: ik heb in de loop der jaren ook al vaak gehoord dat mensen mij in Adviseren met Perspectief als het ware horen praten, en ook ik vind dat een groot compliment!
Een recensie van het boek Het snapgevoel. Hoe de illusie van begrip ons denken gijzelt in twee delen: vandaag over de inhoud, volgende week iets over de vorm.
Ergens in december viel ik in zo’n boekenprogramma op zondag en ving ik iets op wat meteen mijn interesse had: dat metaforen je een onterecht gevoel van begrip kunnen geven.
Ik moest meteen denken aan een situatie van inmiddels al 15 jaar geleden. Ik deed toen een coachingsopleiding en we bespraken in de groep onze ideeën voor het thema van het eindwerkstuk. Eén van de mede-cursisten wilde iets doen met ‘afstand en nabijheid’ in het contact. We praatten daar even over door en op een gegeven ogenblik vroeg ik argeloos: ‘Afstand en nabijheid zijn metaforen, kun je ook letterlijk zeggen wat je wilt gaan onderzoeken?’
Ik stuitte op totaal onbegrip, niet alleen van haar, maar ook van de rest van de groep én de docent. Er werd meewarig naar me gekeken: Louise snapt het niet. De docent heeft mij toen nog op verschillende afstanden tot hem neergezet om me te laten ervaren wat ‘afstand’ en ‘nabijheid’ is, maar, zo probeerde ik uit te leggen: bij coachingscontact gaat het nou juist níet om die letterlijke afstand. Maar ik kreeg het niet uitgelegd, en ik kan de frustratie daarom nóg voelen. Ik had een punt, dat wist ik zeker – en nog.
Nouja, dat hoorde ik dus op TV bevestigd worden door Herman de Regt en Hans Dooremalen. Inderdaad zorgen metaforen voor een gevoel van snappen, maar dat zet je als het ware klem in die metafoor. Net zoals bijvoorbeeld onze tijd=geld-metafoor het bijna onmogelijk maakt om anders over tijd te denken dan als schaars goed dat je kunt ‘hebben’, ’tekort komen’, ‘geven’ en zelfs ‘stelen’ (van de baas). Dus ik dacht: dat boek moet ik hebben.
In dat boek nog meer bevestiging inderdaad, en verder een interessante uitleg over de achtergrond van dat lekkere maar soms onterechte snapgevoel (iets snappen is een soort cognitief orgasme). Bij bijvoorbeeld iets als radiogolven, die door de lucht lopen en dan ergens opgevangen worden en dan heb je geluid. Maar wat golft er dan, en waar loopt dat doorheen als het ook kan in het luchtledige? Niemand die dat echt snapt, dus houden we het maar bij die golfbewegingsmetafoor.
De auteurs eindigen met een pleidooi voor psychologieles op de middelbare school, zodat jongeren de valkuilen van menselijk denken leren kennen en beter worden in kritisch denken, iets wat volgens de auteurs ‘moeilijk en inspannend’ is (p. 206). Inderdaad, al weet ik niet of psychologie dan helpt, maar kritisch leren denken – ja, vind ik ook hoognodig. Dat is het andere haakje, naast metaforen, met mijn vakgebied: om goed te schrijven, bijvoorbeeld om helder te argumenteren, moet je ook dat moeilijke en inspannende denkwerk verrichten.
Toch heb ik me ook geërgerd aan het boek. Voor de auteurs is wetenschappelijke kennis wel heel absoluut superieur. Ze gaan bijvoorbeeld voorbij aan het relatieve karakter ervan – na een paradigmaverschuiving ziet de wereld er wel eens heel anders uit, en in de menswetenschappen is er maar weinig zekere kennis. Ze geven de evolutieleer als voorbeeld van een terecht snapgevoel, maar dat is volgens mij nou net eerder een uitzondering in de mate van een ‘solide’ en niet-betwijfelbaar wetenschappelijk fundament dan een representatief voorbeeld van hoe boven alle twijfel wetenschappelijk kennis verheven is.
Hun tegenvoorbeeld, een volgens hen wijdverspreid onterecht snapgevoel, is dat van de vrije wil. Die bestaat niet, zeggen de auteurs, alles is gedetermineerd. Nou, dat weet ik een heel stuk minder zeker. Ik weet sowieso dingen een heel stuk minder zeker dat deze auteurs, mijn hele wereldbeeld is wat minder dichtgetimmerd dan het hunne. Maar goed, het zet wel aan tot denken.
Als boek dus de moeite waard. De manier waarop het is geschreven, is opmerkelijk en wat mij betreft niet zo geslaagd – het had bijvoorbeeld stukken korter gekund. Daarover volgende week meer.
Hier weer de oogst aan interessante links van de laatste tijd, van alles en nog wat:
Ik heb gister een leuk boekje gelezen: Wie heeft er wél een boek bij zich? van Johan Goossens. Ik zocht op het station even snel iets luchtigs voor in de trein terug, want ik was een eigen boek vergeten. Ik viel op de titel en de aanbeveling van Herman Finkers op de cover, zodoende pakte ik het op en toen zag ik dat het ging om de ervaringen van een leraar Nederlands op een ROC in Amsterdam – hé, een vakgenoot!
Ik heb het boekje in één ruk uitgelezen. Ik vond het indrukwekkend en grappig. Ook al is een ROC iets heel anders dan waar ik onderwijs en trainingen geef, toch herkende ik hier en daar wel wat, vooral over de gekkigheden van ons vak. Waarom MBO’ers toerisme moeten leren wat een oxymoron is – net als Goossens heb ik geen idee. En ook net als Goossens weet ik dat zelf ook niet meer allemaal zo precies, die stijlfiguren, terwijl ik ze wel ooit heb moeten leren. Niet voor niets was deze week in het nieuws dat de inhoud van het schoolvak Nederlands aan herziening toe is.
Het mooiste stukje voor wat betreft het vak vond ik waar Goossens aan Mehmet uitlegt hoe je jou van jouw kunt onderscheiden: jouw is bezittelijk: jouw scooter, jouw blackberry (p. 17). Iemand roept dan door de klas ‘jouw strafblad’ en dat vindt Mehmet duidelijk niet grappig. Hij vindt wel dat de meester het goed heeft uitgelegd dus hij weet nu ook wat hij moet doen met zijn spellingsprobleem: het is jou tentamen. Want, zo zegt hij: ‘het tentamen is toch niet van mij? Ik mag het toch niet mee naar huis nemen?’
Enerzijds zit de herkenbaarheid ‘m er voor me in dat dit laat zien hoe moeilijk de begrippen van ontleden zijn. Ze hebben ooit eens voor taalverschijnselen gekke en soms ronduit problematische begrippen bedacht, en daar moeten we het nou nog steeds maar mee doen, bij gebrek aan beter.
Anderzijds herken ik hoe leerders met je uitleg aan de haal kunnen gaan op een manier die je niet hebt overzien. Op zo’n moment realiseer je je dan als docent: oh, shit, ja, dat is de consequentie van mijn uitleg. Volgende keer echt beter doen!
Een nieuw boek met de titel Begrijpelijk schrijven voor iedereen moet ik wel kopen, vind ik, omdat ik een up-to-date en representatieve schrijfhandboekenkast wil hebben. Maar eerlijk gezegd denk ik vooral: weer meer van hetzelfde. Zoiets lijkt de auteur zelf ook te denken, want de eerste zin van het voorwoord luidt: ‘Was er nu wel behoefte aan weer een taalkundig boek?’ Zelf beantwoordt hij die vraag natuurlijk positief, want er is volgens hem weinig aandacht voor begrijpelijk schrijven.
Nou is er misschien inderdaad weinig aandacht voor wat nou écht begrijpelijk schrijven is, maar juist de invalshoek die dit boek kiest, die is wat mij betreft uitgekauwd. Het is namelijk een lange lijst met ge- en verboden, wat ik wel de moeten’s en mag-niet’s noem. Wat moet is bijvoorbeeld afwisseling van zinstype, expliciteren van de structuur en persoonlijk schrijven; wat niet mag is lange zinnen, lange aanlopen, tangconstructies, naamwoordstijl, te veel voorzetsels, moeilijke woorden, enzovoort. Niet slecht, maar wat mij betreft niets nieuws onder de zon.
Het totale aantal moeten’s en mag-niet’s in dit boek is 18, op 215 pagina’s gepresenteerd. Probeer dan nog maar eens überhaupt te schrijven, als je je aan 18 regels moet houden. Want dat is volgens mij één van de problemen van dit type schrijfadvies: het leidt tot writer’s block. En alleen al daarom gaat het volgens mij voorbij aan de essentie van écht begrijpelijk schrijven voor iedereen: dat is geen kwestie van het opvolgen van 18 regels. Er is weliswaar een correlatie tussen begrijpelijkheid en een heleboel tekstkenmerken zoals zinslengte, maar geen causaal verband. Ik bedoel: men neme een onbegrijpelijke tekst, men passe de 18 regels toe… kans is groot dat de nieuwe versie nog steeds onbegrijpelijk is. Bijvoorbeeld als (ik berijd even een stokpaardje) de hoofdboodschap verstopt staat. Of als je helemaal niks hebt met het onderwerp – dan is een tekst algauw niet te volgen.
Eén van de dingen die maken dat écht begrijpelijk schrijven zich onttrekt aan dit type schrijfadviezen is dat ze op zinsniveau zijn. Maar wat zeggen losse zinnen nou eigenlijk? Van der Horst vindt deze passief onduidelijk:
EcoSchoon is een sensationele uitvinding waardoor uw tapijt met schoon koud water gereinigd kan worden
Want, zegt hij, wie doet dat reinigen dan? En hij stelt dus voor: ‘waardoor u uw tapijt … kunt reinigen’. Ik vind die nadruk op de u die moet reinigen echter arbeidsintensiever klinken, met meer werk voor die u en dus mogelijk een commercieel minder swingende boodschap. De lijdende vorm suggereert dat ‘het gebeurt’, door een (was-)machine. Dat lijkt op wat ik vond in de computerhandleidingen die ik voor mijn proefschrift analyseerde waarin stond dat ‘het document wordt afgedrukt’ – dat doet de printer automatisch voor je (zegt Van der Horst overigens ook, op p. 98, daar vermoed ik zelfs enige invloed van mijn onderzoek). Maar ik weet niet wat EcoSchoon is – is het een apparaat? Dus zonder context kan ik er verder niets over zeggen.
Overigens niet toevallig dus dat ik een passief eruit haal, want dat regeltje (‘Ga de lijdende vorm zo veel mogelijk uit de weg’, p. 93-105) heeft altijd mijn bijzondere belangstelling. En ook daarvoor geldt in dit boek: niets nieuws onder de zon. Toen ik begon met mijn onderzoek naar de lijdende vorm, inmiddels 25 jaar geleden, waren de schrijfadviezen van gelijke aard. Is het gebruik van de lijdende vorm veranderd, verminderd, in die 25 jaar? Nee, ik geloof het niet, en Van der Horst denk ik ook niet, want anders zou zo’n advies inmiddels overbodig zijn. De hardnekkigheid van sommige schrijfproblemen laat ook zien dat boeken met schrijfregels weinig effect hebben op waar het werkelijk om gaat.
Het gaat er regelmatig over in mijn gesprekken met schrijvende professionals: of het uitmaakt, lezen van scherm of papier. In het meest recente nummer van Tekstblad (21, nr. 5/6, p. 6-11) geven Frank Jansen en Daniel Janssen van de Universiteit Utrecht me een boel input voor dat gesprek. Hun artikel is gebaseerd op eigen onderzoek en literatuur.
De hoofdboodschap van het artikel is dat een tekst op papier wezenlijk anders is dan een tekst op een beeldscherm of andere electronische drager. Het medium heeft effect op lezen, begrijpen, onthouden en waarderen. In allerlei onderzoeken, dus onder uiteenlopende omstandigheden en bij verschillende groepen, blijkt steeds opnieuw dat van papier lezen leidt tot beter tekstbegrip en meer onthouden uit de tekst. Hooguit scoort digitaal even goed, meestal is het slechter.
Opvallend: bij een expres goed scanbaar gemaakte tekst (hoofdboodschap voorop, tussenkoppen e.d.) deed een digitale tekst het zelfs beduidend slechter op tekstbegrip dan de papieren versie, bij leerlingen dit keer.
Andere verschillen, in vogelvlucht:
Ergens tussendoor schrijven Jansen & Janssen ook nog dat de effecten van de drager afhankelijk zijn van de leesdoelen van de lezer, maar dat nog onbekend is hoe precies. Ik vind dat wel een interessante opmerking als het gaat om ‘volwassen’, zakelijk lezen. Dat wordt immers heel sterk door leesdoelen bepaald, en die doelen lopen enorm uiteen – zo bleek uit het onderzoek van mijn Groningse studenten. Welk medium bij welk leesdoel past, daarover is nog veel te weinig bekend om richtlijnen te geven. In elk geval is er voor beide media een plek, ja, ook nog voor papier.
Deze week verscheen een dubbelnummer van Tekstblad (nr. 5/6 van jaargang 21) en daar staan een boel leuke dingen in. Vermeldenswaard is in de eerste plaats het artikel ‘Voorbij de punten en komma’s. Adviesvaardigheden van tekstschrijvers’ van Willy Francissen. Willy beschrijft hoe je opdrachtgevers duidelijk kunt maken dat een adviesrapport echt anders moet van opbouw – met de hoofdboodschap voorop bijvoorbeeld. Ze betoogt dat praten alleen niet genoeg is, en dat het beter werkt om ook iets te laten zien, zoals een nieuwe inhoudsopgave. En zelfs dan krijg je nog niet iedereen mee. Ik vind het een uiterst herkenbaar stuk, wat niet toevallig is: Willy en ik werken regelmatig samen, ook in de rol van tekstadviseur.
Achterop elk nummer van Tekstblad fileert Eric Tiggeler een tekst. Die columns lees ik altijd met plezier, maar dit keer vond ik hem wel bijzonder goed. Eric (ja, ik zeg Eric, ik heb nog samen met hem gestudeerd zelfs, ojee, wat lijkt het een kleine wereld zo!) neemt de Volkswagen-website op de korrel waarnaar dat bedrijf verwees in zijn schaamrood-advertentie na de ontdekking van de sjoemelsoftware. Op die site vind je een zin aan als:
Op dit moment wordt door Volkswagen AG hard gewerkt aan de uitrol van een herstelactie.
Naamwoordstijl, abstracties, passief… hoe functioneel die ook kunnen zijn, hier zijn ze in hun samenhang ondoorgrondelijk en verhullen ze waar het werkelijk om gaat. Eric schrijft:
De werkelijkheid waar het om gaat, is dat consumenten en overheden doelbewust misleid zijn met gemanipuleerde informatie over de schadelijke, normoverschrijdende uitstoot van dieselmotoren. Maar wie dat niet weet, ziet die feiten nergens benoemd. Van mensen die de kluit belazerd hebben is geen sprake: er is iets opgetreden buiten Volkswagens wil of toedoen om, er moet iets hersteld worden. Schade herstellen, zoals bij een terugroepactie, dat is de beschaafde associatie die het woord herstelactie oproept.
De hele column online nalezen kan ook: http://tekstblad.nl/artikel/sjoemeltaal
En alsof dat nog niet genoeg is, staat er ook nog een interessant artikel in over het verschil in lezen tussen papier en scherm. Daar kom ik volgende week apart op terug.
Vandaag weer eens een interessante link. Mijn collega Marjan Huisman van Twinc attendeerde me op een blogpost over het schrijven bij Best Value Procurement, BVP, een nieuw type aanbestedingen dat ervaren aanbesteders voor een uitdaging stelt. Eén van die uitdagingen is het beknopt omschrijven van de prestatie, de kansen en de risico’s. Waar dat eerder op tot wel zestig kantjes mocht, moet het nu allemaal in twee à drie pagina’s. Marjan had het idee dat het piramideprincipe bij dit type denk- en schrijfwerk nuttig zou kunnen zijn, en daar ben ik het van harte mee eens! Dat is en blijft een geweldig instrument om een grote hoeveelheid aan complexe inhoud niet alleen logisch maar ook lezergericht te structureren.