Een paar maanden geleden was ik hier kritisch op ellenlange zinnen in een boek dat ik toch wel de moeite waard vond. Ik heb nu net weer een boek gelezen met ellenlange zinnen, maar dat juist met plezier: van goed geformuleerde lange zinnen kan ik genieten. Net zoals van archaïsche termen, zoals in dit boek thans voor nu.
Het gaat om Absolute democratie. Kroniek van een aangekondigde afrekening van Ilja Leonard Pfeijffer. Ik heb dat vooral uitgelezen omdat ik genoot van de stijl. De inhoud las ik met veel instemming, maar ik trof er weinig nieuws in aan. Dat is op zich wel leuk, gelijk krijgen, maar ik had meer ‘routekaart naar een betere toekomst’ verwacht – dat belooft de achterflap.
De stijl heeft zo z’n eigenaardigheden die voor mij niet hoeven. Vooral: Pfeijffer schrijft soms overdadig expliciet, zoals mensen bij volledige doopnaam noemen, of helemaal voluit Zijne Majesteit Koning Fillip der Belgen, en data en tijdstippen met een precisie die er niet toe doet in het verhaal. Ik vind ook dat de voormalige lange columns of korte essays iets verder bewerkt hadden mogen voor een boek. Vooral de niet-aangepaste tijdsaanduidingen stoorden me. Het is gek om in een boek ‘6 april jongstleden’ te zien staan terwijl dat in 2024 was. Dat had wat minder gemakzuchtig gemogen, denk ik dan.
Maar daar stond veel tegenover. Hier komt een voorbeeld van een zin die ik met bewondering las (op p. 220):
Ten gevolge van de banaliteit van haar verschijningsvorm, de onkunde die bij haar uitvoering aan de dag wordt gelegd en gewenning bij het murw geslagen publiek dreigt de ontmanteling van de rechtsstaat en de democratie schouderophalend te worden gebagatelliseerd en zelfs door de scherpste analisten hoofdschuddend te worden gerelativeerd, als ware zij niets meer dan wat zij lijkt, een lachwekkende manifestatie van vulgariteit en domheid, terwijl de gewone mensen te kampen hebben met te veel reëel bestaande problemen in de vervloekte realiteit om zich abstracte zorgen te kunnen veroorloven.
Wauw!
Nog niet lang genoeg? Neem deze dan (p. 161), net als het vorige voorbeeld aan het begin van een hoofdstuk:
Toen ik een jaar en een maand geleden begon aan deze beschouwende kroniek, waarin ik wilde documenteren en analyseren op welke manier de democratie en de rechtstaat in Europa en elders hun glans verliezen en van hun glans worden ontdaan en hoe de traditionele democratische rechtsorde, onder druk van individuele politici, stromingen in de politiek en sentimenten in de maatschappij die oude verworvenheden als belemmeringen zien en die vanzelfsprekendheden uitdagen, een transformatie ondergaat, die in sommige landen sneller haar beslag krijgt dan in andere maar die geen enkele van de democratische naties onberoerd laat, en langs lijnen van geleidelijkheid of schoksgewijs wordt vervangen door in beginsel democratisch gelegitimeerde regimes met autocratische aspiraties, waarbij de machtsbalans steeds verder doorslaat ten gunste van fascistoïde ideologieën, en toen ik mij aan de kwijting van deze mijzelf gestelde opdracht zetten in de angstige verwachting dat ik en mijn lezers met mij om deze redenen getuige zouden zijn van ontwikkelingen in die de historie van ons continent en van de westerse wereld verregaand zouden beïnvloeden, koos ik de kracht van het woord als uitgangspunt.
Die is wel heel complex, maar waardoor ik er toch goed doorheen kom, is dat het inhoudelijk een samenvatting is van waar het de hele tijd over gaat. Pfeijffer kan zich zo’n zin permitteren omdat de lezer achtergrondkennis heeft, en al lezend ‘oja, da’s waar ook’ kan denken. Je zou de zin kunnen parafraseren met ‘bij waar ik het tot nu toe over heb gehad, koos ik…’ of ‘bij wat ik hier aan het doen ben, koos ik…’
Het is dus niet alleen de complexiteit van een lange zin, en al helemaal niet het aantal woorden, het gaat ook om wat de zin doet in het opbouwen van de informatie van het betoog. Als die bekend is, is een lange zin beter te behappen dan als de informatie nieuw is.
