Net uit: Tekstblad nr. 5/6 van 2012, met daarin een column van mij waarin ik beken ernstig leesverslaafd te zijn. Tekstblad zet regelmatig columns online, met enige vertraging – ik zal het melden als deze er staat.
LHcornelis
All the way
Recentelijk zag ik bij twee opdrachtgevers die bezig zijn met het gaan schrijven volgens het piramideprincipe hetzelfde verschijnsel: je moet het écht doen, helemaal, en niet halverwege blijven steken. Ik bedoel: schrijf ofwel piramidaal, ofwel methodologisch, maar niet iets vaags ertussenin. Een compromis lijkt misschien makkelijk, maar is het niet.
Bijvoorbeeld: je schrijft een tekst methodologisch, aan het eind eind haal je de conclusies en aanbevelingen naar voren en je bouwt daar een piramidale inleiding omheen. Zo staat je hoofdboodschap (of iets wat daarop lijkt) voorop. Mooi toch?
Nou… je hebt dan twee problemen:
- De structuur van de inleiding sluit niet aan bij die van de rest van het document. Je kunt aan het eind van de inleiding alleen maar aankondigen ‘hierna zullen we laten zien hoe we het onderzoek gedaan hebben.’ En laat dat nou net zijn waar lezers veel minder interesse in hebben dan jij denkt! Bovendien leiden de stappen van het onderzoek helemaal niet altijd zo logisch naar die ‘conclusie en aanbevelingen’: de inhoudelijke logica van het rapport is dan net zo wankel en weinig inzichtelijk als in een traditioneel rapport.
- Je kunt geen boodschaptitels verzinnen voor de hoofdstukken. Een hoofdstuk als ‘meetmethode’ – ‘we gebruikten meetmethoden X en Y’ voegt niet zo veel toe. Sterker nog, zulke koppen kunnen weerstand opwekken. Een hoofdstuk als ‘resultaten’ krijgt immers vaak een kop als ‘Er gaat een heleboel mis’ of iets anders negatiefs. Dat willen lezers al niet zwart-op-wit, laat staan in dikke letters. ‘Het lijkt de Telegraaf wel’ hoor ik dan wel eens terug – maar dat hoor ik nooit als het rapport echt goed geschreven is.
Dus: doe het piramideprincipe ‘all the way’. Je kunt dan veel makkelijker boodschaptitels bedenken, want die zijn actiegericht (maatregelen) of argumentatief. Constructief dus, in plaats van nietszeggend of negatief. Bovendien wordt de structuur er hechter van, en dat is zowel fijn qua lezen (eenduidige opbouw) als qua logica (transparanter en hechter).
Reageren kan weer
Dienstmededeling: het spamprobleem is opgelost, dankzij de Websitewinkel, dus reageren kan weer!
Net uit: Oase met vooruitziende blik
Verschenen in Oase Magazine nr. 3 (jaargang 5): vier mini-column over sport. Ik schrijf voor Oase altijd op thema, en voor dit nummer was één thema ‘een held?’ Mijn column ging over hoe ik in 1998 in wielrennen geïnteresseerd raakte dankzij Marco Pantani, en hoe ik jaren later ontdekte dat diens geweldige prestaties in die tijd tot stand waren gekomen dankzij een fikse dosis EPO. Over hoe een held van z’n voetstuk valt dus. Of toch niet – want zijn rol in mijn leven heeft hij toch gespeeld.
Toen ik de column terugzag, dacht ik: goh, ik had een vooruitziende blik. Want ik schreef hem in september en sindsdien is ook die andere grote held, Lance Armstrong, van z’n voetstuk gevallen. Of toch ook niet – voor hem geldt hetzelfde als voor Pantani. Beide heren zijn belangrijk voor me geweest, echt in de zin dat de loop van mijn leven erdoor beïnvloed is. Dat blijft zo, ook al speelde EPO daar een rol in. Het blijft lastig, vind ik, inspiratiefiguren die iets fouts gedaan hebben. Ik blijf op z’n minst ambivalent.
Mijn column is dus actueel – actueler dan ik in september had voorzien, en ook actueler dan ik had gehoopt.
Je denkt het wel, maar het staat er niet
Voor in de trein terug uit Groningen had ik van de week een GDL gekocht. Ik trof daarin kort na elkaar (op p. 99 en 113) zinnen aan waarbij ik dacht: ik snap wat de schrijver bedoelt, hij/zij heeft ongetwijfeld ook goed in het hoofd gehad, maar het stáát er niet:
Onthoud: zaken gaan pas prettig als we er minstens evenveel aandacht, tijd, liefde en geld aan besteden als we doen aan de zaken die wel lekker lopen in ons leven.
Een plant in het stikdonker overleeft dus niet, maar heeft evengoed behoefte aan duisternis.
In de eerste zin moet je kennelijk een contrast bedenken tussen ‘zaken die wel lekker lopen in ons leven’ en ‘zaken die niet lekker lopen in ons leven’, waaraan we dan minstens evenveel aandacht enzovoort moeten besteden. Maar dat ‘die niet lekker lopen’ stáát er niet. Er staat alleen maar zaken, in het algemeen dus, en dan klopt de zin dus niet.
In de tweede zin staat eigenlijk dat een plant in het stikdonker evengoed behoefte heeft aan duisternis. En dat kan niet kloppen. Ik denk dat de zin alleen maar kloppend kan worden door hem te verlengen: ‘een gewone plant kan in het stikdonker niet overleven, maar heeft wel behoefte aan duisternis’ ofzoiets.
Dit type schrijfproblemen is erg moeilijk op te sporen door de schrijver zelf: de logica zit in diens hoofd, dus om het te zien, moet je je eigen denken dan uitzetten. De fouten zijn ook niet heel ernstig, want lezers kunnen de correctie of aanvulling wel maken. In deze gevallen wel, maar niet altijd. Daarom: belangrijke teksten altijd zorgvuldig laten proeflezen!
Eerste resultaten piramideprincipe-onderzoek dit jaar
Gister hebben mijn Groningse studenten presentaties gegeven met daarin de eerste resultaten van hun onderzoek naar het piramideprincipe. Ze zijn nog niet klaar, dus het gaat om voorlopige indrukken – in het ene geval nog wat voorlopiger dan in het andere. Voor mij kwam het volgende beeld eruit naar voren:
- In e-mails en brieven lijkt het erop dat ongeveer even veel lezers een voorkeur hebben voor ‘hoofdboodschap voorop’ als voor ‘hoofdboodschap achterop’. Als hun voorkeur uitgaat naar voorop, is dat vanwege de helderheid en de efficiëntie; als ze ‘m liever achterop hebben, is dat omdat ze dat vriendelijker vinden. Globaal wisten we dat al, maar het is nu veel preciezer onderzocht, inclusief twee nuances:
- Vriendelijkheid en beleefdheid zijn belangrijk voor lezers uit een andere cultuur (de Chinese, in dit geval), maar wát zij als vriendelijk en beleefd ervaren, verschilt. ‘Hoofdboodschap voorop’ vinden ze niet per se onbeleefd.
- Voor de waardering van HB voorop versus achterop bij slecht-nieuws-brieven lijkt het uit te maken of een brief echt nieuws bevat, of dat de lezer de narigheid al voelde aankomen. In dat laatste geval vonden lezers HB voorop minder respectvol; bij echt nieuws gepaster.
- Het lijkt erop dat lezers meer oppikken en onthouden van een piramidale tekst dan van een traditionele (methodologisch of volgens een traditionele briefstructuur). In een aantal onderzoeken is het daadwerkelijke begrip geweten aan de hand van vragen over de tekst, met de tekst nog bij de hand of met de tekst alweer weg (dus dan meet je wat ze even onthouden hebben). Dit is goed nieuws voor het piramideprincipe, al hoeft het niet te betekenen dat piramidale teksten nou zo veel helderder ofzoiets zijn: het kan zijn dat de lezers meer moeite doen omdat zo’n tekst ‘gek’ in elkaar zit, en door dat hardere werken onthouden ze de informatie ook beter.
- Dát voor veel lezers een piramidale tekst ‘gek’ is, wordt ook bevestigd. Ze zeggen daar wel eens wat over, en in één onderzoek zijn de resultaten voor een ’traditionele’ tekst geheel volgens de verwachting, maar voor de piramidale versie helemaal niet, en onverklaarbaar – een teken dat we niet goed hebben voorspellen, en dus kennelijk ook nog niet weten, hoe deze lezers een piramidale tekst lezen.
- In een aantal onderzoeken komt de rol van het onderwijs aan de orde, vooral de eenzijdigheid waarmee universiteiten opleiden tot lezers en schrijvers van methodologische rapporten. Dát dat eenzijdig is, lijkt wel bevestigd te worden; of dat een probleem is (bijvoorbeeld: door afgestudeerden als een probleem ervaren wordt) is nog niet helder.
Dit is echt een voorlopige indruk, waarbij ik het waarschijnlijk al wat stelliger (en in mijn eigen woorden) formuleer dan op dit moment hard te maken is. Ik kom in januari met de definitieve resultaten.
Lezersvragen met ‘ik’ erin (rare brief #3)
De derde en laatste van de rare brieven die ik in november ontving.
Een belangrijk basisprincipe van goed zakelijk schrijven is dat de tekst lezersvragen beantwoordt: de centrale vraag en per structuur-eenheid (hoofdstuk, paragraaf, alinea) een deelvraag. Wat is een lezersvraag? Daarvoor moet je als schrijver goed inleven in die lezer. Ik was de beoogde lezer van de brief hieronder, maar die beantwoordde beslist niet mijn vragen:
Het gaat om een ‘woekerpolis‘, dat wordt duidelijk uit de brief, en inderdaad heb ik zoiets lopen bij het bedrijf onder de zwarte balkjes. Dat woord wordt natuurlijk niet genoemd, want dat zou een soort toegeven zijn: het bedrijf gaat niet van zichzelf zeggen dat het heeft gewoekerd natuurlijk. Dat begrijp ik.
De tegemoetkoming speelt al jaren, en als ik daar als lezer een vraag over heb, was het eerst natuurlijk: ‘gaat dit bedrijf er iets aan doen?’ – dat is ‘ja’, en dat wist ik al. Dan heb ik eigenlijk nog maar één vraag, en dat is: ‘wat betekent het voor mij?’, of iets concreter en plastischer: ‘hoeveel krijg ik terug?’ En nou juist die vraag wordt in de brief niet beantwoord. De strekking aan het eind is zoiets als: ‘u moet nog even wachten voordat u weet wat u terugkrijgt’. Dat is, wat mij betreft, een overbodige mededeling.
Ook in de deelvragen gaat het mis. Oppervlakkig gezien doet de brief dat heel goed: ‘In deze brief leest u waarom wij dit doen en op welke manier‘. Keurige structuuraankondiging aan het begin van de alinea. Maar dat zijn niet mijn vragen. Het waarom wist ik al, en op welke manier, dat interesseert me niet, of althans veel minder dan de vraag hoeveel ik krijg.
Wat me opvalt, is dat in de vragen in de brief geen u staat, maar alleen wij, wij van het bedrijf. Dat is al een veeg teken dat ze wel iets kwijt willen maar dat ze niet goed weten wat ze mij willen vertellen, of wat mijn belang erbij is. Wat mij betreft had deze hele brief dus vervangen kunnen worden door een voetnoot bij dat kosten- en waardeoverzicht dat ik volgens de laatste alinea in de eerste helft van 2013 ga ontvangen.
Het fout hanteren van een juist principe, dat is precies wat ik veel zie bij adviseurs die worstelen met lezergericht schrijven. Ze formuleren een hoofdboodschap, en als ik dan vraag welke vraag de lezer daarover zou kunnen stellen, antwoorden ze met ‘hoe ben je daaraan gekomen?’ Dat leidt dan tot een rapport waarin de schrijver verslag doet van de stappen die in het onderzoek gezet zijn.
Maar lezers willen meestal helemaal niet, en zeker niet in eerste instantie, weten wat jij als schrijver hebt gedaan, ze willen weten wat jouw advies betekent, voor hen. Ze vragen dus ‘hoe moet ik dat doen?’ of ‘waarom moet ik dat doen?’ In elk geval een vraag met ik erin. Want, ik zeg het wel vaker, lezers zijn uit op hun eigen belang – ik ook, als ik lees, en jij, als je eerlijk bent, ook. ‘What’s in it for me?’ is altijd leidend.
Dus, moraal van dit verhaal: in de lezersvragen die je als schrijver beantwoordt, zit altijd ik. Zo richt je je tekst op de belangen van de lezer.
Fietsvrouwcolumn #84 is uit
Net uit: Fiets van december, met daarin weer een column van mij – het was een tijdje anders, maar inmiddels doe ik het weer elke maand, fietsvrouw zijn. Deze maand gaat hij over mijn Nepal-reis. Beetje ander onderwerp natuurlijk, niet zozeer over fietsen, maar ik relateer het er wel aan.
Ik papier, jij papiert, wij papieren
Nog een gekke brief van afgelopen maand: van de gemeente Rotterdam dit keer. Het gaat over een wijziging in de GBA van ons adres.
Gek eraan is al dat hij alleen aan mijn man gericht is, en erin staat dat hij zelf de niet-overheidsinstanties van de wijziging op de hoogte moet stellen. Val ik daar ook onder? Maar goed, zoiets komt door automatisering, en ik heb begrepen dat dit soort instanties hun correspondentie standaard aan de oudste op het adres sturen. Dat dat in de meeste gevallen de man is, daar zal ik maar feministische het zwijgen over doen (zucht).
Maar nog gekker vind ik wat er voorgedrukt op het brief papier staat, in het hoofd, naast het log: ‘Leven, reizen en papieren’.
Dat geeft even kortsluiting in mijn hoofd. Ik lees leven en reizen namelijk als werkwoorden, en dat gaat mis bij papieren. Is het dan ‘het leven, de reizen en de papieren’? Maar dat lijkt me wat pretentieus, dat de gemeente over het leven gaat.
Tot slot: het is ook niet echt een fraaie opsomming, in de zin van dat het geen zuivere lijstrelatie is tussen de drie elementen, bijvoorbeeld omdat het gaat om papieren die je nodig hebt om te reizen: ‘om te’, niet alleen maar ‘en’.
Google leert me dat meer gemeentes van deze trits gebruikt maken. Ik vind het maar raar. Wat is er mis met het oude, vertrouwde burgerzaken?
Nog wat Nepalese tekst
Toen ik een maand geleden net terug was uit Nepal, postte ik al iets over teksten daar, de mani-stenen. We zijn nog steeds bezig met het uitzoeken van foto’s, en twee ervan wil ik hier ook graag laten zien – omdat het zo leuk is.
Eerst nog een religieuze. Een andere vorm waarin Boeddhistische tekst te zien is in Nepal, is op gebedsvlaggetjes, en die zijn fotogeniek, zeker als het er veel zijn, zoals hier bij Bodnath, één van de grootste Boeddhistische tempels ter wereld (Kathmandu):
En dan deze: wijze spreuken die aan de muur hingen van de Crystal Mountain school, één van de weinige scholen in de arme en afgelegen Dolpo-regio. Er hing veel in het Engels, en ik keek ook nog even in een best pittig Engels leerboek. Ik kon dat niet helemaal rijmen met het Engels dat gesproken werd: bijna niets. Het goodmorningsir van de kinderen klonk alsof ze amper begrepen wat ze zeiden, en veel verder kwamen we niet. Begrijpen de kinderen iets van wat hier staat?
En wat ook bijzonder was, in het kader van ’toeval bestaat niet’: sinds ik terug ben, ben ik die ene uitspraak van Einstein tegengekomen in het materiaal van een schrijftraining die ik ergens in opdracht uitvoer. Zo hoor je hem nooit, zo hoor je hem twee keer kort achter elkaar, maar in totaal verschillende situaties. Voor schrijven geldt-ie zeker, dat wel: ‘if you can’t explain it simply, you don’t understand it well enough’.




