Eén van m’n Tekstblad-columns van een tijdje terug is net online gezet, zag ik: http://tekstblad.nl/artikel/heavy-lezers
LHcornelis
Analyse en synthese door elkaar
In mijn speurtocht naar wetenschappelijke literatuur over het piramideprincipe kwam ik van de week een voorbeeld tegen van creatief gebruik ervan: de inaugurele rede van professor De Swart aan de Business Universiteit Nyenrode. Wat ik er leuk aan vind, is dat De Swart laat zien hoe je op basis van data tot de so what komt: de interpretatie met impact. Daartoe daagt het piramideprincipe je uit. Hij past dat dan ook nog eens toe op een wel heel bijzondere casus uit de klassieke oudheid: Cicero versus Verres.
In De Swarts piramide (p. 10) gaat echter wel iets mis. Je ziet het zo: de piramide vertakt niet steeds. Het probleem is dat hij analyse en synthese in één structuur probeert te vatten. Dat is in mijn ervaring de meest optredende verwarring bij het leren en gebruiken van het piramideprincipe. Ik besteedde er op dit weblog al eerder aandacht aan. De Swart noemt het inductie en deductie; in die termen mag een piramide alleen deductief zijn.
Dat is mooi streng piramidegeneuzel natuurlijk – maar met consequenties. Dus nu concreet. Er zit in De Swarts piramide een tussenlaag ‘analyse’ in de structuur. Die is geformuleerd als opdracht aan de adviseur/onderzoeker: ‘vind een zo groot mogelijk match tussen tussen bedragen’. Als je die in je communicatie op zou nemen, krijg je wel iets raars natuurlijk. In een adviesrapport bewaar je de opdrachten voor wat de lezer, de geadviseerde moet doen. Dus wat is dit nu voor structuur? Is hij gericht op het beantwoorden van de vraag van de lezer, of bestaat hij uit werkinstructies voor de onderzoeker? Een beetje van allebei. En dat is verwarrend.
Goede adviescommunicatie is helemaal gericht op het perspectief en de belangen van de geadviseerde, niet op de dingen die de adviseur gedaan heeft. Voor deze piramide betekent dat dat de twee beweringen ‘Verres heeft valsheid in geschrifte gepleegd’ en ‘Verres heeft steekpenningen aangenomen’ direct door de data op de onderste laag onderbouwd moeten worden. Dan is de piramide optimaal communicatief, want optimaal lezergericht. Of anders gezegd: de hele piramide is dan een betoog. En dat zal Cicero gewild hebben.
‘Ze kunnen niet meer schrijven tegenwoordig’ is uit!
Gisteravond is verschenen het e-boek, de e-bundel eigenlijk, die ik heb samengesteld: Ze kunnen niet meer schrijven tegenwoordig.
De aankondigende tekst:
We horen het regelmatig in de media: de jeugd van tegenwoordig kan niet schrijven. Het hoger onderwijs slaat alarm en voert een taaltoets in, of we zuchten en steunen over dramatische spellingsblunders als hij krijgd en dat betrefd. Maar hoe terecht is die verzuchting? Betekent d/t-fouten maken dat je niet kunt schrijven? Wat is schrijfvaardigheid precies, en is die wel zo veel slechter dan, zeg, een generatie geleden? Hoe belangrijk is spelling eigenlijk? En is het niet zo dat jongeren ook veel méér schrijven, dat is toch een positieve ontwikkeling?
In deze bundel geven elf jongeren een antwoord op deze en andere vragen. Hun standpunten en conclusies verschillen aanzienlijk, maar stuk voor stuk zijn de betogen de moeite waard om mee te nemen in de discussie over schrijfvaardigheid. De jeugd van tegenwoordig over hun eigen generatie. En schrijven, dat kunnen déze jongeren in ieder geval best wel!
Met een inleiding van mijzelf, en een voorwoord van Joop van der Horst. Uitgegeven bij de nieuwe e-boek-uitgeverij Ons Woord en daar dus ook te koop, voor € 6,49 (bestelpagina).
Ik ben blij dat het er is (dat heeft even geduurd – het is het resultaat van het college dat ik vorig jaar om deze tijd gaf in Leiden), en trots op het resultaat. Dus ik zou zeggen: zegt het voort!
Beter schrijven? Beperk de onzekerheid
De laatste tijd heb ik voor het piramideprincipe-onderzoek een flink aantal wetenschappelijke artikelen gelezen. Ik ben zelf bezig met een (de tweede) wetenschappelijke publicatie erover, en ik wilde die zo goed mogelijk verankeren in de theorie. Vooral dankzij het speurwerk van mijn scriptie- en andere studenten breidt zich het aantal relevante publicaties uit. Relevant wil zeggen: zijdelings gerelateerd aan. Onderzoek naar het piramideprincipe is er namelijk niet, voor zover ik weet, dus het gaan om aanverwante zaken.
Meestal is het lezen van zo’n artikel enigszins teleurstellend. Ook voor mij is het geen peuleschil om in het Engels zware, vaak abstracte en stug geformuleerde kost te lezen, en die inspanning levert lang niet altijd klinkende resultaten op, in de zin van: hier kan ik wat mee, voor het artikel of voor de praktijk. Maar ik had ook wel momenten dat ik op het puntje van mijn stoel zat.
Het meest had ik dat bij een artikel van Robert Brown en Carl Herndl, ‘An ethnographic study of corporate writing: job status as reflected in written text’. Het is eigenlijk al een ouwetje: uit 1986. En ik kende het indirect al, omdat andere onderzoekers er wel eens naar verwezen. Dat ging dan om de relatie tussen bepaalde stijlverschijnselen en onzekerheid over de baan: onzekere schrijvers, bijvoorbeeld in organisaties die permanent reorganiseren, gebruiken meer de naamwoorstijl. Dat staat in de eerste helft van het artikel.
Maar ik viel bijna van mijn stoel bij de tweede helft van het artikel, waar ik niets van wist. Die gaat namelijk over structuur, en wat ze daar zeggen, is precies wat ik al zo vaak heb vermoed maar nooit heb kunnen hard maken: er is een samenhang tussen de voorkeur voor een bepaalde structuur en rolopvatting en persoonlijkheid van de schrijver. Dat hebben ze onderzocht door middel van interviews en tekstanalyses in twee verschillende Fortune 500-bedrijven.
Schrijvers met een voorkeur voor de chronologische manier van rapporteren (ik noem dat methodologisch; deze auteurs narratief, maar dat maakt niet uit) zijn vaak jonger, onzekerder over hun (nieuwe) rol, daardoor meer verdedigend (‘defensive’). Ze hebben de neiging om de structuren te gebruiken die…
assert their care and competence by recapitulating the technical process they conducted while allowing them to remain passive in transactions with customers and clients. (p. 21)
Met andere woorden, deze schrijvers zijn:
Task-centered, impartial, orderly, non-directive (p. 23).
Met het orderly lijkt me niks mis, als je het maar niet overdrijft, maar de andere drie kenmerken behoren niet tot de optimale rolinvulling van een adviseur. Die moet juist client-centered (durven) zijn, betrokken en directief: de eigenschappen die passen bij schrijven met niet-chronologische maar inhoudelijke structuren, zoals het piramideprincipe.
De auteurs concluderen dat de beste manier om professionals beter te laten schrijven is het beperken van de onzekerheid (‘lower the level of insecurity in your organization’, p. 24). Met schrijftrainingen kom je namelijk niet opgebokst tegen het effect van die onzekerheid. Vandaar dat het rendement ervan zo beperkt is.
Wat fijn dat uit onderzoek hetzelfde is gebleken als wat ik vermoedde. En met het advies ben ik het eens: een schrijftraining alleen is niet genoeg om betere tekstkwaliteitszorg te bewerkstelligen.
Vooraankondiging: ‘Ze kunnen niet meer schrijven tegenwoordig’
Weinig geweblogd de laatste dagen, nouja, het was een lang weekend, maar verder was ik bij vlagen ook een beetje drukdrukdruk met de laatste loodjes vóór het verschijnen van de bundel Ze kunnen niet meer schrijven tegenwoordig, die ik heb samengesteld en geredigeerd. Ik heb onder andere drukproeven nagekeken, of hoe heet dat als het gaat om een e-boek (want dat wordt het).
Net daarvoor had ik mezelf vorige week ingewijd in de wereld van het e-boek: een reader gekocht en me door de gekke beveiligingsfratsen heen geworsteld die uitgevers nodig vinden om de boeken te verkopen.
Zo niet de uitgever van de bundel, die wil het anders gaan doen. Hun website is gister online gegaan: Ons Woord. Ze kunnen niet meer schrijven tegenwoordig staat al aangekondigd op de homepage en kan elk ogenblik verschijnen: er moet nog een heel klein puntje op de i.
En dan is-ie er dus: de bundel over de schrijfvaardigheid van ‘de jeugd van tegenwoordig’, waarover zo veel geklaagd wordt. In de woorden van elf leden van die generatie komen een boel feiten en argumenten in de discussie aan de orde. En dat is nodig, want de discussie wordt vooral op basis van impressies en met een boel drogredenen gevoerd. Er zit ook nog een voorwoord bij van niemand minder dan Joop van der Horst.
Nog heel even geduld dus, en dan is-ie er! De bundel ziet er inmiddels prachtig uit, en hij zal voor een zacht prijsje te koop zijn. Want dat is een ander statement van Ons Woord: e-boeken zijn nog veel te duur. Ze kunnen niet meer schrijven tegenwoordig dus niet.
Verschenen: Tekstbladcolumn over moeten’s en mag-niet’s
Net uit: Tekstblad nummer 2 van dit jaar, met daarin een column van mij over een onderwerp dat op dit weblog ook regelmatig de revue passeert, namelijk dat goed schrijven niet een kwestie is van het toepassen van al die moeten’s en mag-niet’s die veel schrijfadviseurs en -trainers op je af sturen. Als je die allemaal serieus neemt, krijg je namelijk geen letter meer op papier uit angst om te zondigen, en op elk regeltje is wel een uitzondering te bedenken.
Weer drie mini-columns uit
Net uit: Oase Magazine jaargang 4, nummer 5, met daarin drie mini-columns over sport van mij. Van eentje ben ik wel blij dat ik er eindelijk eens een publicatiemogelijkheid voor heb gevonden: het verhaal over hoe ik toen ik in 1998 een zomergriepje had, de Tour de France herontdekte. Die dag zou mijn leven veranderen, en dat was dan ook het thema van die week in het blad: belangrijke momenten. Voor Oase Magazine schrijf ik namelijk altijd op thema: ik krijg een aantal thema’s van de redactie, en daar schrijf ik dan een column bij, over mijn eigen sporten of over dat van anderen, inclusief de topsport. De andere twee thema’s waarbij ik voor dit nummer een column geschreven heb zijn ‘als een coach’ (thema voor de week dat het EK voetbal plaatsvindt) en ‘Wat bezielt je?’.
Powerpoint-Karaoke
Een kort postje om een erg grappig idee door te geven, dat me bereikte via Neder-L: de Powerpoint-karaoke.
Terugblik cursus voetbaljournalistiek
De oplettende lezers van dit weblog hadden misschien al gemerkt dat er hier en daar voetbalgerelateerde voorbeelden opdoken (zoals hier en hier), en dat was niet toevallig. De afgelopen maanden deed ik een cursus voetbaljournalistiek. Nee, ik ben niet ineens een grote voetbalfanaat geworden, ik zag de cursus als een manier om een inkijkje te krijgen in de sportjournalistiek. Schrijven over sport doe ik al, en voetbal is dé sport, natuurlijk, en alleen al daarom interessant. Ik las in de herfst over de cursus, en dat klonk goed – vandaar. Ik ging op zoek naar achtergrond, inspiratie en handvatten. Hier een terugblik met reflectie op de voetbaljournalistiek én op schrijfdidactiek.
Goudmijn
De cursus bood meer dan een inkijkje in de voetbaljournalistiek. Het programma zat namelijk zo in elkaar dat er per bijeenkomst twee sprekers waren, allemaal coryfeeën uit de voetbaljournalistiek en de voetbalwereld. Om wat namen te noemen: Kees Jansma (nu persvoorlichter Nederlands elftal), Barbara Barend (nu onder andere Helden), Willem Vissers (Volkskrant), Sjoerd Mossou (AD), Guus van Holland (ex-NRC), Antal Crielaard (Trouw) en Jan Poortvliet (oud-international, nu trainer Telstar). In totaal waren het dus zo’n twintig gastsprekers, die allemaal vooral vertelden wat ze zelf deden en gedaan hadden.
Inspiratie gaf dat zeker zo af en toe. Voetbal (sport in het algemeen) geeft de journalist allerlei mogelijkheden om z’n eigen gang te gang. Immers, iedereen heeft tegen de tijd dat de krant uitkomt al lang de uitslagen gezien, en vaak al de hele wedstrijd live op tv. Dus je móet wel iets anders, je móet een eigen invulling geven, en daar kun je allerlei kanten mee op. Voor journalisten is het dus eigenlijk een goudmijn.
De sprekers vertelden over hoe zij het goud uit die mijn delven. Dat was meestal wel prettig om naar te luisteren. Een paar keer kwam aan de orde dat het belangrijk is voor een journalist om aardig gevonden te worden. Alleen dan krijg je mensen echt mee, in een interview bijvoorbeeld, of als bron van nieuwtjes. Die ‘likeability’ hadden de sprekers wel. Dat is voor mij dan ook het grootste nieuwe inzicht geweest voor wat betreft de journalistieke vaardigheden: hoe belangrijk aardig gevonden worden en ‘vertrouwbaarheid’ zijn. Het zat hem vooral in het gevoel dat ik had dat ze met open vizier streden: weinig geheime agenda’s, weinig achter de ellebogen.
Sterke verhalen
Nadelen had al dat luisteren ook wel. We kregen keer op keer natuurlijk de geromantiseerde, gekuiste, sterke, stoere versie van iemand loopbaan en werk voorgeschoteld. Vaak dacht ik: wat leer ik hier nou precies van? Nouja, in elk geval ook wat ik niet wil. Ik vond het regelmatig een rare, extreme, mateloze wereld, waar ik me over verwonderde en ook wel om moest lachen.
Lachen moest ik bijvoorbeeld om het fenomeen clubwatcher: een journalist die voor een bepaald medium alles van één club volgt. De grote clubs worden gevolgd door de landelijke kranten en Voetbal International; kleinere clubs op z’n minst door de lokale krant. Dus een flink aantal volwassen mannen verdient een aardige boterham ermee door elke dag te zitten koekeloeren naar en praten met een stelletje over het paard getilde jongetjes en hun spelletje. Hilarisch eigenlijk.
Want dat is het natuurlijk (ook), hè: een wereld vol jongetjes die te snel te rijk zijn geworden, die bij hun clubs worden afgeschermd van de gewone wereld, en die met die paar uurtjes training te weinig om handen hebben. De enige gastspreker die er ook op die manier naar keek, Marcel van Roosmalen, stal daarom mijn hart. De rest nam voetbal allemaal wel heel serieus.
(Overigens ben ik ook wel weer blij dat dat gebeurt, want het leidt tot mooie journalistiek. Voetbal International bijvoorbeeld is bijna een archaïsme, vind ik – waar vind je nog zo’n degelijk weekblad, met zo veel en zulke lange verhalen erin? Alleen al de cover roept jeugdherinneringen bij me op, met die recht-toe-recht-ane aankondigingen. Vroeger waren alle tijdschriften zo, tegenwoordig moet het veel glossier en schreeuwender.)
Vreemde eend
Ik vond het dus een vreemde wereld; nou was ik natuurlijk ook wel een beetje vreemde eend in de bijt. Niet alleen als vrouw (dat waren drie van de 15 deelnemers), maar vooral vanwege mijn leeftijd: ik was de oudste, de meeste deelnemers waren rond de 20, en zo werden we meestal ook toegesproken: als studenten. Dat had ik niet verwacht, ik had meer midlife-crisis-mannen verwacht, en zeker geen studenten bij deze toch vrij prijzige cursus. Maar de opleidingen journalistiek hebben geen vergelijkbaar vak, vandaar.
Als je 20 bent en dolgraag carrière wil maken als voetbaljournalist, zit je heel anders bij zo’n cursus dan ik, voor wie het iets is voor ‘erbij’ – want mijn adviesrapportenwerk is en blijft voor mij veel belangrijker. Dat maakt nogal uit bij uitspraken van de gastsprekers als ‘het vraagt 24 uur per dag, 7 dagen in de week inzet’ en ‘het beste kun je beginnen bij een kleine, regionale krant, waar je voor een paar tientjes de plaatselijke voetbalvereniging verslaat’ en ‘het kost je zo’n 20 jaar om te top te bereiken’. Tsja, als het zo moet… Jammer dat het niet ging over andere manieren. Terwijl daar volgens mij juist wel ruimte voor is, vanwege het belang van het eigen geluid en vanwege het belang van met enige afstand kunnen kijken naar die gekke wereld.
Maar hoe je op zo’n andere manier je weg vindt, daarover heb ik weinig geleerd. De gastdocenten zijn allemaal al lang en breed gearriveerd en begonnen in een heel andere tijd. Natuurlijk hadden ze ook bijna stuk voor stuk gelijk dat het een kwestie is van doen en dat er altijd ruimte is voor een echt goed stuk, maar dat is me toch te makkelijk gezegd in een tijd waarin er bijna geen branche zo onder druk staat als de journalistiek: afnemende financiën en een toenemend aantal afgestudeerden, plus toenemende commerciële druk (voorbeeld van discussie/achtergrond daarover). Wat ik graag had gewild, was aandacht voor hoe je een idee succesvol onderbrengt bij een medium. Stel dat we allemaal een voorstel hadden gemaakt en dat hadden laten beoordelen door een hoofdredacteur, met wie zou hij wel/niet in zee gaan en waarom?
Zitten-en-luisteren
Dat brengt me op een ander punt dat ik heb geleerd, iets heel anders, want niet direct aan voetbal gerelateerd, maar wel relevant voor mijn werk: over wat wel en niet een goede cursus is. Twintig vooraanstaande gastdocenten, dat klinkt hartstikke leuk, en ik heb dan ook heel veel gehoord en dat was beslist vermakelijk en/of interessant. Maar maar ik heb echt te weinig geleerd.
Niet elke journalist is een goede spreker of docent; zitten luisteren is sowieso heel passief. Na een bijeenkomst of vijf had ik het wel gehad daarmee, vielen de gastsprekers steeds meer in herhaling, en gingen de avonden dus lang duren. Mijn groepsgenoten heb ik amper leren kennen, want dat gebeurt ook niet als je vooral zit en luistert – en een enkele keer een vraag stelt.
Nou wist ik dat allemaal wel zo’n beetje, als valkuilen van de luister-werkvorm, maar het was goed om het zelf weer eens te ervaren. Oja, daarom zijn er activerende werkvormen, oja, daarom hanteer ik Kolb (ervaringsgericht leren, verschillende leerstijlen), oja, daarom geloof ik in zelfsturing. Kortom: oja, daarom is didactiek belangrijk.
Sneeuw en andere ongemakken
Er zaten wel een paar schrijfopdrachten in de cursus, dus een beetje doen moesten we wel. Eén van de opdrachten viel eerst door pech (winterweer) in het water. De afspraak voor de vervangende opdracht werd verteld in de eerste vijf minuten van de cursusavond daarop. Net die keer was ik door de winterdienstregeling van de NS vijf minuten te laat, en ik had dat dus niet gehoord. Niemand heeft de moeite genomen mij even bij te praten, en zo ontdekte ik de nieuwe deadline op het moment dat hij zo’n beetje verstreek. Dat was géén pech. Een commerciële cursus hoort iets beter voor z’n deelnemers te zorgen, vind ik. Dat zijn klanten, immers.
Ik heb toen nog snel wat in elkaar geflanst voor die opdracht. Ik was blij met de feedback die ik kreeg (bevestiging dat ik best wel kan schrijven), maar heb met verbazing zitten kijken naar hoe we die kregen. Deze docent (die gelukkig wel een prettige babbel had) gaf iedereen met individueel commentaar zijn tekst terug. Maar we hadden de teksten niet van elkaar gelezen, dus dat was nogal abstract. Hij hamerde erop dat we geen clichés mochten gebruiken.
Ik vind: schrijven leer je niet door te horen wat er níet moet, maar door te oefenen hoe het wél moet. En praten over teksten doe je met de tekst op tafel. Op dat punt vond ik de bijeenkomst die we hadden met Michel van Egmond (VI) en Antoinette Scheulderman (o.a. VI en RTL) leuk, want van allebei hadden we van tevoren enkele artikelen moeten lezen. (Die bijeenkomst was bovendien in de studio van VI-tv, en we woonden daar ook een opname van bij, wat ook leuk was, zeker het kijkje in de regiekamer.)
Zelf schrijven
Nog beter vond ik de bijeenkomsten waarin we zelf wat hebben gedaan, namelijk met Karel van den Berg over journalistieke creativiteit, en met Janneke van der Horst (Hard Gras) over literaire voetbaljournalistiek. We hebben toen respectievelijk gebrainstormd en ter plekke geschreven. Uit de brainstorm heb ik een idee overgehouden voor mijn eindopdracht: over dat vrouwenvoetbal hard groeit, ondanks het ontbreken van rolmodellen in de media. Daaraan werken vond ik leuk, en het zelf ter plekke in de cursus schrijven ook – dat hadden we echt meer moeten doen, wat mij betreft.
De feedback op de eindopdracht moeten we nog krijgen. Het certificaat van de cursus heb ik echter gister al gekregen. En ook al kijk ik dus met gemengde gevoelens terug, dat is toch maar mooi binnen.
Saaie rapporten?!
Duikt zeer regelmatig op: het woord ‘saai’ vóór ‘rapport’. Vorige week vond ik er weer één, in de Viva, dodelijk saai nogalliefst:
Nou is het ook zo dat ik in de praktijk een heleboel saaie rapporten zie. sterker nog, als ik met één woord een gemiddeld adviesrapport moet typeren, is het dat: ‘saai’. Met twee: ‘grijze muizen’. Wat zonde!
Wat zou het leven in organisaties een stuk aangenamer zijn als iedereen eens zou ophouden met het schrijven van saaie rapporten. Toetsenbordtape is een lapmiddel, en werkt zeker niet voor de lezer. Dit wel:
- Houd op met schrijven ‘omdat het moet’. De simpelste manier om minder saaie rapporten te schrijven en te lezen is door alleen maar te schrijven als er een noodzaak toe is, niet omdat het hoort of omdat het nou eenmaal altijd zo gaat.
- Houd op met nadoen. Als je collega’s, vakgenoten, bazen en noem maar op saaie rapporten schrijven, hoef jij dat toch nog niet te doen? Heel veel saaiheid ontstaat door kopieergedrag. Ga je eigen gang, dan wordt het persoonlijker en dat alleen al is minder saai. Een rapport krijgt dan meer ‘smoel’, hoor je wel eens – leuk!
- Ga op zoek naar interessante inhoud. In een zakelijke omgeving is inhoud waar het om gaat, wat een rapport boeiend maakt. Die inhoud wordt boeiend als jij als schrijver iets opschrijft wat de lezer echt wil weten, waar hij of zij op zit te wachten. Zet het dus op scherp; zeg écht wat in je rapport. Dat doe je door je kennis te benutten, maar je doet het ook, en misschien wel vooral, door heel helder te krijgen wat de lezer wil weten. Als je dat niet scherp voor ogen hebt bij het schrijven, is er maar één oplossing: je moet je lezer beter leren kennen. Gaan praten helpt dan meer dan nog langer zitten te zwoegen achter dat opgeleukte toetsenbord.

