Zweedse koks in Antwerpen
Als het enigszins uitkomt, ga ik er altijd heen: het VIOT-congres, de wetenschappelijke conferentie op mijn vakgebied. Vorige week was het weer zover, in Antwerpen, op een mooie plek in de oude binnenstad. De keer daarvoor was twee in plaats van de gebruikelijke drie jaar geleden en dat is de nieuwe frequentie, begrijp ik. Van mij mogen ze over twee jaar wat kritischer kijken naar het programma, want dat ging wat mij betreft als een nachtkaars uit: de eerste dag was overladen, de tweede dag was nog tot half 3 interessant, en daarna was er voor mij te weinig om nog voor in Antwerpen te blijven en dat heb ik dan ook niet gedaan.
Die krappe twee dagen waren echter wel weer de moeite waard, als uitje, reünie (zo noemde een vakgenoot het terecht) en ook wel omdat ik het leuk vond om het deel van mijn hoofd dat zich graag bezighoudt met methoden van onderzoek weer eens aan te spreken. Punt. Wat er ontbreekt hier is dat het zakelijk nuttig en dus inhoudelijk relevant voor mijn werk was, en dat klopt. De trend die ik twee jaar geleden signaleerde, dat ‘schrijven door/teksten van professionals’ uit is, zet zich voort.
Er was slechts één lezing met misschien een link naar mijn praktijk: die van Henk Pander Maat over herschrijven. Die was echter wel behoorlijk theoretisch en aan het eind ontging me iets – het was tegen het einde van die volle eerste dag en mijn hoofd was een beetje klaar. Mogelijk ook doordat de CO2-meter in de ruimte tot diepdonkerrode waarden was opgelopen – ik had zicht op de meter en vroeg me af waarom die er hangt als niemand er iets mee doet. Nouja, Henk gaat me z’n Powerpoint sturen en dan ga ik er nog eens beter over nadenken.
Er was wel een duidelijke rode draad – natuurlijk ook wel ingegeven door mijn keuzes in de parallel-sessies, maar de trend was meteen al gezet in de plenaire openingslezing: de taalbeheersing moet naarstig op zoek naar nieuwe onderzoeksmethoden. In die eerste lezing ging Hans Hoeken nader in op wat hij al samen met Daniel O’Keefe in 2021 op de kaart zette: dat het effect van tekstontwerpkeuzes op de overtuigingskracht in experimenteel onderzoek niet aan te tonen is.
Het effect van tekstontwerpkeuzes is er niet, klein en/of onvoorspelbaar. Later drukte Carel van Wijk het in zijn lezing uit als de ‘Januskop’ van tekstontwerpkeuzes: wat voor de een levendig geschreven is, is voor de ander verwarrend. De een vindt een informele stijl aardig een vertrouwd overkomen, een ander neemt zo’n tekst niet serieus. Mij leert dat dat je goed moet weten voor wie je schrijft, en ook dat je bij het schrijven niet je best hoeft te doen op perfectie.
Voor een schrijvende professional is zo’n relativerende boodschap niet verkeerd, maar voor onderzoekers is het slecht nieuws. Hoeken noemde zichzelf daarom tegenover het publiek de ‘meest deprimerende collega’. Maar zo zwart is het eigenlijk niet, zei hij zelf, en inderdaad: als met behulp van de juiste ontwerpkeuzes een tekst wel heel erg overtuigend te maken is, worden onze overtuigingen rechtstreeks bepaald door zo’n tekst. Dan zouden wij allemaal speelballen zijn in de handen van tekstschrijvers. Zo makkelijk is overtuigen gelukkig niet.
Toch is het ergens wel het ideaalmodel van de taalbeheersing, zo schetste Hoeken: dat er een recept zou zijn als, zeg: pak drie sterke argumenten voor, weerleg een zwak argument tegen, voeg er wat humor aan toe en een bepaalde dosis levendigheid, en klaar is je overtuigende tekst. Hij toonde daarbij een plaatje van een topkok. Maar, zo zei hij, wij taalbeheersers lijken eerder op de…
Zo’n plaatje zat echt in Hoekens presentatie, heerlijk! Met als strekking: taalbeheersers-Zweedse-koks weten dus eigenlijk niet wat de succes-ingrediënten zijn van een overtuigende tekst. Hoeken liet zien wat dat voor de methoden van onderzoek betekent. Eén van de problemen is de vaagheid van de gemeten termen. Wat is ‘levendig’ bijvoorbeeld, als het om een tekst gaat? Hoeken bepleitte een stevigere fundering in de theorie, betere definities bijvoorbeeld.
Nou, de toon was gezet. In de rest van de conferentie werd ik heen en weer geslingerd tussen een soort vertwijfeling als er wéér een Zweedse kok op zoek ging naar een ingrediënt en op basis van weinig theorie, vage operationalisaties, twijfelachtige manipulatie van de onafhankelijke variabele* en wel een dikke dosis precisie-statistiek – steeds dikker, want dankzij een nieuwe methode kan iedereen aan de haal met mediërende factoren. Mij stoort dat al sinds ik als ‘buitenstaander’ (niet-wetenschapper) mijn vakgebied bekijk, dus al meer dan 25 jaar.
Maar aan de andere kant: er was ook hoop. Omdat het er nu eindelijk expliciet over ging. Meteen na Hoekens lezing verontschuldigden twee sprekers zich voor hun eigen verhaal, omdat ze moesten erkennen dat ze in de net door hem geschetste valkuil waren gevallen. En op donderdagochtend was een heel panel gewijd aan methoden voor het onderzoek naar het effect van stijl. Ook daar weer Zweedse koks, maar ook interessante discussie, overigens zonder duidelijke conclusie, hooguit iets over de waarde van ‘mixed methods’.
Buiten deze rode draad heb ik eigenlijk niet eens zo heel veel gehoord. Nouja, een paar andere presentaties. Over stoken als taalhandeling, spelfouten van ervaren schrijvers (kom ik nog een keer apart op terug), over herschrijven dus, en tot slot (nouja, voor mijn vertrek) een plenaire lezing door Walter Daelemans over generatieve AI, inzoomend op de mogelijkheden en beperkingen van Nederlandse taalmodellen.
Mijn conclusie van de twee dagen was: dikke inhoudelijke crisis. En daar ligt zowel dreiging als kans. De kans is dat er echt iets gaat veranderen. Ik zou niet weten welke kant op en hoe, maar dat is ook niet aan mij. Wel stemt het me hoopvol. Bij de dreiging voegt zich echter dat het geen makkelijke tijd is voor de wetenschap in het algemeen en voor Letteren in het bijzonder. Als Zweedse kok kun je wel over het ingrediëntje dat je toevoegt publiceren, en als dat voorop staat, verandert er weinig. Sterker nog, dan dreigt fragmentatie en steeds dieper wegkruipen in het laboratorium, in de zin van: steeds verder af komen te staan van wat gewone taalgebruikers doen met tekst. Want dat was bij sommige experimenten wel heel ver.
Ik kijk al uit naar het volgende congres, want ik ben benieuwd hoe de taalbeheersing er over 2 jaar voorstaat. Dat is wel spannend. Niet alleen signaleerde ik die inhoudelijke crisis en het nachtkaars-programma, maar ook waren er maar weinig deelnemers. Toch wat zorgelijke ontwikkelingen, lijkt me. Gaat het vakgebied die trend keren?
* Onafhankelijke variabele: de tekst en de herschrijving die je in het experiment aan proefpersonen voorlegt om ze met elkaar te vergelijken – als dat bijvoorbeeld maar één tekst is, kan alles wat je vindt toevallig aan die ene tekst liggen


Reacties
Zweedse koks in Antwerpen — Geen reacties
HTML tags allowed in your comment: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>