Het is bepaald geen recent artikel van me (1998), maar het is wel recentelijk online gekomen, vandaar dat ik het hier aankondig: Passief en perspectief in vertaling, in Filter. Ik vind het fijn dat het online staat nu, voor iedereen toegankelijk, want het artikel bevat ook een mooie samenvatting van de ideeën over de lijdende vorm die ik in mijn proefschrift ontwikkelde, geïllustreerd met die prachtige passage uit Kinderjaren die laat zien hoe mooi passieven kunnen zijn… als je ze goed gebruikt!
Categorie archieven: Leestips
Trainen: een kwestie van organiseren
Nu dan de blogpost waar ik vrijdag niet aan toe kwam. Ik wilde toen vertellen over de vraag die ik de laatste weken een paar keer kreeg, maar daarvoor eerst wat achtergrond: ik ben een maand geleden begonnen met een opleiding om hardlooptrainer te worden. Het praktijkgedeelte van die opleiding bestaat eruit dat we elkaar stukjes training geven. Vorige week was ik voor het eerst aan de beurt, en ik vond dat (1) best veel werk: ik moest een hele trainingsvoorbereiding uitschrijven, inleveren, verbeteren, naderhand een zelfreflectie schrijven, inleveren en verbeteren, en (2) spannend! Ik was echt wel een beetje zenuwachtig.
In die tijd van de zenuwachtige voorbereiding kreeg ik een paar keer zo’n soort vraag als ‘Maar dat kun jij toch al, want je geeft toch al jaren trainingen?’ Dat laatste: ja. Maar ik zou in zo’n setting als van mijn opleiding ook zenuwachtig zijn als ik een schrijftraining zou gaan geven: naast de docent kijken ook elf ‘leerlingen’ naar mijn reilen en zeilen, en die zijn niet alleen de objecten van mijn training, maar ook kritische vak- en lotgenoten.
Bovendien: de trainingen die ik geef zijn toch wel heel anders dan hardlopen. Om maar één voorbeeld te geven: mijn gewone deelnemers zitten over het algemeen in een veilig, rustig zaaltje in een overzichtelijke u-vorm, in plaats van dat ze door een bos lopen waar ze kunnen verdwalen, struikelen en aangereden worden. Dat is een heel verschil!
In de derde plaats: schrijftrainingen geef ik al jaren, en een groot deel van wat ik doe, hoef ik daarom niet meer vooraf te doordenken. De organisatie van bepaalde oefeningen, die schud ik zo uit mijn mouw (’tekst allemaal één plek naar rechts doorschuiven voor de nieuwe feedback’). Maar wat een handige opbouw is voor een looptechniektraining, en waar ik dan moet staan om iedereen goed te kunnen zien en feedback te geven – uh…
Als ik de organisatie van mijn ‘gewone’ trainingen helemaal zou uitschrijven, zou dat ook een heleboel werk zijn. Ik ben me sowieso deze maand in één klap een stuk bewusten geworden van dat aspect van mijn werk, dus van de organisatie van mijn trainingen. En zag dus ook dat er ook met mijn ervaring best vaak dingetjes (bijna) in mis gaan. Twee voorbeelden van de laatste tijd:
- Twee weken terug werd ik ‘gered’ door mijn co-trainer die op tijd zag dat ik niet goed had nagedacht over de afronding van een complexe werkvorm in een nieuwe training. Ik had de deelnemers aan het werk gezet en zij vroeg ‘en hoe gaan we dat nou nabespreken?’ Uh, oja, nou, dat moet ik nu gauw bedenken! Oeps… Ik was dat gewoon vergeten te doordenken.
- Vorige week had ik niet overzien dat één persoon twee keer dezelfde tekst voor zijn neus zou krijgen voor dezelfde oefening. Dat kwam toevallig zo uit omdat niet iedereen een eigen tekst had meegenomen, dus zaten er een paar dubbele tussen. Dat was op zich ook weer geen probleem – het gebeurt wel eens vaker, en dan meldt iemand zich wel en dan is het zo op te lossen door met een ander van tekst te wisselen. Maar wat ik in 20 jaar trainingen geven nog niet eerder had meegemaakt: deze persoon verscheurde die dubbele tekst, nog voor ik er iets over had kunnen zeggen, omdat hij dacht dat het een fout was dat hij ertussen zat! Ook dat was weer geen ramp, maar ik was wel even helemaal verbouwereerd.
Deelnemers helpen altijd wel, en soms is het ook goed voor de sfeer als er dingen misgaan – even lachen, en zo wordt duidelijk dat mevrouw de trainer ook maar een mens is. Maar dit soort steekjes, die wil ik in die opleiding niet laten vallen. Ik moet ‘kwaliteiten’ scoren om straks mijn diploma te halen namelijk! Tot nu toe gaat dat goed – komende zaterdag moet ik weer aan de bak!
Dus: hardlopen of schrijven, om het te trainen is best wel andere koek. Voorlopig zijn het voor mij ook twee aparte wegen. Wat ik precies als hardlooptrainer wil gaan doen, weet ik ook nog niet. Maar het zou kunnen dat er wel een keer een vorm van kruisbestuiving komt, want er is wel iets gemeenschappelijks tussen die twee bezigheden, in de vorm van denken. Om te schrijven, moet je denken, en alle duursporters weten dat je nooit zo lekker denkt als tijdens het hardlopen/fietsen/wandelen/enzovoort. Ik las daar laatst ook weer een mooi boek over: Mark Rowlands’ Filosofie van de duurloop.
Mocht het tot die kruisbestuiving komen, dan meld ik het hier natuurlijk. Maar eerst maar eens het trainersdiploma halen!
Trouwens, die intensieve werkwijze waarin je eigenlijk steeds ‘in dialoog’ bent met de opleider, met veel en snelle feedback op wat je doet en schrijft, en op basis daarvan aanpassingen maken, dat vind ik wel een geweldige manier van leren! Daar leer ik ook weer van, van de kunst afkijken.
Leren argumenteren met Peter van Straaten
Ik had een andere blogpost in gedachten, maar hoor net het nieuws over het overlijden van Peter van Straaten, dus dan wil ik graag hier vertellen dat ik dankzij hem toegang heb gekregen tot de argumentatieleer van de pragmadialectiek. Dat zat hem in dit boekje:
Het boek is uit 1996. Het is helaas al lang niet meer verkrijgbaar, anders had ik het talloze malen weggegeven. Ik heb dat toch nog één keer te veel gedaan, want ik heb het zelf helaas niet meer. Nu ik de cover zo weer eens zie, denk ik: Vader was z’n tijd ver vooruit.
Het boek heeft die geweldige combinatie van goed, leerzaam en leuk. Leuk? Hilarisch! Vader & Zoon vliegen elkaar zoals gebruikelijk in de haren, en Van Eemeren en Grootendorst analyseren die discussies met behulp van de argumentatieleer. Dat zijn nog eens drogredenen, die de revue passeren – heerlijk! In hapklare brokken gepresenteerd: op de ene pagina een strip, op de pagina ertegenover de analyse.
En zo kreeg ik toegang tot het gedachtegoed van Van Eemeren en Grootendorst, de grote namen uit de pragmadialectiek (al is Rob Grootendorst er ook al niet meer). Dat is een stroming in de argumentatietheorie waarvan het wel lijkt alsof je er alleen helemaal voor of helemaal tegen kunt zijn. De taalbeheersing is als het ware verdeeld in twee kampen: je doet pramgadialectiek of iets anders. Ik ben opgeleid en heb zelf gewerkt in ‘iets anders’, en heb de pragmadialectiek leren kennen door mijn collega’s in Leiden. Ik vond het eerst maar een vreemde benadering, het is echt heel anders dan wat ik gewend was. De pragmadialectiek gaat namelijk uit van redelijkheid, en ik bleef eerst maar denken: maar mensen zijn toch helemaal niet redelijk?
Maar toen kreeg ik via hen, als ik me goed herinner van Henrike, dit boekje. En dat hielp! Onder aanname van die redelijkheid kun je goede en slechte argumentatie van elkaar onderscheiden. En onredelijk, dat zijn Vader & Zoon zeer zeker! Inmiddels kan ik de pragmadialectiek zeer waarderen, vooral in de manier waarop die benadering wil stimuleren tot kritisch denken.
Jarenlang heb ik gezegd dat ‘Leren argumenteren met Vader en Zoon’ het enige boek uit de pragmadialectiek was dat ik helemaal gelezen had. Dat is niet meer zo. Maar het is in elk geval wel het grappigste, en het best geïllustreerde.
Een ijzersterk boek
Soms zijn er van die boeken waarvan ik denk: huh, waarom wist ik tot nu toe nog niet af van het bestaan? Zo’n boek is
Een ijzersterk verhaal, van Floris de Monchy, Yolanda Bakker en Heleen van der Helm. Ik heb het gekocht omdat ik had begrepen dat zij volgens het piramideprincipe werken, en ik was benieuwd hoe ze dat deden.
Welnu, ik ken, buiten mijn eigen boek (waar dit boek naar verwijst), geen betere uitleg van het piramideprincipe dan hierin. Dat doet me natuurlijk deugd (er is helaas ook veel bagger op de markt). Op de kleurige en ruime visualisatie kan ik zelfs een beetje jaloers zijn, al is dit boek dan ook duurder dan het mijne.
Die uitleg beslaat het eerste hoofdstuk, over de compositie van het verhaal. De twee hoofdstukken erna zijn inhoudelijk ook goed. Het eerste daarvan gaat over de vertaalslag vanuit de piramide naar PowerPoint, dus over het zichtbaar maken van structuur en verhaallijn en het kiezen van beelden. Het tweede gaat over het daadwerkelijk houden van de presentatie, en dat is gelukkig geen opsomming van moetens en magniets, maar een verhaal over contact maken en het hanteren van je angst.
Op een paar piepkleine details zou ik nog wat aan te merken hebben. Op p. 60/61 bijvoorbeeld staat een overzicht van een presentatie waar de structuuraanduiders qua kleur net niet consistent zijn, en in een voorbeeld op p. 75 duikt het Mehrabian-broodje-aap op. Dat zou ik toch niet willen, ook al is het maar een voorbeeld – maar wel inhoudelijk relevant voor dit boek: als de inhoud echt maar 7 % uitmaakt van hoe je overkomt, hoef je al die piramide-moeite niet te doen.
Ietsje fundamenteler is misschien het punt dat hun voorbeelden wel heel ver af staan van de praktijk van bijvoorbeeld de consultants en accountants met wie ik werk – bij hen zou het boek weerstand oproepen, denk ik. Zo van: dat is wel mooi, maar dat kan bij ons helemaal niet. Sowieso hét punt van dit werk, zal ik maar zeggen. In het boek gaat het daar niet over.
Zo wordt wel weer eens duidelijk dat het mogelijk is om in één compact boek uit te leggen hoe je goed presenteert. Dat is dus ook het probleem niet. Het dóen, dat wel. Maar goed, dat begint met een basis, en die legt dit boek.
What if het Nederlands was?
In het meest recente nummer van Tekstblad (nr. 4) zegt Kitty Kilian in de rubriek ‘Mijn favoriete schrijfoefening’ dat in het boek What if? de beste schrijfoefeningen staan. ‘Van dat boek heb ik meer geleerd dan van de hele School voor de Journalistiek’ zegt ze.
Dat maakte me nieuwsgierig, dus ik heb het boek gekocht en deels gelezen, althans, doorgebladerd. Het viel mij niet helemaal mee, moet ik zeggen. Ik had door die School-voor-Journalistiek-uitspraak verwacht er meer oefeningen in aan te treffen die ook relevant zijn voor schrijvers van non-fictie, maar dat valt vies tegen.
Voor de oefening in Tekstblad weet ik bijvoorbeeld ook geen plek in mijn eigen werk. Je moet dan drie mensen die je kent beschrijven, elk in één zin, aan de hand van één detail. Leuk, maarre… de relatie met adviesrapporten schrijven is wel heel dunnetjes, en ‘mijn’ schrijvers hebben heel andere problemen.
Verder is het vooral heel erg véél. Het zijn 82 oefeningen, alleen losjes thematisch geordend. Als je uit het boek zou willen leren schrijven en dus zelf een keuze moet maken uit de oefeningen, krijg je nergens houvast. Er is geen leerpad, geen prioritering, en als je alles wilt doen, ben je jaren bezig, want sommige oefeningen zijn best tijdrovend. Hoe bepaal je dan wat voor jou nuttig is?
Het boek zou je wel kunnen zien als goudmijn voor schrijfdocenten. Zij kunnen dan die ordening aanbrengen. Je kunt natuurlijk sowieso niet echt leren schrijven uit een boek – iets wat Kitty Kilian ook benadrukt overigens: er is altijd feedback nodig. Dus zonder een docent ofzoiets lukt het niet.
Maar als ik docent fictie was, zou ik het nut van dit boek nog beperkt vinden. Het is namelijk ontzettend Amerikaans. Het is niet alleen in het Engels geschreven, wat voor de bruikbaarheid toch wel een hobbel is – het gaat bij fictie soms om de subtiliteiten die in je moedertaal al lastig genoeg zijn. Maar het bulkt ook van de voorbeelden uit en verwijzingen naar de Amerikaanse literatuur. In de meerderheid van de gevallen heb ik geen idee.
Gelukkig staan er ook veel voorbeelden in uit het werk van cursisten. Die vond ik het leukste om te lezen.
Wat als er een What if? in het Nederlands zou zijn? Het boek vertalen zou een reusachtige klus zijn, althans, als je het ook echt zou bewerken voor de Nederlandse situatie, dus met Nederlandse voorbeelden en verwijzingen naar de Nederlandstalige literatuur. Ik weet niet of dat de moeite waard zou zijn. Want het bezwaar van de beperkte bruikbaar- en toegankelijkheid zou dan nog steeds gelden.
Enne – oja: van Bernays en Painter moet je wel een notitieboekje bijhouden 😉
Hoogste tijd voor links
Het is alweer even geleden, maar nu dan: de regelmatig terugkerende oogst aan nuttige, relevante en leuke links:
- Mooi bericht over dat goede tekst echt belangrijk is: de Belgische fiscus schreef een slimme brief en dat leverde 18 miljoen euro op. (Ik snap alleen niet wat er nudging is aan gewoon een korte, heldere brief schrijven met een duidelijke boodschap en goede onderbouwing. Hooguit is het beroep op de groepsdruk nudging, maar de financiële sanctie expliciteren toch echt niet.)
- Interessant en eigenzinnig standpunt over de zo vaak gesignaleerde gebrekkige leesvaardigheid van studenten: dat het niet aan hun leesvaardigheid ligt, maar aan het beroerde schrijven van academici. Ik kan me er wel wat bij voorstellen….
- Ook al ben ik al jaren bezig met de lijdende vorm (waar ik ooit op promoveerde), toch leerde ik de term handlijding, voor een handleiding vol met lijdende vormen, pas uit deze blogpost. Ik ga ‘m onthouden!
- Nuttige tips om je interne criticus tot zwijgen te brengen, noodzakelijk in de creatieve schrijffase. Ik meen te zien dat het is geïnspireerd door de ACT, want ook daarin geef je bijvoorbeeld je kritische verstand een naam, leer je je gedachten te relativeren in plaats van voor waar aan te nemen, en stel je je waarden centraal. Overigens vind ik de titel ook een voorbeeld van een rare jouw, waar ik laatst over schreef.
Strijken & rennen
In de huidige editie van Schrijven Magazine (nummer 5, p. 43) staat een column van Lex Jansen die me uit het hart gegrepen is en waar een paar wijze lessen in staan voor zakelijke schrijvers.
In de eerste plaats vertelt Jansen hoe hij talloze auteurs heeft gevraagd naar hun ideale schrijfdag, en daarop telkens een ander antwoord kreeg: het kan ’s ochtends zijn, ’s middags, in alle rust en stilte of juist met wat lawaai. Mensen verschillen, schrijvers verschillen – zakelijke schrijvers ook. De kunst is om je eigen gebruiksaanwijzing te leren kennen en daar dan ook naar te durven handelen.
Daarna vertelt Jansen een verhaal over hoe een gefrustreerde auteur ontdekte dat hij achter de strijkplank en rennend ineens wél oplossingen zag voor zijn schrijfproblemen (‘iedere renpartij levert minimaal één bruikbare gedachte op’), en juist niet als ‘hij achter zijn Appel naar een leeg beeld zat te staren’.
Ik herken dat helemaal, van mezelf en van anderen: als ik ergens niet uit kom, is achter de computer blijven zitten het slechtste wat ik kan doen. Mijn beste ideeën en oplossingen komen lopend en fietsend, maar ook afwassend en dweilend. Helaas is het in veel werkomgevingen not done om zoiets op te zoeken als je aan het werk bent. Dus kleven ze daar met z’n allen aan stoel en beeldscherm vast.
Niet productief. Al lijkt het misschien wel zo.
Grappig, leerzaam en troostrijk boek
Het is alweer een tijd geleden dat Nicolien Mizee columns schreef in de NRC over haar ervaringen als docent schrijven. Ik had de meeste daarvan wel gelezen, maar ik was ze ook alweer in voldoende mate vergeten om ze met veel plezier te herlezen, dit keer in de vorm van een boekje, Schrijfles. Dat is er ook alweer een hele poos (2009), maar ik had het nog niet eerder ontdekt.
Het boekje (78 pagina’s) is grappig, vooral door de scherpe karakteriseringen van de leerlingen in de schrijfklasjes. Vaak heeft ze aan een paar woorden genoeg om een heel beeld van iemand op te roepen, compleet met eigenaardigheden en complexiteiten. Mizees stijl is net zo onopgesmukt als de cover van het boek. Dat zit hem ook in de terloopse manier waarmee Mizee over grootse dingen schrijft, vooral over hoe ze verliefd wordt op een leerling en met hem trouwt. Dat is zó onderkoeld dat het hilarisch is, en ik vind dat heel knap gedaan.
Het boek is dus alleen al als voorbeeld leerzaam voor schrijvers in spe. Daarnaast kunnen die er ook nog wel wat uit oppikken over de principes van literair schrijven. Bijvoorbeeld dat de universele wet voor een verhaal is: ‘Iemand Wil iets, dat gaat Mis, en dan gebeurt er iets Anders.’
Niet al haar leerlingen geloven in haar wetten en haar principes. Zo heeft ze ertussen die beweren dat hun hoofdpersoon niets Wil. Dat herken ik wel: eigenwijze deelnemers, die beter weten hoe je moet schrijven dan de docent. Of andere moeilijke types – Mizee schrijft over eentje die haar de hele tijd uitdaagt, en niet meer terugkomt zodra ze zelf in de gaten heeft dat hij dat doet om aandacht te trekken. Ja, er gebeurt heel wat in van die cursusgroepen, tussen de mensen onderling en tussen hen en de docent, dat ervaar ik ook.
En zo is het boekje dus ook troostrijk. Ook al geven we een heel ander soort schrijfles, we maken hetzelfde mee.
Marathon als veranderproces?
Via de nieuwsbrief voor alumni van de VU werd ik geattendeerd op het boek Kom in beweging. marathonlessen voor droomprestaties van Cris Zomerdijk. Ik wilde dat meteen hebben, want het verbindt twee onderwerpen die me na aan het hart liggen: hardlopen en (organisatie-)verandering. Bovendien klonk het gewoon leuk, bijvoorbeeld omdat het boekje net zoveel pagina’s telt als de marathon kilometers: 42.
Dat leuke, dat maakt het helemaal waar: het is een handzaam, fraai vormgegeven, aantrekkelijk ogend boekje dat vlot leest. Het is een leuk hebbedingetje, heel geschikt als relatiegeschenk.
Alleen is me wel vanaf pagina 1 duidelijk dat Zomerdijk een heel andere visie heeft op zowel sport als organisatieverandering. Essentie daarvan is de mate van maakbaarheid. Ik leg het uit.
Zomerdijk beschrijft daar hoe hij in het Asics Running Lab een grafiek te zien krijgt, een ‘prestatiediagram’. Dat bestaat voor het overgrote deel uit trainen, en daarnaast uit motivatie, techniek (niet duidelijk of dat looptechniek is of spulletjes; het plaatje doet het tweede vermoeden) en tactiek. De belangrijkste factor die bepaalt of jij een loopprestatie kunt neerzetten, schittert daarin door afwezigheid. Die allerbelangrijkste factor is namelijk: talent. Dat is iets wat wij niet graag onder ogen zien, want we kunnen er niets aan doen – net dat ligt vast in onze genen en is dus niet veranderbaar.
We willen met z’n allen tegenwoordig graag geloven dat je succes boekt door hard te werken. Zeker als we daar commercieel belang bij hebben, zoals Asics. Maar of jij, net zoals Zomerdijk, een marathon binnen de 3 uur 30 kunt lopen, dat wordt in de allereerste plaats door je aanleg bepaald.
En zo zijn er nog meer dingen die bepalend zijn voor je prestatie en waar je niks aan kunt doen. Je sexe, bijvoorbeeld. Je leeftijd. De schade die je in de loop der jaren hebt opgelopen, aan je lijf en aan je ziel. Een heleboel mensen kunnen zich ongans trainen, super gemotiveerd zijn, een prachtig tactisch plan hebben én het beste materiaal, en toch nevernooitniet een marathon lopen, laat staan onder de 3 uur 30.
Nou kun je denken: ach, wat maakt het uit, het is maar een voorbeeld, voor die ‘heleboel mensen’ inclusief ikzelf gaat het erom dat ze een realistisch doel opstellen (ik zou 4 uur 30 voor mijzelf heel fraai vinden, maar ook dat is nog niet gelukt – ik ga het nog één keer proberen). Maar dat is niet zo, althans, dat blijkt nergens uit het boek. Volgens Zomerdijk is het allemaal maabaar: marathons, dromen realiseren, je doelen bereiken, veranderen – zelf, maar ook met anderen, in organisaties.
Dat laatste, daar moet ik dan bijna om lachen zo naief vind ik het. Trainen voor een marathon, dat doe je zelf en dat heb je helemaal in eigen hand. Maar bij elke organisatieverandering heb je te maken met die lastige ‘ze’ die niet willen. Nou, die moeten kennelijk gewoon hun negativiteit omzetten (p. 24) ofzoiets.
Jammer is ook dat de vergelijking tussen een marathon en andere veranderingen af en toe mank gaat. Soms is het trainen de verandering, maar aan het eind blijkt de marathon zelf te staan voor verandering, met wat gezochte vijf overeenkomstige fasen. Waarin natuurlijk ‘uitstappen’ en ‘geblesseerd raken’ geen plek hebben. Zomerdijks last van z’n achillespees kort voor de wedstrijddag was alleen onzekerheid. Fijn voor hem. Maar andere lopers raken wel degelijk geblesseerd – ik ken er eentje die tijdens de marathon een meervoudige stressfractuur opliep en daarvan een jaar heeft moeten revalideren.
Natuurlijk, voor peptalk is ook een plek. Het is geweldig als je je sportieve doelen haalt en een marathon loopt net onder je streeftijd (Zomerdijk liep in oktober 2015 3:28:37). Het is ook geweldig als elk ander nagestreefd veranderproces lukt. Maar de meeste van die processen in organisaties lukken niet. Zonder die vier dingen waar het boek mee begint, trainen, motivatie, techniek en tactiek lukt het al helemaal niet (alhoewel…). Maar mét dus ook niet altijd. Dat onder ogen zien, is niet alleen realistisch, maar ook empathisch.
‘We doen maar wat’
Onder die titel staat er in het huidige nummer van Tekstblad (2016, nr 4) een artikel over het schrijfbeleid van beleidsschrijvers van Kees Frenay en Jacqueline van Kruiningen. En die titel vat het kernachtig samen. Heel herkenbaar: de meeste adviesschrijvers die ik ken, doen ook maar wat, en als ze al eens iets bewust doen, is dat op basis van wat ze geleerd hebben over academisch schrijven. Er is ook niet echt een opleiding in beleidsschrijven, net zomin als in adviesschrijven.
Frenay en Van Kruiningen schrijven ook dat de adviesliteratuur, dus schrijfhandboeken, beleidsschrijvers in de steek laat:
- De handboeken zijn overwegend oud: 1996, 1999, 2003. Dat vind ik een groter bezwaar dan de twee auteurs: in een wereld waarin communicatie-mores razendsnel veranderen, is het opmerkelijk dat je met schrijfadviezen van twee decennia oud zou kunnen volstaan.
- De schrijfadviseurs beschouwen een beleidstekst als adviestekst. Volgens de auteurs is dat vooral problematisch omdat de besluitvormende invalshoek alleen aan het eind van het beleidsproces een rol speelt, waardoor de teksten in de andere fasen ondersneeuwen. Ik zou daar nog aan willen toevoegen: advies- en beleidsschrijven zijn twee andere ‘spelletjes’, die vooral verschillen in de relatie tussen lezer en schrijver (legde ik eerder al eens uit).
- De adviesliteratuur besteedt te weinig aandacht aan de politiek-bestuurlijke context, waardoor de tekst te veel op zichzelf staat. Herkenbaar – dat geldt voor al het schrijven in organisaties, dat het een stuk complexer is dan alleen maar een goede tekst produceren.
De auteurs zijn betrokken bij het Kennisplatform Tekst met Beleid. Dat wil verbanden leggen tussen de bestuurskunde en de tekstwetenschap. Dat lijkt me een mooi streven, alleen verbaast me wel welk model voor beleidsteksten ze ontwikkeld hebben. Dat model koppelt namelijk de vragen uit het beleidsproces aan tekstblokken. Ik weet niet of ze het echt zo bedoelen, maar het lijkt erop dat dus in één document probleemanalyse – ambities, doelen en kaders – verkenning van de mogelijkheden – voorstel met argumentatie – uitvoering én evaluatie komt te staan (p. 14). Dat kan schrijvers mogelijk helpen, maar lezers toch niet.
Het model volgt de ‘logica van de beleidscyclus’, maar is dat wel de logica van de lezer? Geen enkele lezer zit toch op één moment te wachten op een overzicht van de voorstellen en een evaluatie van het uitgevoerde voorstel? Dat zit in tijd zo ver uit elkaar dat het aparte teksten moeten zijn. Zo zie ik het ook in de praktijk, zo schrijft bijvoorbeeld het Taalcentrum-VU erover en zo train ik het zelf ook: één document per fase, en daar eerst over tot overeenstemming komen voor je verder gaat.
Ik denk ook dat de auteurs iets soortgelijks bedoelen, maar het staat niet in de tekst. Het is iets wat ik altijd sterk zou benadrukken: ik zet het belang van de lezer altijd voorop. En dat komt mogelijk weer voort uit de specialisatie in ‘mijn’ genre, adviesrapporten, waarvoor geldt dat de lezer je klant is wiens belangen je als adviseur dient.
Tegen het eind van het artikel (p. 14) schrijven de auteurs nog een zin die ik bijna letterlijk ook al heel vaak heb gezegd:
Beter matige tekst in een goede structuur dan slechte structuur met goede tekst.
Daar ben ik het helemaal mee eens.
